Biografieprijs

Willem kan niet wachten

Er zullen natuurlijk compleet logische verklaringen zijn voor wie wie mocht doen en waarom, verklaringen die passen bij academische carrières en eerder gepubliceerde titels, natuurlijk, maar ik kan de fantasie niet onderdrukken dat toen van hogerhand besloten werd dat de biografieën van de eerste drie koningen van Nederland geschreven moesten worden de drie beoogde biografen bij elkaar kwamen – Jeroen Koch, Dik van der Meulen en Jeroen van Zanten – en ze gedobbeld hebben wie Wil- lem I mocht doen. Koch gooide uiteindelijk zes, en die kans heeft hij met beide handen beetgegrepen.

Medium joost 20de 20vries 20  20koning 20willem 20i

Willem I spreekt namelijk het meest tot de verbeelding. Als stadhouder Willem IV was hij gevlucht voor Napoleon, als koning Willem I keerde hij terug op het strand van Scheveningen, hij maakte van Nederland een actieve speler in de oorlog die tot Waterloo leidde, hij stond voor de taak om van Nederland een politieke eenheid te maken, onder hem ging België verloren. Dat zijn, kortom, genoeg mythes voor een biograaf om je tanden in te zetten.

Om met die aankomst op Scheveningen te beginnen. Vanwege een krachtige oostenwind duurde de overtocht vanuit Engeland langer dan verwacht, schrijft Koch, dus ging de aanstaande koning pas aan het einde van de middag van 30 november 1813 aan land. Geen groots onthaal dus: slechts her en der keken mensen toe vanuit de duinen, het werd al donker, en de nieuwsgierige mensen die zich bij de stoet van Scheveningen naar Den Haag aansloten, wisten vaak niet wie ze nu voor zich hadden. Saillant detail is dat nog voordat het teken was gegeven dat de kust veilig was Willem van boord ging. Misschien is dat ook weer niet saillant, Willem kon gewoon niet wachten, maar dat is het dilemma dat Koch zo mooi invoelbaar maakt. Willem was namelijk een vorst die continu te lang had moeten wachten.

Hij was geboren in 1772, toen de dynastieke verdeling van Europa absoluut was, net als de macht van de vorsten. Maar nadat hij was teruggekeerd uit ballingschap, waar hij zich vaak melancholisch een nietsnut voelde, was niets zo absoluut meer, dat hadden de Franse Revolutie en daarna Napoleon wel laten zien. Willems koningschap kwam op uitnodiging bovendien van een provisorisch bewind dat de teugels opnam toen de Franse bezetter zich begon terug te trekken (het zogeheten Driemanschap, bestaande uit Gijsbert Karel van Hogendorp, Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum). The times they were a-changing, en Willem had moeite zich ernaar te voegen. Le roi règne, mais ne gouverne pas gold als het adagium voor de vorst in de negentiende eeuw, maar Koch toont Willem als een koning die geen enkel geduld had voor zijn uitvoerende ministers, of de grondwet.

Wanneer iemand hem tegensprak beslechtte hij het gesprek met de dooddoener: ‘Ik ben Koning, Mijnheer’

Dat vonden niet alleen zijn ministers, maar ook zijn familie. Alles wilde de koning beslissen, schreef zijn schoondochter Anna Pauwlona in haar dagboek. Toen Willem zijn zoon (Anna’s echtgenoot) uit zijn militaire rang en zijn ministeriële functie wilde ontheffen, omdat hij hem te frivool en te weinig daadkrachtig vond, vond Anna dat ‘een decreet Filips II waardig’. (Koch merkt op dat Willem er een hand van had om wanneer iemand hem tegensprak het gesprek te beslechten met de dooddoener ‘Ik ben Koning, Mijnheer.’)

Die vader-zoonrelatie zet ook meteen de Nederlandse mythe van Waterloo in een ander licht. Publiekelijk was dat iets waar Willem mee schermde; zijn zoon was immers de held van Quatre-Bras, wat werd aangewend om het volk het gevoel te geven dat Nederland zich bevrijd had van de Fransen, in plaats van dat het bevrijd was.

Maar privé geloofde Willem niet in de heroïek van zijn zoon, zo noteerde Anna Pauwlona in haar dagboek: ‘Hij is een slechte militair, een slechte generaal (…). Hij had het geluk dat hij gewond is geraakt, anders was hij verslagen’, zou Willem gezegd hebben.

Geen biografie is vervelender dan een hagiografie, natuurlijk, maar een biografie die uitsluitend keerzijdes ziet en nooit eens de medaille schiet ook te kort. Koch lijkt volkomen neutraal ten opzichte van zijn onderwerp te staan. Hij wijst erop dat de reputatie van Willem I door verschillende historici door de jaren heen – de antirevolutionair Adriaan Goslinga, bijvoorbeeld, of de marxist Jan Romein – altijd is afgemeten aan hoe Willem I omging met de problemen die niet zozeer in zijn tijd speelden, als wel in de tijd van de biograaf. Koch geeft ere wat ere toekomt, schrijft over Willems passie en/ of kunde als het aankwam op geld, landschapsinrichting en bestuur.

Het beeld dat beklijft is dat van een vorst die twee passen achter zijn tijd aan liep, of beter, liever de andere kant op wandelde. Kochs uitmuntende biografie geeft even veel aandacht aan de narrige speelbal die Willem was als aan de krachten die zijn lot bepaalden. Willem was een autocraat in een tijd dat parlementen machtig werden, hij geloofde in dynastieke rijken in een tijd dat juist talen en cultuur naties bijeenbrachten. ‘De stormen der tijden hadden hem inderdaad niet gespaard’, schrijft Koch op de laatste bladzijde van zijn epiloog. En zo was het.


Beeld: Joseph Paelinck, Portret van Willem I, koning der Nederlanden, 1819. Olieverf op doek, 227cm × 155,5 cm (Rijksmuseum)