De Zusters van Liefde

Willetje breken

Dagelijks berichten de media over kindermisbruik door mannelijke religieuzen. Nonnen konden er ook wat van.

‘Ik heb diep respect voor de zusters, die dag en nacht voor de patiënten in de weer waren. Ze wisselden hun werk af met bidden en vasten, dat was hun leven. Ze waren volledig bereid om zich voor de ander in te zetten. Hun aanwezigheid zorgde voor continuïteit en bepaalde de sfeer van het ziekenhuis. Met hun voortdurende bezieling en doorzettingsvermogen hebben ze het ziekenhuis door de jaren heen in stand gehouden en tot bloei gebracht’, aldus Anton Elias Victor Hillebrand, emeritus arts en voormalig directeur van het Sint Willibrord Ziekenhuis in het Zuid-Limburgse Tegelen.
Hillebrand roemt de niet-aflatende zegenrijke werkzaamheden van de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid. 'Een van de zeer groten onder hen liep ook nog ’s avonds laat, hier wat bijschikkend, daar wat troostend als een moderne Florence Nightingale over de verpleegafdeling om de patiënten verlichting te brengen.’
Ik barstte spontaan in lachen uit toen ik het las. Ik dacht meteen aan de eerwaarde Zusters van Liefde, een andere kloosterorde, die in de jaren vijftig en zestig de scepter over de kinderafdeling in het RK Binnenziekenhuis in Eindhoven zwaaiden. Ook zij liepen ’s avonds laat over de verpleegafdelingen. Niet met een lantaarn zoals de lieftallige Nightingale.
Dag in, dag uit valt er in de media allerlei treurigs te beleven over mannelijke religieuzen. Ze hielden hun broek of (destijds) soutane niet dicht, of lieten de kinderen tot zich komen, alleen niet op de manier waarop Jezus dat bedoelde. Een nieuw begrip, pedopapisme, heeft inmiddels zijn intrede gedaan.
De meest gehoorde verklaring is dat het niet werkt, het celibaat. Voor mannen dan. Ik geloof daar niks van. Er zijn veel meer oorzaken die tot misbruik leiden. Vrouwelijke religieuzen konden er bovendien ook wat van. Alleen horen we daar (vooralsnog) nauwelijks iets over. Inmiddels bejaarde vrouwen die wel degelijk onder hen geleden hebben, praten daar zelden over. Als ze dat al doen is het heel beknopt: 'Nonnen! O, schei uit! Krengen waren het, tangen, duivels, sadisten! Ik wil er niet meer aan denken.’ Het gaat hier over ongehuwde moeders, destijds 'gevallen vrouwen’, kostschoolleerlingen met te veel neigingen tot wereldse lust, vertier en vermaak. Een gevallen vrouw was destijds wel het laagste van het laagste. Op hen konden de religieuzen hun neiging tot straffen, afknijpen en aanverwante pedagogische snoeimethoden naar hartenlust botvieren.

Mij bezorgen nonnen, ook al zijn mijn ervaringen ondertussen een kleine halve eeuw oud, nog koude rillingen. Ik 'woonde’ vier jaar ongeveer permanent in het RK Binnenziekenhuis. Ook zieke kinderen vormden een belangrijk doelwit voor religieuze snoeipraktijken. Via de site Eindhoven in beeld stuitte ik op verhalen van andere patiëntjes die destijds in dat ziekenhuis verbleven. Schokkend, maar ook een verademing: ik zag mijn eigen herinneringen weerspiegeld. Dat gaf rust, de meeste mensen, zoals destijds mijn ouders, geloofden me niet.
'Wonen’ op de kinderafdeling van het RK Binnenziekenhuis betekende bijvoorbeeld: met bed en al in de isoleercel gezet worden na een klein 'vergrijp’, spaarzaam broodbeleg dat zusters regelmatig zelf in hun mond stopten en je broertjes en zusjes een jaar niet zien als je lang moest liggen.
Rini Talens, die in 1956 zes maanden in het ziekenhuis doorbracht: 'Ik was altijd bang en onzeker. Ik schikte me in mijn eenzaam lot, alleen, diep hopend dat ooit iemand mij wel lief zou vinden. Op de kinderafdeling heerste een helse doctrine. Je moest vlug je eten opeten, dan snel uit bed springen om in de plasrij aan te sluiten en na het plassen weer rap je bed in om te slapen, want het licht ging uit. Was je te laat, moest je later alsnog plassen, of erger, had je het in je bed gedaan… Dan kreeg je problemen! Ik was zes en had een zware longoperatie ondergaan, maar mocht weer op zaal liggen. Ik schrokte mijn eten naar binnen, sprong misselijk uit bed voor de plasrij en braakte onderweg de vloer onder. Voor straf nam het kreng al mijn speelgoed af, ook de ballonnetjes die ik van dokter Van Engelen gekregen had om mijn longen te oefenen. Toen die dokter daar achter kwam brak de hel los. Ook voor mij, ik werd met bed en al twee dagen in de isoleercel gezet.
Tijdens het bezoekuur maakten de zusters voortdurend rondes om toe te zien of alles ordelijk verliep. Broertjes en zusjes jonger dan achttien mochten nooit meekomen omdat er een pathologische smetvrees heerste. Alle fruit en snoep die het bezoek meebracht werd na het bezoek meteen ingenomen.’
Rond twee uur ’s middags was het bezoektijd voor de moeders en andere volwassenen. De vaders konden twee keer per week ’s avonds komen. Veel kinderen lagen er maanden, soms langer dan een jaar. Het ziekenhuis kende twee uitstekende artsen: longarts Van Engelen en de Italiaanse orthopedisch chirurg San Giorgi. Kinderen met gecompliceerde aandoeningen werden vanwege die twee grootheden juist naar het Binnenziekenhuis verwezen.
En er waren de avondrondes. Een 'gewone’, soms ook uitgevoerd door een lekenzuster, om te zien of iedereen de handjes wel boven de dekens had. Je zou ze eens op je buik leggen, of, erger nog, in je broekje stoppen. Eén keer een nacht met vastgebonden handen slapen maakte dat ik ze nooit meer onder de dekens verstopte. De eerwaarde deed later op de avond nog een speciale avondronde, noem het een soort nazorg, voor kinderen die dat vanwege ongehoorzaamheid overdag verdiend hadden.
Ik hoorde tot de nazorgkinderen. Jarenlang kon ik - vanwege een gebroken rug plat in bed liggend - niet eten. Dat vroeg om ingrijpen. Joannetty kwam dikwijls al vroeg in de morgen langs om te controleren of ik mijn enorme beker klonterige bloempap met een vel van centimeters dik op had. Alleen al bij het zien van zuivelproducten moest ik braken. Die enorme stalen beker pap was het enige en verplichte kinderontbijt. Als de beker niet leeg was ging de eerwaarde vol vuur aan de slag om de pap alsnog 'binnen te krijgen’, zoals ze dat noemde. Bij elke hap die ik niet meteen inslikte kneep ze mijn neus hardhandig dicht. Dan kwam een tweede hap. Braakte ik die uit, dan schepte ze het braaksel van mijn servet op de lepel en duwde die met geweld in mijn mond. 'Willetje breken, we zullen je willetje breken’, siste ze. Het middagmaal bestond uit gemalen en gestoomd voedsel: aardappels met iets groenteachtigs en ondefinieerbaar vlees. Ook dat middagmaal lukte meestal niet, ik wist wat me te wachten stond die avond.
Twee jaar lang, zo'n drie keer per week, kwam ze voor de tweede ronde op 'avondbezoek’. Controleren, noemde ze dat. Ik hoorde haar zwarte herenmolières met krakende zolen van verre aankomen. In het donker sloop ze met een zaklantaarn stilletjes de slaapzaal binnen. Pas als ze bij mijn bed kwam knipte ze die aan. De gordijnen rond mijn bedje had ze intussen zorgvuldig dichtgedaan. Eerst haalde ze een rolletje verband en een schaar te voorschijn. Maakte het begin van het rolletje aan de bedspijltjes vast, rolde het verband zo ver uit tot het tot aan mijn pols reikte, knipte het verband door en bond het 'nieuwe uiteinde’ aan mijn polsen.
De eerwaarde bukte en stak haar benige, spitse neus en waskleurige vingers in de buurt van mijn kindergenitaliën. Het waarom is me tot op de dag van vandaag onduidelijk. Pijnlijk was het niet, angstig wel vanwege haar kille, intimiderende blik. Dat ik, zoals ze zei, hierover moest zwijgen maakte het ritueel des te angstiger. Ik vertelde niets aan mijn ouders. Dat ik elke dag braakte wist mijn moeder. Het middagmaal braakte ik vrijwel helemaal uit in een zakdoekje. Ik deed dat met braaksel en al stiekem in plastic zakjes, verstopte ze achter in mijn nachtkastje en gaf ze mijn moeder na het bezoekuur mee. Nooit vergat ik te vragen of ze de volgende dag alstublieft nieuwe zakjes mee wou brengen.

Anton van Kemenade moest vanwege een ernstige beenmergontsteking een aantal forse operaties ondergaan en lag, net als ik, maandenlang van top tot teen in een gipsbroek. 'De verzorging was altijd ruw en hardhandig. Ze deden me expres pijn, riepen dat ik me niet moest aanstellen. Maar het ergste waren de intimidaties. “Je vertelt het niet aan je moeder”, na een uitvoerige wasbeurt waarbij mijn piemeltje stijf moest worden. Afschuwelijk was ook dat na vermeend “slecht” gedrag het bezoek gewoon terug naar huis gestuurd werd.’
Ouders, vooral moeders, lieten het gebeuren, iets wat je je tegenwoordig nauwelijks nog kunt voorstellen. Ze wisten het niet en ze wisten het ook wél. Toen Van Kemenade de moed had tegen zijn moeder te klagen, sprak die er de betreffende zuster op aan. Ze ontkende alles. Anton was niet eerlijk geweest volgens zijn moeder, hij moest correct zijn tegen de zusters. Dat voorval heeft later bijgedragen tot een vertrouwensbreuk tussen moeder en zoon.
Ook mijn moeder hield zich muisstil. Na het bezoekuur trof ze bij de bushalte moeders van andere patiëntjes. 'Alle kinderen zijn schreeuwend bang van dat kreng’, vertrouwde ze me tijdens het bezoekuur toe. 'Sommigen kunnen haar de kap wel van de kop trekken.’ Daar bleef het bij. De vader van Rini Talens kwam in actie. Toen Rini twee dagen in de isoleercel lag, werd er ’s avonds op het raam van de cel getikt. Zijn vader stond voor het raam te zwaaien, deed het open en stapte het kamertje binnen. 'Trek aan, we hebben het hier wel gezien’, zei hij, de meegenomen kleren op bed leggend. Een non die op het lawaai afkwam werd, onder luid protest, ruw de gang op geduwd. 'Hup d'r uit met jouw soort’, zei vader. Talens: 'Mijn moeder, in een nonnenklooster opgevoed, reageerde gelaten. Zo van “alles gaat voorbij”. Mijn vader had geen geloof, hij stelde grenzen.’
Een eensluidend antwoord op het zwijgen en wegkijken van de ouders is er niet. Volgens Talens konden ouders niet veel anders. Naar de plaatselijke krant stappen of het politiek (kvp) aanhangig maken was een brug te ver voor de gezagsgetrouwe gelovigen, die vooral niet uit de toon wilden vallen. Alle betrokkenen, de ziekenhuisleiding, medici en ander personeel hielden de machtsverhoudingen in de gesloten gemeenschap in stand.

Maar er is meer. De opvoeding en 'training’ van religieuzen uit die tijd zou wel eens een grote rol kunnen spelen bij hun vaak bizarre gedrag. Om een volwaardige bruid van God te worden moesten religieuzen in opleiding leren afzien van veel wat menselijk is. De eerwaarden van het Binnenziekenhuis hebben waarschijnlijk nauwelijks onderwijs genoten. Naaien, de vleesmachine leren bedienen en huishoudelijke bezigheden goed onder de knie leren krijgen waren de eerste vormende stappen op de weg naar Jezus Christus, las ik in een oud leerboek. Vooral belangrijk was: 'Een juiste levenshouding ontwikkelen op basis van orde, rust, regelmaat, zelfbeheersing, zelfdiscipline, rekening houden met een ander, het gezag volgen, kritiek leren accepteren en dit alles dagelijks in praktijk brengen. Zodat het “inslijpt en beklijft” totdat men voldoet aan het beeld dat binnen de congregatie leeft van een échte Zuster van Liefde.’
De inleidende regel in een ongedateerd schriftje, getiteld 'Wellevendheid’, toegespitst op het gedrag in de refter tijdens de diverse maaltijden luidt: 'Aan tafel vooral toont zich de verstorven en beschaafde religieuze.’ Vooral het begrip 'verstorvene’, het aardse in zich gedood hebbend, fascineert me. Aan tafel kan een verstorvene zich misschien nog vertonen. Maar ik kan me niet voorstellen dat 'iemand die haar menselijkheid heeft afgelegd’ ook maar iets positiefs kan bijdragen aan de opvoeding, verzorging en verpleging van jonge zieke kinderen.
Het aantal Zusters van Liefde slinkt. Tegenwoordig is de congregatie vooral 'actief in het Mensenrechtenveld’, voornamelijk in Brazilië en op de Filippijnen. Nederland is de congregatie van Zusters van Liefde van Onze Lieve Moeder van Barmhartigheid niet vergeten. In het centrum van Tilburg, waar de congregatie in 1832 werd gesticht, staan sinds 24 september 2009, de jaarlijkse dag van de Barmhartigheid, drie zwarte levensgrote nonnen in staal. In plaats van gezichten hebben ze lcd-projectieschermen waarop beelden van zusters tijdens hun werk in de zorg, het onderwijs en de missie te zien zijn. Staal en gezichtloos! Ze hadden het niet beter kunnen treffen.