Willen weten waarom je leest

THUISLOOS HART

Als ik aan het voltooien van het werk denk, als ik aan het voltooide werk

denk, dan overvalt een groot verdriet me, een verdriet dat paradoxaal

genoeg lijkt op vreugde. Nadat de omstandigheden van het doen zijn

opgegeven, trekt het voldongen zijn in, als een huurder in een gehuurd

huis. Waar ben je nu, thuisloos hart? Vast in een scharnier, of verborgen

achter gipsplaten, zoals jouw naamloze voorgangers nu ze namen

hebben gekregen? Beter om niet stil te blijven staan bij onze situatie,

maar je er in ophouden is zeer verfrissend. Zoals een dientafeltje beladen

met decanteerflessen en fruit. Zoals een doosvlieger zich verhoudt tot

een vlieger. De binnenkant van struikelen. De manier om te ademen. De

karikatuur op het schoolbord.


John Asbery, Ergens in Amerika, € 15,-

De Amerikaanse dichter John Ashbery (1927) heeft eens opgemerkt dat een dichter eropuit moet zijn een gedicht voort te brengen waar een criticus niets over zou kunnen zeggen. Een begrijpelijk maar utopisch idee. Begrijpelijk omdat je het gedicht of het kunstwerk zijn eigen werk wilt laten doen. Utopisch omdat er niets kan bestaan wat niet benoemd en besproken kan worden. Zelfs of misschien juist het meest zuiver abstracte schilderij is, om in zijn waarde te kunnen worden gezien (én gemaakt!), afhankelijk van taal.

Dat weet Ashbery uiteraard ook. En hij is inmiddels onder de levende dichters degene over wiens werk het meest wordt geschreven, juist omdat het de besprekers van dat werk zoveel gelegenheid biedt om over de betekenis ervan, zowel in de engste als ruimste zin, te speculeren en het zodoende met speculaties van anderen oneens te zijn. Zo heeft men het erover dat Ashbery voortdurend probeert het ontstaan van een ‘kern’ in zijn gedichten te voorkomen. Of men heeft het over een ‘leeservaring’ die exclusief binnen ‘de leestijd’ ontstaat, waardoor je daarbuiten eigenlijk niet weet wat je las. De nieuwste tendens is het, zo meen ik begrepen te hebben, om de versregels en beelden in zijn gedichten te linken aan de juist zeer persoonlijke en accidentele omstandigheden waarin ze tot stand kwamen: een interrumperend telefoongesprek, een blik uit het raam of op een krant moet zo een radicale semantische of stilistische knik of breuk opleveren.

Moeilijk gaat het Ashbery in elk geval niet af, hij moet zich zelfs inhouden om niet elke dag een gedicht te produceren. De methode of methodes die hij daar vermoedelijk voor gebruikt zouden, toegepast door anderen, al gauw tot niet veel meer leiden dan voor lezers oninteressante exercities in willekeur om wille van de willekeur, onbegrijpelijkheid om wille van de onbegrijpelijkheid. Na een of twee van zulke teksten weet je het dan wel. Maar geldt voor het gebruik van traditionele dichtvormen (waar Ashbery zich niet aan ‘bezondigt’) niet hetzelfde, namelijk dat de meeste sonnettenschrijvers iets afleveren wat oninteressant is omdat het niets anders doet dan vormvast en inhoudelijk begrijpelijk zijn?

Ik heb weinig of geen voeling met noch begrip voor de premissen die kennelijk aan Ashbery’s poëzie ten grondslag liggen, zoals, misschien, dat de taal en daarmee de wereld voortdurend in beweging en verandering zijn, en dat het derhalve een illusie is te menen dat je er uitgerekend in die taal iets van zou kunnen vasthouden – oké tot hier – en je dus juist dat niet stollende bewegen zou moeten laten zien (om dat er dus weer aan toe te voegen). Een puinhoop laten zien doe je niet door er een kleinere deelpuinhoop in te maken, sneeuw niet door een blad blanco te laten. Leven doe je liefst in een degelijk, vormvast huis, om er goed in te kunnen blijven beseffen hoe wankel en vergankelijk het eigenlijk om en in je is. In feite is de sonnetvorm net zo willekeurig, in elk geval net zozeer bedenksel als het non-stramien van Ashbery-gedichten.

De bundel Ergens in Amerika, een bescheiden keuze uit Ashbery’s poëzie vanaf 2000, met de bonafide vertaling door Ton van ’t Hof naast elk Amerikaans gedicht, biedt in het Nederlandse taalgebied eindelijk weer eens de mogelijkheid om te ontdekken waarom Ashbery niet alleen op grond van welke poëtica of non-poëtica dan ook een boeiende dichter is. ‘Ashbery bouwt ruïnes’, las ik eens ergens. Afgezien van het feit dat zo’n bezigheid moeilijk anders dan tot nep en kitsch kan leiden, komt hij volgens mij juist handen en zintuigen te kort voor iets geheel anders. De poëzie van Ashbery is doortrokken van een melancholie die voelbaar wordt in zijn vaak prosodisch lyrische, zelfs elegische toon, maar eveneens in zijn ‘figuratie’. In zekere zin is Ashbery een romanticus die het liefst niets zou willen verliezen en vooral niets veronachtzaamd zou willen laten, maar die tegelijkertijd de vergeefsheid van dat verlangen beseft.

Dit is allerminst deconstructiepoëzie. Er is niets ruïne-achtigs aan. Elk gedicht van hem is in die zin een proces van niet te kort willen schieten, want noodgedwongen te kort moeten doen. Alsof je de rozen staat te bewonderen en daarbij opeens beseft zodoende de seringen te verwaarlozen en daardoor weer vergeet de buurman te groeten. Zo las ik het althans allereerst bij het prozagedicht met de romantische titel Thuisloos hart. ‘Dit nog, ook dit’, lijkt het te willen zeggen, en zo wordt ook ‘de karikatuur op het schoolbord’ nog aan boord gehesen. Een poëzie van er zo veel mogelijk bij willen halen, bijna uit schuldgevoel van een gulle gastheer; die zou het liefst alles aan zijn hart willen drukken. Geen wonder dat Ashbery zo’n grote productie heeft, moet blijven hebben!

Ach, wie weet heb ik het helemaal bij het verkeerde eind, maar toen ik de andere gedichten vanuit deze optiek bekeek, meende ik in elk geval weer iets meer te weten wat ik las, in elk geval waarom ik las.

John Ashbery

Ergens in Amerika

Vertaald door Ton van ’t Hof, met een nawoord van Jan Baeke. Azul Press, 72 blz., € 15,-