Opheffer

Willem was voor ons zo aardig

Van Willem Wilmink leerde ik dat taal ook «democratiserend» kan zijn. Ik weet niet meer of hij ook dat woord gebruikte. Ik weet alleen dat hij wilde dat iedereen je begreep als je schreef of dichtte. Je mocht best samengestelde zinnen gebruiken, maar geen moeilijke woorden. En de spelling. Ja, eigenlijk moest iedereen maar schrijven zoals hij sprak. Dat jij wordt met dt is, vond hij maar eigenaardig.

Wij hadden destijds, in de jaren zeventig, al snel door dat hij misschien wel op dezelfde hoogte stond als Annie M.G. Schmidt. Alleen hij wilde daar niet van weten.

Er zijn vele regels in de liederen van Willem die me dierbaar zijn. Het zijn altijd regels, nooit zinnen. Willem was niet zo’n zinnenschrijver. «Eens, voordat ik je beter leerde kennen,/ dacht ik ’t maakt haar gelukkig wat we doen./ Zoals je bij dat klein plantsoen ineens ging rennen,/ wat een verdomd mooi meisje was je toen./ Reken het niet, dat ik je nimmer heb begrepen,/ en geen begrip had van het psychisch mijn en dijn/ want zonder jouw gevoelens en problemen/ hadden wij goden kunnen zijn…» Lied Ao 1920, heet dit gedicht.

Maar voor mij is het heel erg Wilmink. Oog voor het tragische, dat had hij. Juist omdat we vermoedelijk niet even anders denken en aardiger voor elkaar zijn.

Destijds had ik veel plezier om het lied Diamanten bruidspaar. Een soort Carmiggelt op rijm. Een man die «andere verkering» had, zag op de kermis een leuke meid, vree daarmee en ging, nadat hij haar zwanger had gemaakt, «als een goed verliezer naar ’t stadhuis». Ze blijven zestig jaar bij elkaar. En dan komen de regels die zo prachtig en wijs zijn: «Als er iemand nu zou vragen: was er liefde in het spel? Ach, hij heeft haar nooit geslagen, dus misschien een beetje wel.»

Het gedicht (het is eigenlijk een lied) heeft iets van berusting; het is een foto van het leven zelf. Het grijpt je bij de keel terwijl er ook een eigenaardig soort geluk van afstraalt.

Willem vond het leuk toen ik hem dit een keer vertelde.

«Zou jij zo’n huwelijk willen?» vroeg hij mij.

«Ik niet», zei ik. «Jij?»

«Ik wel», antwoordde hij, «want het moet natuurlijk een hele mooie meid zijn geweest op die kermis, denk ik.»

Willem was snel geraakt. Als hij schreef, stond hij altijd op de rand van zijn sentiment — iets wat hij trouwens gemeen had met Elsschot en Carmiggelt.

Een paar jaar geleden — hij had toen al een klein herseninfarct gehad — interviewde ik hem voor de radio, heel kort. Ik vroeg hem voor de uitzending of hij het gedicht Treinreis in de avond wilde voorlezen. Dat was namelijk het eerste gedicht dat van hem werd gepubliceerd. Ik vond het een prachtig gedicht. Maar Willem zei: «Nee, dat kan ik niet voor lezen, dan raak ik te geëmotioneerd.» Vervolgens las hij in de uitzending een ander gedicht voor, waarna alsnog de tranen kwamen.

Hoe het de laatste jaren met Willem ging, weet ik niet. Ik sprak zijn zoon wel eens en die zei dat het soms goed ging, en vaak ook niet. Hij was af en toe bang geworden om het huis uit te gaan. Onzeker. Het was al geen zekere man.

Die lieve Willem. Hij was voor ons zo aardig… Hij maakte voor ons de poëzie ook bereikbaar. Letterlijk en figuurlijk. Hij liet je zien hoe het moest, hoe je uit je eigen leven je onderwerpen kon halen. Als het maar een beetje om te lachen was.

Het moet eind jaren zeventig zijn geweest. Ik was Willem in de stad tegengekomen. We zouden een eindje met elkaar op lopen.

«Ik wil niet aan de rechterkant van de Keizersgracht lopen», zei hij. «Waarom niet?» vroeg ik.

«Daar woonde vijftien jaar geleden een meisje dat ik niet meer wil zien.»