Willem mengelberg is jarig

Laat ik eens proberen een paar vriendelijke woorden te spreken over Willem Mengelberg, want die viert dezer dagen zijn honderdvijfentwintigste verjaardag, en het is onaardig het feestje van die ouwe man te versjteren.

Door de ware paasgeest bevangen draai ik, al tekstverwerkende, zijn Mattheuspassie, uit 1939. Bach als Beethoven, dierbaar als een oud meubelstuk, al heb ik er nooit de ‘hoogste religieuze muziekopenbaring die men zich denken kan’ (een tijdgenoot) in kunnen beluisteren.
Van hoogste religieuze muziekopenbaringen heb ik nu eenmaal gelukkig geen last.
Waarom is Mengelberg zo beroemd geweest? Ik bezit natuurlijk zijn cassette met Beethovensymfonieen, die in de vroege jaren zestig door Philips op de markt is gebracht. Eerst hoor je een caesarentikje op de lessenaar. Dan hoor je een degelijke, zij het weinig avontuurlijke Vijfde of een wat slome Pastorale. Vier jaar geleden brachten de Japanners The Mengelberg Legacy op de markt, opnamen die de dirigent tijdens de oorlog met zijn Concertgebouworkest maakte. Het beeld is hetzelfde: de Eroica is passabel, zijn Mozart is uit de tijd en Bachs cantate 'Weichet nun, betrubte Schatten’ is een kleine natuurramp: rare tempi, dof orkestspel en een sopraan die een politiefluitje heeft ingeslikt.
Van de titaanse reputatie van de dirigent, opererend in de avond van zijn leven, begrijpen wij, al luisterend, nog steeds niets. Zou die dan toch voornamelijk op het jeugdsentiment van onze opa’s berusten? Of is het een late echo van de beate bewondering van die schare bewonderaars die hem een leven lang de hielen heeft gelikt?
Zij hebben, denk ik, de verkeerde Mengelberg aanbeden. Er bestaat een andere Mengelberg, de dirigent uit de late jaren twintig en de vroege jaren dertig, inmiddels eveneens van schellak naar de compactdisc overgebracht. Met een vinnige ouverture tot Mozarts Zauberflote, een frisse Alcina-suite van George Friedrich Handel en een ouverture tot Tannhauser die naar een complete Tannhauser doet verlangen, al was Mengelberg meer een man voor het podium dan voor de orkestbak.
Wat is er in die luttele tien jaar, zeg van 1930 tot 1940, met Mengelberg gebeurd? Heeft zich in die periode eindelijk de decennialange stroopsmeerderij gewroken waartegen geen kunstenaar bestand is, Mengelberg niet in de laatste plaats? Hoe schadelijk voor de ziel, artistiek gezien, is al dat gevlei en gefleem geweest voor een man die op het laatst zelf moet zijn gaan veronderstellen dat hij uniek, geweldig, geniaal en onfeilbaar was? Is deze 'Hercules’, deze 'profeet der muziek’ (Carel Scharten in De Telegraaf) in die tien jaar definitief veranderd in 'een tirannieke egoist’ en een 'in zijn kringetje tollende virtuoos, de slaaf zijner eigen kunst’ (Matthijs Vermeulen in De Groene Amsterdammer)?
Ik denk van wel.