William en de Schrift

Als ik een probleem heb met religie en ik kom bijvoorbeeld aanzetten met Shakespeare’s Measure for Measure waarin de bard over de dood en het hiernamaals zegt: ‘Ay, but to die, and go we know not where; To lie in cold obstruction, and to rot’, (een citaat dat Martin van Amerongen zaliger altijd hardop declameerde als we langs een knekelveld liepen), dan zal niemand daar aanstoot aan nemen.

Maar als ik datzelfde citaat zou nemen als verkoper van bedden – stel dat dit citaat de verkoop zou bevorderen – dan zou men menen dat het werk van William verkracht werd of op z’n minst misbruikt.

Ik vind dat altijd flauw, maar begrijpelijk. Er is blijkbaar een hiërarchie van importantie van onderwerp die doet denken aan vermaningen in een receptenboek. Je gaat niet in een verrukkelijke zuurkool zuurtjes van Jamin steken. Maar een soepje bijbelkritiek mag je daarentegen best laten trekken met een bot van shakespeareaanse poëzie. Natuurlijk: elke tekst mag je formeel voor alles wat je wil gebruiken. Maar ook daarin moet je je gedragen als een kundige kok. Men gooie niet het zout van de domheid bij het bitter van het eigen ongelijk.

Shakespeare zelf is overigens uitermate vaag gebleven over zijn eigen religiositeit.

Het is aardig om in zijn werk te duiken als het gaat over religie want hij leefde in een tijd waarin anglicanen en katholieken nogal tegen elkaar tekeergingen. Er heerste een gewelddadige godsdiensttwist. Er wordt op internet nogal wat gespeculeerd over Shakespeare’s geloof. In zijn werk, en dat is wel aardig, kun je vele opvattingen tegenkomen: katholiek en protestant. Menige regel lijkt door William geschreven volgens het motto: uw wens is onze kwaliteit. Het maakt Shakespeare wel zo sympathiek. Je voelt de nood van de freelancer om centjes te verdienen en om die reden zijn eigen opvattingen soms achter het gordijn of tussen de coulissen te zetten, onzichtbaar voor de opdrachtgever.

Met de bijbel en de koran is het toch anders. Die bevatten geen Shakespeare-teksten.

Ik vraag me wel eens af of dat is omdat we de auteur niet kennen.

Bij Shakespeare begrijpt iedereen onmiddellijk dat je hem niet letterlijk moet nemen. Bij de bijbel blijft dat maar de vraag.

Anders gezegd: een Shakespeare-fundamentalist zul je niet gauw tegenkomen. We kunnen constateren dat Macbeth waandenkbeelden heeft, maar toch voelen we meteen aan dat Shakespeare iets wil met die waandenkbeelden. Het zijn geen echte hallucinaties. Ze staan in dienst van het narratief. Als Macbeth echt gestoord zou zijn, zou hij totaal andere hallucinaties hebben gehad, vermoedelijk.

Als atheïst heb ik het altijd moeilijk met de bijbel. Is dat nou waar wat er staat of niet? Ik ben bereid beide posities in te nemen en dan te oordelen over de tekst. Maar die posities zijn, als het gaat over kwesties van moraal, meedogenloos of onbruikbaar. Wilde God nou dat Abraham zijn zoon zou offeren, of wilde Hij juist laten zien dat Hij kan vergeven? Was de auteur ­Shakespeare geweest, dan wist ik meteen hoe dit verhaal zou zijn bedoeld. Maar de Schrift is een auteurloos boek waaraan een groot gedeelte van de bevolking zijn moraal toetst. De vraag echt of onecht doet er dan toe.

Gods gebod is voor een ongelovige een literair gebod. De tien geboden: een gedicht. Maar esthetiek is sterk gescheiden van ethiek. Er bestaat niet zoiets als rechtvaardige Zonnebloemen van Van Gogh en onrechtvaardige Zonnebloemen van Van Gogh.

Als de bijbel puur esthetisch is, en dus literair, dan mag ik ermee doen wat ik wil.

Net als met de Donald Duck.

Shakespeare wint het bij mij altijd van het woord van God – en de Donald Duck.

Een goede redacteur had over de bijbel moeten zeggen: ‘Haal God eruit, en het wordt beter.’