Red de bijen

‘Willen jullie wat honing proeven?’

De bij, de belangrijkste bestuiver, wordt ernstig in zijn bestaan bedreigd. Dat dit moet stoppen, vinden behalve biologen en (hobby-)imkers ook natuurbeschermings- en land- en tuinbouworganisaties. En dat begint met bewustwording. ‘Als het nu niet gebeurt, lukt het nooit.’

© Carlo Prearo / EyeEm / HH

De bomen lijken verdwaald in het grijsbruine akkerlandschap zonder verdere begroeiing. Een handjevol arbeiders loopt met wattenstaafjes in de hand door een kleine fruitboomgaard. In opperste concentratie en doodse stilte drukken ze de met stuifmeel uitgeruste staafjes tegen de schaarse dracht aan de bomen. Voorzichtigheid is geboden om de bloemen niet te beschadigen.

Het is een scène uit de documentaire More than Honey (2012), waarin de Zwitserse regisseur Markus Imhoof de wereld rondreist op zoek naar het verhaal achter de in rap tempo stervende bijen. Zijn zoektocht bracht Imhoof in China waar in bepaalde regio’s de bijen zijn uitgestorven. Chemische vervuiling van lucht en grond maakt het voor de natuurlijke bestuivers onmogelijk er te overleven.

Dit schrikbeeld staat ook bij mensen die de film niet hebben gezien steeds sterker op het netvlies. In oktober 2017 werd de noodklok geluid na een veelbesproken onderzoek naar insectenstanden. In Duitse natuurgebieden hielden entomologen 27 jaar lang insectenpopulaties bij. Het aantal insecten dat de observatietenten binnen was gevlogen bleek over die periode met meer dan driekwart te zijn afgenomen. Door intensieve landbouw, gebruik van bestrijdingsmiddelen en toenemende verstedelijking is hun leefgebied onder druk komen te staan. De prominente Britse bioloog Dave Goulson waarschuwde naar aanleiding van het onderzoek voor een ‘ecologisch armageddon’. Als we het tij niet snel weten te keren, loopt het leven op aarde zoals we dat kennen gevaar.

De dramatische afname van het aantal insecten vormt een bedreiging voor het functioneren van talrijke ecosystemen. Zo vormen insecten belangrijk voedsel voor bijvoorbeeld vogels, vleermuizen en kikkers en zijn ze van groot belang voor een gezonde en vruchtbare grond. Een derde van onze voedselgewassen – en 94 procent van alle bloeiende planten op aarde – is direct afhankelijk van bestuiving door insecten.

De bij mag zich als belangrijkste bestuiver op veel belangstelling verheugen. Supermarkten verkopen bijenhotels en mensen laten lepeltjes suikerwater voor vermoeide bijen achter in hun tuin of op het balkon. De Verenigde Naties riepen, op Sloveens initiatief, 20 mei uit tot jaarlijkse Wereldbijendag en Nederland kent sinds kort zelfs een heuse Nationale Bijenstrategie. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft daarin met natuurbeschermings- en land- en tuinbouworganisaties de handen ineengeslagen om het teruglopen van de bijenpopulaties een halt toe te roepen.

Die strategie is gebaat bij diversificatie, want dé bij bestaat niet. In Nederland komen ruim 350 soorten voor, waarvan de honingbij de bekendste is. Honingbijen leven in kolonies, vrijwel altijd gedomesticeerd in bijenkasten van een imker en zijn populair bij telers voor bestuiving. Ook wilde bijen, waartoe ook hommels behoren, zijn belangrijke bestuivers. Zij leven op verschillende plekken in het Nederlandse landschap; in bosranden en bloemrijke graslanden, maar ook in spleten tussen muren en holletjes onder de grond. De helft van de wilde bijen wordt met uitsterven bedreigd.

‘Met deze droogte komt er nu alleen hier en daar wat klaver tussen al dat tetraploïd Engels raaigras door’

‘De Beemster is een ecologische woestijn.’ Arnoud Sap is hovenier en imker in zijn achtertuin in Middenbeemster, een dorp in de Noord-Hollandse polder. ‘In al die mooie groene weilanden is voor de bijen haast niks te halen’, legt hij uit. ‘Met deze droogte komt er nu alleen hier en daar wat klaver tussen al dat tetraploïd Engels raaigras door.’ Sap trekt een grimas als hij het populaire gras aanhaalt dat veel boeren gebruiken omdat het veel eiwitten bevat. Goed voor een hoge zuivelproductie, maar fnuikend voor de biodiversiteit. Sap ziet de schaalvergroting in de landbouw als een belangrijke oorzaak voor de bedreiging van de bij. ‘Met het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen is er gekozen voor kwantiteit boven kwaliteit. De bloemetjes en de bijtjes delven dan het onderspit.’

Nederland is een grootschalige exporteur van vlees en zuivelproducten. Tachtig procent van de in Nederland geproduceerde zuivel wordt geëxporteerd en de agrarische miljardenindustrie breekt jaar in jaar uit records.

Deze continue schaalvergroting en focus op export kan overigens ook rekenen op breed gedragen kritiek binnen de sector zelf, zo bleek uit De staat van de boer, een uitgebreid opinieonderzoek onder boeren dat Trouw deze zomer publiceerde. Uit de resultaten kwam naar voren dat een grote meerderheid graag wil overstappen naar een duurzamere, ‘natuurinclusieve’ vorm van landbouw. Wat ze missen is een goed doordacht langetermijnbeleid om die omslag te maken.

Ook de nieuwste tuinmode met veel sierbestrating komt de biodiversiteit niet ten goede. ‘Veel mensen vinden zo’n begrafenistuin wel handig’, weet Sap, want dat scheelt weer in het onderhoud. Maar als het hele oppervlak bedekt is met grote tegels, is er voor insecten niets meer te halen.’

Zelf pakt hij het heel anders aan. Als hovenier is hij verantwoordelijk voor een uniek stukje landschap in de polder. De woon- en werkgemeenschap voor mensen met een verstandelijke beperking is zes hectare groot en geheel ingericht volgens de filosofie van de Oostenrijkse antroposoof Rudolf Steiner. Het hele terrein ontwierp Sap met de bijen in gedachte. ‘Ik plant met name bomen die het in het najaar goed doen. In het voorjaar is er over het algemeen wel voldoende dracht, maar in het najaar is er minder, dus dan help ik ze een handje.’ Als de bijen ook in het najaar hun nectar en stuifmeel kunnen halen, kunnen ze sterk de winter in.

Toch heeft ook Sap niet alles in de hand, want (honing)bijen vliegen tot wel zes kilometer. Wat ze buiten zijn terrein ophalen, daar heeft hij geen invloed op. Landbouwgif dat in de omgeving wordt gebruikt brengen ze ook mee naar huis. Met name neonicotinoïden, insecticiden die als preventief middel in de landbouw worden gebruikt, hebben een zeer schadelijk effect op het zenuwstelsel van insecten. Bij bijen vermindert daardoor bijvoorbeeld de oriëntatie en de vruchtbaarheid en het maakt ze kwetsbaarder voor ziektes van buitenaf. Dit voorjaar besloot de EU het gebruik van drie van de vijf gangbare ‘neonics’ te verbieden, waarna telers massaal overschakelden op een van de niet-verboden, iets minder schadelijke pesticiden.

Amsterdam-Noord, schooltuinen, imker Ko Veltman met leerlingen © Tan Tunali

Op steenworp afstand van zijn bloemrijke tuin heeft Sap naast een beekje een aantal bijenvolken staan. Hij komt er graag tussen de middag om naar de bijen te kijken. Voor hem komen de bijen op de eerste plaats, vertelt hij, terwijl de meeste imkers bijen vooral zien als honingproducenten. ‘En met de honingoogst ontnemen ze de bijen eigenlijk hun wintervoorraad. In mijn kast hangen twintig ramen. Vanaf het dertiende raam is er een overschot en is de honing voor mij.’ Het komt niet elk jaar voor dat de bijen meer dan twaalf ramen volbouwen, maar omdat dit een goed jaar is geweest, kan Sap voor het eerst in vijf jaar weer wat honing oogsten.

Door hun bijen over de wereld te verplaatsen, verplaatsten imkers ook de varroamijt over de wereld

Arnoud Sap werkt volgens de biodynamische methode, waarin niet aan ziektebestrijding wordt gedaan. Onder imkers is dat onderwerp voor hevige discussies. De conventionele imkers stellen dat de varroamijt, een gevreesde en dodelijke parasiet, absoluut bestreden moet worden. Door zich te nestelen in het broed, kan de mijt volken zodanig verzwakken dat ze het niet overleven. De parasiet kwam in de jaren tachtig via de Indische honingbij naar Europa. Door hun bijen over de wereld te verplaatsen, verplaatsten imkers ook de mijt over de hele wereld. Australië is het enige continent dat nog varroa-vrij is. Na duizenden jaren co-evolutie slagen de Indische gastheer en de parasiet erin samen te leven, maar de Europese bijen zijn zo ver nog niet. Volgens Sap ligt de bestrijding daaraan ten grondslag. ‘Wij zeggen: de bijen hier moeten zelf ook met die mijt leren omgaan. Dat kan het beste met lokale bijen die zich aan de lokale omstandigheden weten aan te passen.’

Veel reguliere imkers werken met speciaal gekweekte bijen – zachtaardigheid en productiviteit zijn populaire eigenschappen – waardoor autochtone bijen sterk in aantallen zijn afgenomen. Maar de gekweekte bijen hebben het moeilijker met lokale omstandigheden als klimaat, voedselaanbod en concurrentie. Ze zijn ook kwetsbaarder voor ziektes, weet Sap, die alleen met bijen uit de buurt werkt.

Elk jaar krijgt hij wel een belletje van een kennis als die een zwerm in zijn schoorsteen aantreft. ‘Dat zijn de bijen waarin ik geïnteresseerd ben. Ze hebben zich aangepast aan de lokale omstandigheden en kunnen ook zonder imker overleven.’ Een week nadat Sap de zwerm van de schoorsteen naar zijn kast heeft verplaatst, is het tijd om te kijken hoe het volk zich heeft ontwikkeld. Als hij de kast opent, tilt hij heel rustig een houten raampje met zijn blote handen uit de kast. De helft van het raam is met raat volgebouwd. Ze kunnen op een goedkeurend knikje rekenen.

‘Waah een bij!’ Het vragenrondje wordt alweer onderbroken. Op gezoem volgt gegil. Een groep van acht kinderen is te gast op een schooltuin in Amsterdam-Noord. Achter in de tuin zijn ze in een halve cirkel rondom Ko Veltman neergestreken. Veltman imkert al meer dan vijftig jaar en heeft acht bijenvolkjes op de schooltuin staan. Toen hij als insectenverzorger in Artis werkte, stonden zijn bijen op het nijlpaardenhuis van de dierentuin. Nu hij gepensioneerd is, is hij terug op de plek waar zijn fascinatie voor bijen begon. Als zestienjarige liep hij mee met de toenmalige imker van de schooltuin. Het bleek het begin van een levenslange interesse.

Alle schooltuinen in de stad werken met imkers, maar niet alle imkers werken ook met de leerlingen. Veltman doet dat wel en met zichtbaar plezier beantwoordt hij alle vragen. ‘Willen jullie wat honing proeven?’ vraagt hij, terwijl hij met een volle honingraat langs gaat. Er blijven flinke vingerafdrukken achter als stille getuigen dat het lekker smaakte. Om te zien hoe die honing gemaakt wordt hijsen de kinderen zich even later een voor een in een imkerpak. ‘We zijn allemaal astronautjes’, klinkt het. De spanning stijgt, want als alle kleren goed zitten kunnen ze het ‘bijenschuurtje’ in.

Binnen staat een observatiekast waarin de kinderen de bijen aan het werk kunnen zien. Ze drukken hun neus tegen de glasplaat en slaan het ogenschijnlijk chaotische geheel erachter gebiologeerd gade. ‘Is dat stuifmeel?’ roept een meisje als ze een bij met gele klonten op haar pootjes door een glazen buisje richting de kast ziet lopen. Veltman knikt bevestigend. Hij wil de stadskinderen bewust maken van de wonderen van de natuur om hen heen. En niet alleen van bijen – die zijn onderdeel van een groter geheel. Buiten staat een houten stellage gevuld met takken, dennenappels en stukken boomstam met gaatjes erin. In de wand huizen wilde bijen maar ook lieveheersbeestjes en andere insecten. Hoewel niet alle insecten zich laten zien, kan de muur op bijzondere interesse van de kinderen rekenen.

Terug in de kring gaan de pakken weer uit en heeft de angst gestoken te worden plaatsgemaakt voor nieuwsgierigheid. Bij het afsluitende vragenrondje gaan alle vingers de lucht in. Nadat Veltman de laatste vragen over de koningin en haar werksters heeft beantwoord, trekt een meisje de stoute schoenen aan: ‘Mogen we nog een beetje honing?’ ‘Dat moeten die bijen straks allemaal weer terugbouwen hoor’, zegt Veltman met een knipoog, voordat hij het raampje nog een keer rond laat gaan. Een van de jongens is zo enthousiast dat hij zelf imker wil worden. Hij moet nog even wachten. Als hij zestien is, kan hij zijn imkerdiploma halen.

Veltman informeert niet alleen scholieren over de natuur om hen heen, hij leidt ook imkers op. Dat doet hij in het Nieuwe Bijenpark in de Tuinen van West, een groengebied aan de rand van Amsterdam. Hier is Veltman docent en tevens voorzitter van de Amsterdamse Vereniging tot Bevordering van de Bijenteelt (avbb). Zijn cursisten brengt hij de basisbeginselen van het imkeren bij. Daarnaast drukt hij hen op het hart – als integraal onderdeel van de cursus – bewuster om zich heen te kijken. Elke week staat er weer een andere bloem in bloei waar de bijen op vliegen, en een belangrijke taak van imkers is ervoor te zorgen dat er voldoende voedsel voor bijen aanwezig is.

Hoewel het park en de omgeving een uitgebreid en divers aanbod aan drachtplanten kent, zorgt de concentratie van imkers en hun bijen ook voor onderlinge concurrentie. ‘Misschien hebben we op dit park wel te veel honingbijen’, oppert Veltman. Dat zou zomaar kunnen verklaren dat er de laatste tijd weinig hommels en andere wilde bijen gesignaleerd zijn. Zij vliegen minder ver dan honingbijen, die met hun grote aantallen veel agressiever naar voedsel zoeken. Alles hangt met elkaar samen, is de boodschap die Veltman de toekomstig imkers wil meegeven.

Als alles met elkaar samenhangt, is er ook een holistische benadering met alle betrokken actoren nodig om de insecten te redden. Dat is de logische conclusie die bioloog Koos Biesmeijer, wetenschappelijk directeur van het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis, trekt. Met tal van projecten werkt hij aan het herstel van de biodiversiteit en het weer op peil brengen van insectenpopulaties. Omdat insecten relatief korte levenscycli kennen, is dat volgens Biesmeijer met de juiste maatregelen best mogelijk. Onlangs werd met het uitgebreide project Nederland Zoemt een stapje in de goede richting gezet: ‘We hebben toen voor het eerst een nationale bijentelling uitgezet, er komt een cursus op mbo-groenscholen over beter beheer van bijen en biodiversiteit en zestig gemeentes hebben toegezegd bijvriendelijke gemeentes te worden.’

Maar het grote project waar Biesmeijer namens Naturalis momenteel aan werkt is het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Achttien organisaties – onder meer uit de land- en tuinbouw, retail, agro-industrie en natuur- en milieubeweging – gaan samen op zoek naar systematische maatregelen om de biodiversiteit in Nederland te herstellen. In het najaar bieden ze het plan aan minister Carola Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan. Biesmeijer beseft dat het niet eenvoudig zal zijn, maar het gevoel dat zoveel organisaties uit verschillende hoeken de urgentie voelen om bij elkaar te komen, stemt hem positief. ‘We weten best hoe het anders moet. Als het nu niet gebeurt, lukt het nooit.’