Vader en zoon

William en ik

Als je een goede vader wil zijn, doe je wat een goede moeder ook doet: je aandeel leveren in de beheersing van een eindeloze stroom gekeutel en gezeik. ‘De dagelijkse arbeid die je in de opvoeding van je kinderen stopt, is een soort intimiteit, eentonig en onzichtbaar als de moederzorg zelf.’

Het handige aan vader zijn is dat historisch gezien de lat zo bedroevend laag ligt. Een paar jaar geleden ging ik op een dag met mijn jongste zoon naar de supermarkt om de hoek van ons huis in Berkeley, een stad waar de meeste vaders het naar mijn inschatting niet eens zo slecht doen, hoewel sommige vaders erom bekendstaan dat ze het lichtelijk overdrijven. Ik hield mijn twintig maanden oude zoon in mijn ene arm en zette met de andere de inhoud van het winkelwagentje op de lopende band van de kassa. Ik weet niet waar ik op dat moment aan stond te denken, maar dat kan net zo goed de originele, uit 1979 stammende jingle voor Honey Nut Cheerios zijn geweest als helemaal niets of bijvoorbeeld alle aandacht die mijn zoon van me vergde, of het onuitsprekelijke wonder dat hij was. Ik begreep niet precies waarom de vrouw in de rij achter ons - toen ik haar eenmaal in de gaten kreeg - zo stralend in onze richting bleef kijken. Ze had een regenboogkleurige legging aan en volgens mij was ze misschien wel een beetje gek en daarom dol op iedereen.
‘Je bent een heel goede vader’, zei ze ten slotte. 'Dat is me wel duidelijk.’
Ik keek naar mijn zoon. Hij zat te kauwen op het papieren bovenlaagje van een metalen sluitstrip. Dat hield ongetwijfeld het risico van verstikking in, en het metaaldraad had door zijn lip of tong kunnen gaan. Zijn kapsel neigde naar het karikaturale uiterste van het continuüm Woodstock-Einstein. Zijn gezicht was waarschijnlijk een tikkeltje aan de smoezelige kant. Smerig zelfs. Je zou haast in de verleiding komen het woord 'aangekoekt’ te bezigen.
'O, dat is mijn kind niet’, zei ik tegen haar. 'Ik heb hem ergens achterin gevonden.’
Nee - ik bedankte haar. Ik ging ervandoor met mijn kind onder de ene arm en een tas boodschappen in de andere, en toen we thuiskwamen, zette ik een plastic bakje met Honey Nut Cheerios voor zijn neus en las mijn mailtjes. Ik was echt een goede vader.
Ik weet niet wat een vrouw moet doen om een volmaakte vreemde zo ver te krijgen om haar in een levensmiddelenzaak ervan op de hoogte te stellen dat ze echt een goede moeder is. Misschien moet ze met een Bic-balpen een noodtracheotomie op haar oudste kind uitvoeren terwijl ze intussen haar baby de borst geeft en ook nog voor twee weken een voorraad gezonde maar appetijtelijke tussendoortjes inslaat voor alle medespelers in de Lion King Junior. In een supermarkt is geen enkele moeder goed of slecht: ze is gewoon een moeder die boodschappen doet voor haar gezin. Als ze een kinderneusje snuit of betraande kinderwangen afveegt, als ze haar kind stevig tegen zich aan drukt, ingaat op onzinnige kindereisen of de biologische, niet genetisch gemodificeerde volkorenversie van Honey Nut Cheerios voor haar kind koopt, voegt dat geen bruikbare gegevens toe voor ons oordeel over haar. Dergelijke handelingen zijn statistisch gezien van geen waarde. Goed moederschap laat zich niet afmeten aan een los ogenblik, aan een één uur durende massage van een winderig babybuikje, aan het vlechten van een verklitte massa ochtendhaar. Goed moederschap is iets van de lange termijn, een levenslang gedragspatroon dat op het moment zelf grotendeels onopgemerkt blijft, het vaakst door de moeder zelf. We beoordelen moeders niet aan de hand van vluchtige indrukken, maar aan de hand van beelden die jarenlang moeizaam zijn vergaard via de rondcirkelende satelliet van het geheugen. Zo eens per jaar en op bepaalde fatale jaardagen, op onze bruiloft of haar begrafenis, vergelijken we dan misschien alle beschikbare gegevens, maken een analyse en spreken ons onomstotelijke oordeel uit: goede moeder.
In de tussenliggende perioden - vraag maar aan mijn vrouw - zijn alle moeders (naar eigen opvatting) slecht. Het tegenstrijdige of een van de tegenstrijdigheden aan de lage maatstaven die voor vaders worden aangehouden (met als bijkomstigheid dat er een minimale inspanning is vereist om boven de norm uit te stijgen en de titel 'goede vader’ te verwerven) is namelijk dat de doorsnee huis-tuin-en-keukenmoeder, die zich niet alleen inspant voor haar eigen aandeel in het opvoedingsavontuur (en niet te vergeten voor haar baan buitenshuis), maar ook heel vaak gebukt gaat onder de lakse aanpak van vaderszijde, naar mijn ervaring geneigd is haar loopbaan te zien als een waarin ze eeuwig tekortschiet en alleen maar aan zichzelf kan twijfelen. Dat komt deels doordat moeders zich instellen op het spookbeeld van de rampen waardoor hun kinderen worden belaagd, iets wat de meeste vaders slecht afgaat. Vaders worden algemeen geacht te dienen als beschermer van hun kinderen, maar eigenlijk ontbreekt het mannen aan het vermogen om gevaar te herkennen, tenzij in het smalste spectrum van het frequentiebereik. Het zijn juist vrouwen - moeders - die met hun bezorgdheidsorganen de enorme onzichtbare gevarenstroom kunnen detecteren waar hun kinderen dagelijks verplicht zijn doorheen te waden. De vader die er tijdens een kampeervakantie in slaagt een ratelslang dood te slaan met een blikje runderragout in een lange streepjeskous, kan nog decennia op de resulterende lauweren rusten en desondanks elke nacht vredig naast zijn slapeloze vrouw liggen snurken, hoewel hij heel goed weet dat het Polly Pocket-speelgoed bewerkt kan zijn met loodhoudende verf en dat de drogist geen zwangerschapstesten meer had, en dat er maar beter eentje online kan worden besteld, morgen te bezorgen, ook al is het vier uur in de ochtend. Het is ten dele het kolossale open einde van het karwei, met zijn oneindig aantal oneindig kleine onderdeeltjes, dat er stelselmatig toe leidt dat moeders zichzelf te kort vinden schieten, waardoor het een heel lastige opgave wordt op elk willekeurig moment hun goede kwaliteiten te herkennen.
Ik weet dat er in dit opzicht met twee maten wordt gemeten; als ik eerlijk ben, moet ik eigenlijk toegeven dat ik daar op mijn slechtste momenten dankbaar voor ben, voor de vlotte lof die mensen - móeders, nota bene - bereid zijn me toe te wuiven voor dat heel kleine beetje wat ik doe. Het is alsof je een parkeerplaats op rijdt met een stuiver in je broekzak en merkt dat iemand anders een uur aan kwartjes voor je in de meter heeft achtergelaten.
Dat er met twee maten wordt gemeten, gebeurt al heel lang, hoewel er de afgelopen decennia een stuk of wat punten - die doorgaans verband houden met koken en babyverzorging - zijn toegevoegd aan de lijst van minimale eisen die aan een goede vader worden gesteld. Mijn vader, net zoals ongeveer alle andere mannen van zijn tijd, klasse, en culturele achtergrond, koos bij vlagen voor een bepaalde mate aan geestdriftig gevader door van tijd tot tijd een nieuwe activiteit of nieuw project te lanceren, zich als een aanmatigende supermacht te storten op een programma van ouderlijke volksontwikkeling in het afgelegen land van zijn kinderen, voordat zijn belangstelling uitdoofde of zijn emotionele kapitaal opraakte en hij ons weer aan het regime van onze moeder overliet, een klassiek, alles doordringend gedragspatroon, een bron van aandacht, toezicht en structuur die zo betrouwbaar was dat hij onzichtbaar werd, net als de lucht. Mijn vader leerde me waardering op te brengen voor de dingen die hij waardeerde, de spot te drijven met de dingen die hij lachwekkend vond en geen geloof te hechten aan de dingen die hij dubieus vond. Toen ik een kleine jongen was, handelbaar en beleefd en onnatuurlijk volwassen, met mijn grote zwarte bril en zorgvuldige woordkeus, nam hij me wel eens mee op huisbezoek en naar medische keuringen bij de mensen thuis, samen met zijn stethoscoop en reflexhamer. Wanneer hij het vader zijn weer voor een tijdje had gehad, liet hij me weer achter in mijn eigen hoekje van zijn bestaan, weggestopt in de zwarte tas van zijn genegenheid. Als hij ’s nachts thuiskwam van het ziekenhuis, liep hij wel eens mijn kamer in om zich voorover te buigen en met zijn schurende wang over mijn zachte wang te strijken.
Als de mevrouw in de regenboogkleurige maillot ons in 1966 op straat had zien lopen in Phoenix - ik zwaaiend met mijn plastic dokterstas vol snoepjespillen en naaldloze spuiten, proberend mijn pas af te stemmen op die van hem - had ze waarschijnlijk tegen hem gezegd dat hij ook een goede vader was. En dan had ze niet veel meer of minder gezegd dan ze tegen mij zei.
Mijn vader, geboren in 1938, zo'n jaar van zilvergrijze filmjournaals, behoorde tot de generatie Amerikanen die als twintiger en dertiger de begrippen intimiteit, oprechtheid en openlijke emotie met een zekere voorzichtige abruptheid benaderden, als mensen die gewend zijn aan een automaat en nu moeten leren hoe ze met een versnellingspook rijden. Ze wilden intimiteit, maar ze wisten niet zeker in hoeverre ze zich eraan konden overgeven. Mijn vader knuffelde of kuste me niet heel vaak. Ik kan me niet herinneren dat hij me na mijn derde of vierde nog bij mijn hand heeft vastgehouden. Toen ik wat ouder werd en belangstelling kreeg voor de kunst van het volwassen worden, bleek het heel moeilijk te zijn om andere, niet-fysieke vormen van intimiteit met hem te vinden. Hij hield er niet van te praten over wat hem dwarszat in zijn werk, zijn relaties of zijn leven, nam me zelden in vertrouwen, durfde nooit toe te geven aan de diepste intimiteit die er is, namelijk dat hij stomweg niet wist waar hij mee bezig was.
In 1974 zag ik een tekenfilm met muziek, genaamd De pop van William. Het was een onderdeel van een door Marlo Thomas geschreven eenmalig televisieprogramma voor kinderen, met een onvervalst jarenzeventigkarakter en de ongrammaticale titel Vrij om jij en ik te zijn. Dit op een boek van Charlotte Zolotow gebaseerde segment ging over een jongen die er bij zijn verbijsterde ouders om zeurt een babypop voor hem te kopen, een verzoek waar ze zich geen raad mee weten en waar Williams vader zelfs ronduit vijandig tegenover staat. William wordt om zijn wens bespot, uitgescholden en gepest en zijn ouders proberen hem met cadeautjes tot andere gedachten te brengen. Maar William houdt voet bij stuk en ten slotte moet zijn vader zwichten voor Williams wijze oma, die een pop voor hem koopt.
Zelfs als jongen van tien besefte ik de radicale aard van de modus van vader-zijn die me door De pop van William werd voorgehouden:

William wil een pop
Zodat hij weet voor later
Als hij zelf een baby heeft
Hoe hij aan moet kleden
Een dubbele luier omdoet
En hem zachtjes streelt
Om een boertje op te wekken
En voor zijn baby zorgt
Zoals elke goede vader dat zou moeten leren.

Ik werd gegrepen door de aanblik van de getekende William die door het dolle heen was, stond te swingen bij het zien van de babypop die hem door zijn grootmoeder in de wachtende armen werd gelegd. In dat liedje en die aanblik van William lag een belofte van een andere manier van vader zijn, een fysieke, stille, tedere en alledaagse manier, vrij van grootse plannen en voornemens, en de suggestie werd gewekt dat dit niet alleen een mogelijke of prijzenswaardige manier was, maar ook een lang gekoesterde wens. Er ontbrak iets aan het leven van William voordat zijn grootmoeder te hulp schoot en een pop voor hem kocht, en de stilzwijgende conclusie was dat er iets aan het leven van de vader van William ontbrak, en aan dat van mijn vader en alle andere mannen die niet met poppen mochten spelen. Elke keer dat ik naar het liedje op de langspeelplaat luisterde, voelde ik dat gebrek bij mezelf en bij mijn vader.
Mijn vader deed wat er van hem werd verwacht, maar zoals de meeste mannen uit die tijd deed hij afgezien van het spelen van de traditionele kostwinnersrol niet veel. Hij ging niet mee wanneer mijn haar geknipt moest worden of mijn gebit moest worden verzorgd, en ook regelde hij dat soort afspraken niet. Hij ging geen kleren voor me kopen. Hij maakte mijn ontbijt, middag- of avondeten niet. Dat deed mijn moeder allemaal, en op het moment dat ze die dingen deed was er nooit iemand die tegen haar zei dat ze daardoor een goede moeder was.
De kwestie is - en de vrouw in de regenboogkleurige maillot kan de pot op met haar compliment - dat er niets is waar ik meer mijn best voor doe dan een goede vader zijn, tenzij het is een goede echtgenoot zijn, wat ook al niet vanzelf gaat, maar meestal geen opmerkingen uitlokt wanneer ik in de supermarkt in de rij sta. Ik kook en maak schoon, doe de afwas, breng de kinderen naar hun afspraken et cetera. Ik heb menige dag beleefd met als terugkerend thema het braaksel en de ontlasting van mijn kroost en als enige verwikkeling de verwijdering en opruiming ervan. Ik heb hun Halloween-kostuums gemaakt en hun verjaardagstaarten gebakken en een tiental schalen kippenvleugeltjes met knoflook, een recept van mijn schoonmoeder, voor schooletentjes gemaakt omdat achternamen die met A-F begonnen de voorgerechten moesten meenemen. Met andere woorden, voor mijn definitie van een goede vader gebruik ik precies dezelfde termen waarmee we zouden moeten beschrijven wat een goede moeder is - mijn aandeel leveren in de aanpak en beheersing van de eindeloze stroom gekeutel en gezeik. En net als elke goede moeder, waar dan ook ter wereld, schiet ik elke dag te kort in mijn streven al dat werk af te krijgen, het zinvol te maken, om ondanks alle sleur vooruit te denken en vol te houden en echt te zien, echt aan te voelen wat mijn kinderen aan onheil kan belagen, met inbegrip van ratelslangen. Hoe zou ik niet te kort kunnen schieten wanneer ik op elk gewenst moment kan afnokken omdat ik weet dat mijn vrouw er nog altijd is om de tandartsafspraken te maken en ervoor te zorgen dat er een ingepakt, op de juiste leeftijd afgestemd cadeautje klaarligt voor het zwembadfeestje van aanstaande zaterdag. Ik hoef alleen maar mijn kind vast te houden in de rij voor de kassa - ik hoef alleen maar niet de benen te nemen - en de wereld zal me bewieroken en vriendelijk toelachen.
Eerlijk is anders, dat klopt. De waarheid is overigens dat ik niet uit feministische gelijkheidsprincipes een goede vader wil zijn. Ofschoon ik die beginselen hoog in het vaandel heb staan, zijn ze voor mij alleen de middelen tot een doel.
De dagelijkse arbeid die je in de opvoeding van je kinderen stopt, is een soort intimiteit, eentonig en onzichtbaar als de moederzorg zelf. Er is een andere vorm van intimiteit in de gesprekken die je met je kinderen kunt hebben wanneer ze wat ouder worden, gesprekken waarin je tekortkomingen opbiecht, angsten uit, vertelt over je perioden van creatieve strijd, spijt, frustratie. Er is intimiteit in je ruzies, je onderhandelingen en vaste grappen. Maar bovenal is er intimiteit in je contact met hun lichaam, met hun stront en pis, zweet en braaksel, met hun knobbelige knieschijven en mollige knuistjes, met de scheuren in hun onderbroeken wanneer je ze opvouwt, met hun haren tegen je lippen als je ze op hun kruin kust, met de botten van hun schouders en met de gruwel van hun ochtendadem wanneer ze de aloude kunst beoefenen van hun tanden vergeten te poetsen. Bof ik even dat me de luxe wordt toegestaan om de intimiteit te vinden die eigen is aan dit werk waar zoveel vrouwen mee worden opgescheept. Bof ik even.


Vertaling Rob van der Veer
Michael Chabon (1963) schreef onder meer de romans De wonderlijke avonturen van Kavalier & Clay, waarvoor hij de Pulitzer Prize kreeg, en De jiddische politiebond. Bovenstaand verhaal komt uit Handboek man, waarin Chabon zijn rol als zoon, echtgenoot en vader van vier jonge kinderen onderzoekt. Handboek man verschijnt volgende week bij Anthos (336 blz., € 19,95)