Willem van de Sande Bakhuyzen (1957-2005)

Willem van de Sande Bakhuyzen

(1957-2005)

In de voorspoedige carrière van Willem van de Sande Bakhuyzen in het theater en achter de camera speelden twee zeer invloedrijke instituten een hoofdrol: de Toneel academie Maastricht en het televisie productiebedrijf IdtV. Op de school in Maas tricht kwam Van de Sande, daarvoor rechten student en corpslid in Amsterdam, terecht in het gezelschap van Pierre Bokma, Yvonne van de Hurk, Peter Blok, Gijs Scholten van Aschat, Joke Tjalsma en Maria Goos, een vriendengroep, een zeer gelukkige en zeer getalenteerde generatie, die tot op de dag van vandaag gretig Van de Sandes producties bevolkte. Van IdtV kreeg de beginneling een paar afleveringen toebedeeld van de drama-serie 12 steden,13 ongelukken, een even overzichtelijk als vruchtbaar format, waarin ook Pieter Kuijpers (Van God los), Tjebbo Penning (Morlang) en Roel Reiné (The Delivery) hun eerste schreden zetten. Die investering betaalde zich terug. IdtV zou in de jaren negentig – niet als enige, maar toch wel in belangrijke mate – het niveau van het Nederlands kwaliteitsdrama op een hoger plan brengen en benutte daarvoor de eigen kweek, zoals Van de Sande en Maria Goos, die gezamenlijk doorgroeiden van Pleidooi naar Oud geld en daarna, toen de firma ook een serieuze filmproducent werd, naar Familie, Cloaca, en Leef!

Daarnaast maakte Van de Sande nog De enclave, Bij ons in de Jordaan, Lepel en de dansfilm Lost, en regisseerde hij een dozijn succesvolle theaterproducties, van Een zwarte Pool en Festen tot Wie vermoordde Mary Rogers? en The Prefab Four. De onderscheidingen voor dat alles – Nipkowschijven, Gouden Beelden en Kalveren – vullen een flinke bezemkast.

Cloaca en Familie waren met Oud geld misschien wel de beste werken van de tandem Goos/Van de Sande. Beiden waren bij uitstek op dreef in het Kammerspiel, de uitwisseling van teksten en al of niet verholen emoties in een kleine ruimte, tussen een handvol personen, vaak onder druk. Alledaagse taal en aandacht voor het alledaagse detail waren daarbij veelzeggender dan grote woorden. Een Hollandse familie in een skihut raakt immers niet slaags over de grote dingen – bedrog, overspel, ziekte – maar over de kleine: een ski-jack, een zak chips of een telefoon. De teloorgang van oude studenten kameraadschap in Cloaca wordt niet schrijnender geïllustreerd dan door het meebrengen van vier blikjes bier in een harteloos wit plastic tasje van de avondwinkel.

In de wereld van Willem van de Sande Bakhuyzen bestond er verschil tussen «taartje» en «gebakje» en tussen «koelkast» en «ijskast», en het was precies het gevoel voor de dramatische kwaliteit van dat soort buitengewoon Nederlandse verschillen dat zijn werk zo’n kracht gaf. Misschien dat Van de Sande die fijngevoeligheid van huis heeft meegekregen, dat subversieve talent om te horen wat Nederlanders uit bepaalde milieus eigenlijk bedoelen, als ze praten, wat ze allemaal verbergen als ze voorgeven openhartig te zijn. Hij en Maria Goos gebruikten die kennis met venijn. Familie was niet minder dan hun eigen Festen, een demonstratie van het verwoestende effect dat Hollandse kleingeestigheid, conventie, huichelarij en egoïsme hebben op eenvoud, vertrouwen en liefde. Het zou heel goed kunnen zijn dat Kevin Spacey die scherpe observaties ook herkende in de filmversie van Cloaca, en dat hij zag dat dat drama evenzeer Brits als Nederlands was, met dezelfde weemoed als in Peter’s Friends, dezelfde vileine ontrouw-onder-vrienden als in Betrayal en hetzelfde dodelijke spel met succes en klasseverschil als in Howard’s End.

De dood van Willem van de Sande Bakhuyzen, daags voor de première van Leef! – een titel die vaststond lang voor hij bij het project betrokken werd – heeft een diepe schaduw geworpen over de feestelijkheden van het Nederlands Film Festival in Utrecht. De film bewijst nog maar eens hoezeer Van de Sande, met zijn vrienden, het boegbeeld was geworden van dat zo kwetsbare genre, de pu blieks film van hoge kwaliteit, dan wel de auteursfilm met brede aantrekkingskracht. Cloaca trok 150.000 kijkers; toen hij aan Leef! begon stond Van de Sande op het punt de stap naar de Britse filmindustrie te maken – een logische erkenning van zijn kwaliteit.

De Festivaljury heeft hem, wrang genoeg, de accolade van «beste speelfilmregie» tot nog toe onthouden. Toen Van de Sande in 2001 voor Familie werd genomineerd, en won, was dat in de categorie «tv-film». In 2003 miste hij de regieprijs voor Cloaca; Kuijpers won met Van God los. De speciale juryprijs, voor de vier hoofdrol spelers, en de publieksprijs repareerden dat nét.

Willem van de Sande Bakhuyzen is dood en het zal hem weinig kunnen schelen of hij dit jaar geëerd wordt of niet – zo dat hem ooit werkelijk iets gedaan heeft. Maar als er dan toch prijzen worden uitgereikt, zou het mooi zijn om dat te doen voor een ongewone, kleine film van zijn hand, die ook op het Festival te zien is: Embracing Time. Een korte dansfilm op Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen, gemaakt in nauwe samenwerking met Ed Wubbe van Scapino Rotterdam en IdtV Arts. Het is, helaas, in heel veel opzichten een zwanenzang: een oude man blikt terug op zijn leven en op de liefde van zijn jeugd, van wie hij ooit afscheid nam. Het is een klein meesterwerk; het is een eerbetoon aan alles wat er in de Nederlandse cultuur aan goeds, waarachtigs en liefdevols bestaat. Ingehouden, sierlijk, subtiel, doorleefd, prachtig.

Embracing Time. Nederlands Film Festival, 30/9, 14.00; zondag 2/10, 16.15; woensdag 5/10, 22.15