Een sprookje

Willie de kerstaap

HIJ WAS ROSSIG, met vochtige, lichtbruine ogen, sierlijke handen en veel zacht haar op zijn rug en zijn buik. Hij zat soms de hele dag in een fauteuil, at chocola en peinsde. Hij woonde bij een lieve mevrouw, mevrouw Kosta. Of ‘lieve mevrouw’, dat zei eigenlijk niets. Zo iemand kan heel hartelijk zijn, maar als je buren, familieleden of vrienden over haar hoort, dan denk je: hé, die lieve vrouw die me altijd zo vriendelijk op straat groet, blijkt thuis een bitch. Je denkt iemand te kennen, maar je kent alleen haar buitengezicht.
Hij was Willie gedoopt. Mevrouw Kosta scheen dat een passender naam voor een aap te vinden dan Niklas. Het bijzondere aan Willie was dat hij kon spreken. Hij zat vaak achter de computer en surfte dan, z'n sierlijke apenpoot om de muis heen geklemd, over het internet. Allerminst een domme aap dus.
Hij was vroeger niet zo rossig, maar hij had als mens wel al veel haar op zijn rug, en ook op de rug van zijn handen groeide stug haar. Doorlopende wenkbrauwen tekenden zijn gezicht en hij had een forse baardgroei.
Niklas was architect en werkte op een niet onaanzienlijk bureau. In zijn land van herkomst in het oosten van Europa was hij gespecialiseerd in strakke utiliteitsbouw en hier in het westen was hij aangenomen om gevangenissen, zakenhotels, ziekenhuizen en sportcomplexen te ontwerpen. Hij was een zorgvuldig architect, die altijd zacht sprak en daarmee zijn gehoor en medewerkers van de geschiktheid van zijn ontwerpen overtuigde. Zijn tekeningen klopten tot in de details, al waren ze hardvochtig. Muren waren van ruw beton en niet erg vriendelijk, ramen waren klein en er kwam weinig kleur aan te pas. Simpelheid en eenduidigheid streefde hij na. Die klare lijn, samen met een vorm van ingetogenheid, werd in zijn vakkringen hoog gewaardeerd. Er ging bovendien een gesloten kracht van zijn ontwerpen uit die intrigeerde. Met intelligente argumenten wist hij de sentimentele kanttekeningen van anderen - die spraken van meer licht, lijnen en lucht, primaire kleuren, balkonnetjes en zonnebloemen - af te wimpelen. Een enkele medewerker roddelde over hem, na werktijd, in de kroeg. Dat je goed kon zien dat hij uit het oosten kwam, omdat ook de scholen en de ziekenhuizen die hij ontwierp net gevangenissen leken. Dat zo iemand hier gezichtsbepalende gebouwen mocht neerzetten vond die collega een schande, en hij wilde maar zeggen dat een buitenlandse architect in feite als een vijfde colonne fungeerde. Een vijfde colonne, legde hij nadrukkelijk uit, werkt als een kolonie resistente bacteriën die een kerngezond lichaam binnentrekt, aantast en zijn verval voorbereidt. De omstanders rilden van die mogelijkheid.
Vrouwen waren erg gecharmeerd van Niklas, de man met de imposante five o'clock shadow op zijn kaken. Hij had zachtaardige ogen die vertederden, daarom zagen ze niets kwaads in hem. Vrouwen vingen in het algemeen slechte vibraties beter op dan mannen, maar niet in het geval van Niklas. Mannen, aangetrokken door zijn charisma, gingen algauw met een dergelijke figuur in zee, en eenmaal in een plan met hem betrokken - hun knieën doornat - konden ze niet meer terug zonder dat hun eergevoel werd aangetast. Zulke verhalen over buitenlanders deden tegenwoordig vaak de ronde. Het was met hen net als met het Kwaad: het trekt aan, het is spannend, maar eenmaal in zijn klauwen is ontsnappen onmogelijk. Uitdaging is evenwel het zout in de levenspap, dat weet iedereen. Zonder spanning raken de meeste mensen verveeld en depressief. Het Kwaad als antidepressivum. Dat was een originele gedachte.

WILLIE PEINSDE wat af over zijn voorgaande leven. Hij zat in zijn fauteuil in de woonkamer van mevrouw Kosta, die zijn bakje telkens met pindarotsjes bijvulde. Hij wreef met zijn handen over zijn kin en wangen, die rubberachtig aanvoelden, heel anders dan vroeger. Eigenlijk vond hij die nieuwe, taaie huid van zijn gezicht wel prettig. Hij kneedde het vel en dat gaf een aangename tinteling. Zijn behaarde buik en rug streelde hij ook, alsof hij zijn eigen huisdier was. En dat hij zich de hele dag zonder kleren kon vertonen was natuurlijk wel een heel fijne bijkomstigheid. Ja, hij moest het toegeven, zijn metamorfose was een bevrijding geweest.
Hoe hij precies aap was geworden was niet goed te achterhalen, omdat het zo sluipend was gegaan. Mevrouw Kosta hield daar haar mond over. Zij had nu eenmaal de wil en de gelegenheid om Willie in huis te nemen en dus deed ze dat. Niemand stelde vragen en Willie was haar dankbaar. Ze bezat een huis met een grote tuin in het beste deel van de stad. Willie had er een eigen oranjerie waar hij de planten en de sinaasappelboompjes water gaf en waar ook zijn bed stond.
Hij staarde vaak door de ruiten naar de tuin. Vroeger, toen hij nog Niklas heette, interesseerde de natuur hem niet in het minst. Hij woonde op de twaalfde verdieping in een flat met weinig meubels en ontving een paar keer per week vriendinnen. Het was mogelijk dat hij via die vrouwen een ziekte had opgelopen. Maar het kon ook zijn dat hij al vanuit het oosten iets had meegedragen. Het waarschijnlijkste vond hij zelf dat het drinkwater in dit land een vreemde reactie was aangegaan met zijn bloed, dat een lange geschiedenis had die terugging op de Tataren. Hij had wel iets voelen gisten in zijn lijf, maar besteedde daar geen aandacht aan. Het haar op zijn rug was er al, dus de aanwas ervan merkte hij niet op. De groei van het haar op zijn borst en zijn benen juichte hij alleen maar toe. De vrouwen die hij ontving waren er gek op, het kroelen nam groteske vormen aan. Zijn borst zwol, zijn tepels priemden omhoog, alle zenuwen rond zijn bekken en onderrug werden in stelling gebracht, en dat bezorgde hem een ongekende zinnelijkheid waarin hij zich verloor. Soms nodigde hij twee vriendinnen samen uit die elkaar in dit kroelspel konden ophitsen. Hij moest toegeven dat de kreten die hij daarbij slaakte wel op het brullen van een aap hadden geleken. De vrouwen zagen het als beloning voor hun effectieve kroelwerk.

DE HOEVEELHEID bouwopdrachten voor de in korte tijd beroemd geworden architect vermeerderde zich evenredig aan zijn stoere beharing. Steeds meer instanties wilden zijn ontwerpen hebben. En heel veel vrouwen wilden hem aanraken. Mannelijke collega’s waren stikjaloers. Niklas liep in zijn vrije weekends door de winkelstraten en sprak dan zomaar een mooie vrouw aan. Meteen leek zijn stem of blik haar in katzwijm te doen vallen. Hij liet zich kwaliteitspakken en handgemaakte schoenen aanmeten. Vriendinnen kochten gretig accessoires voor hem: zijden dassen, kalfslederen portefeuilles, schildpadbenen zakkammetjes.
Zijn gevangenisachtige ontwerpen boetten intussen niets aan zeggingskracht in, hij zwichtte niet voor zachtheid of tierlantijnen, en om die consequente gestrengheid werd hij gewaardeerd. Vrouwen die intiem met hem waren merkten dat er ook haar op zijn billen groeide, ze wisten niet wat ze zagen en konden hun opwinding bij de aanblik ervan niet verhullen. Hij dacht inmiddels dat zijn nieuwe beharing het gevolg was van zijn veranderde eetpatroon (geen koolbladeren met schaapsgehakt, geen varkensworsten of gevulde milt meer, wel champagne, dure wijnen en licht fingerfood). Het haar kwam brutaal onder zijn smetteloos gesteven manchetten met paarlen manchetknopen gepiept. Tijdens diners plukten zijn tafeldames aan die zachte kwastjes rond zijn gouden Rolex. Ook mannen konden zich bijna niet bedwingen, bekenden ze op de wc’s aan elkaar. Wat een viriliteit! Hoe lapte hij hem dat? Telkens een nieuwe vrouwelijke uitdaging! Hij wist niet wat hem overkwam. Als jongen in het oosten was hij nooit zo geliefd geweest. Meisjes vonden hem onaantrekkelijk. Hij was schuw en had last van puisten. Dus ging hij met lieve, lelijke meisjes voor wie hij goed genoeg was. Om cosmetische redenen werd hij een meedogenloze minnaar, want seks was goed tegen acne, wist hij.

WILLIE ZAT in de rieten stoel in de oranjerie van mevrouw Kosta en staarde naar de kale tuin. Al die herinneringen aan zijn gedaanteverandering, zijn successen in het werk en in de liefde: vervlogen waren ze sinds hij aap was. Hij moest denken aan zijn arme ouders, die diep in de Karpaten in een dorp zonder elektriciteit woonden en die nooit van zijn triomfen hadden gehoord. Want in zijn glorietijd dacht hij niet aan hen. Hij verachtte hen, walgde van de smerigheid en armoede van zijn ouderlijk huis. Daarom was hij het ontvlucht. Alleen een korte afscheidsbrief op de keukentafel: 'Ik vertrek. Zoek mij niet. Misschien dat wij elkaar later eens zullen terugzien, als ik rijk zal zijn en ik jullie uit je diepe ellende kan verlossen.’ Vijftien was hij toen hij het schreef, dertig jaar waren voorbijgegaan. Hij wist niet of zijn ouders nog leefden. Sinds hij aap was dacht hij veel aan hen, en met de Kerst in zicht had hij mevrouw Kosta gevraagd een kerstkaart te kopen, zo eentje die muziek maakt als je hem openklapt. Dat zou hen opvrolijken. Ook verzocht hij haar twee wollen truien met een col te kopen, want in zijn ouderlijk huis was het in de winter vreselijk koud. Hij rilde. Geld had hij nog, hoewel mevrouw Kosta een stevig maandbedrag rekende. En schrijven kon hij, ook zijn handtekening zetten. Hoewel zijn rauwe stemgeluid hem niet goed beviel en hij dus het liefst zweeg, sprak hij wel geregeld met mevrouw Kosta, meestal onder het eten. Hij draaide Bach, probeerde de filosofen te lezen en kroelde intussen met zijn lange nagels door zijn borst- en buikhaar.

MET DE KERST zou hij dit jaar alleen zijn. Mevrouw Kosta bleek ergens op een landgoed in het zuiden uitgenodigd en kon hem onmogelijk meenemen. De kerstdagen moest hij maar zien door te komen. Hij kon misschien een paar vriendinnen optrommelen? Ineens klonk er een zeker venijn door in haar stem, hij kon het bijna niet geloven. Had hij haar te veel verteld over zijn vroegere leven? Had mevrouw Kosta een oogje op hem? Voelde zij zich soms afgewezen? Had hij veel eerder moeten snappen dat zij hem helemaal niet uit liefdadigheid in huis had gehaald? Dat hij dat al die tijd niet begrepen had, hij met zijn domme apenhoofd. Hoe had hij zo blind kunnen zijn? Hoewel ze op leeftijd was, had ze verdacht vaak bevallig voor zijn fauteuil gedraald, droeg zij van die jurken met, nu hij erover dacht, best een diep decolleté, een split… Hoe was het mogelijk dat hij voor al dat geëtaleerde verlangen van haar geen oog had gehad? Omdat ze een wat precieuze dame was? En ook van een zoete verleiding door pindarotsjes had hij niets gemerkt. Van schaamte plukte hij wat aan zijn navel en verborg vervolgens zijn gezicht in zijn eeltige maar warme apenhanden.
De voordeur dreunde nog na binnen in zijn schedel. Hij zou het op deze kerstavond in zijn eentje niet uithouden. Hij had al die tijd niet naar zijn kleren getaald, maar nu groef hij onder in de diepe kast in de gang zijn koffer op. Hij haalde er zijn mooiste maatpak uit, een gestreken wit overhemd en de paarlen manchetknopen. Boven in de kast vond hij een hoed, een donkergrijze Borsalino, misschien van een meneer Kosta geweest.
In haar badkamer besprenkelde hij zijn oksels met drupjes parfum van mevrouw Kosta en begon hij zijn pak aan te trekken. De broek zat niet heel gemakkelijk of elegant om zijn heupen, maar met de riem flink aangesjord leek het wel wat. En al waren zijn apenarmen te lang voor het jasje, de manchetten met de paarlen knopen waren wel zichtbaar. Het aantrekken van zijn schoenen kostte hem de meeste moeite. Ze knelden aan alle kanten, maar door de veters heel losjes te strikken ging het net.
Niklas stak wat geld bij zich, sloeg een das om en belde een taxi. Zijn stem mocht rauw en hees klinken, niemand wist toch hoe een aap mensentaal spreekt, behalve hijzelf. De taxichauffeur keek niet vreemd op; het was ook vroeg donker. De kerstverlichting op de pleinen en in de kleinere straatjes in het centrum vertederden hem. Hij wist daar ergens een paar gezellige cafés waar op kerstavond vast andere alleengaanden te vinden waren. Uit het eerste café klonk muziek. Het was er schemerig en vol, zodat hij niet erg op zou vallen.
Hij genoot vanaf zijn plek op de bank in de hoek, dronk donker bier en keek naar de luidruchtige en dansende klanten. Een vrouw in een glitterjurk kwam op hem af en vroeg hem ten dans. Hij aarzelde, maar sprong toen spontaan met haar op de dansvloer. Met zijn hoofd tegen haar borst geleund voelde hij zich weer voor even gelukkig. Na een hele tijd dansen belandden ze aan een tafeltje. Liefkozend pakte zij zijn gelooide handpalm, legde er gefascineerd haar hand in en fluisterde: 'Ik wist het wel, je bent een aap…’ Ze lachte en kneep hem in zijn wang, krabde zijn oor en kroelde met haar lange nagels onder zijn overhemd op zijn borst. Hij kon zijn geluk niet op. Maar daarna herhaalde ze haar bevinding ineens op luide toon. 'Een aap!’ Er ontstond commotie. De gorilla achter de bar kwam erbij, vatte Willie bij zijn kin, keek hem aan en gaf hem een kopstoot. Iedereen gilde. Even later stormde de politie binnen en de verblufte en versufte Willie werd geboeid afgevoerd.

OP HET POLITIEBUREAU probeerde hij de agenten tot rede te brengen, maar ze vonden een pratende aap eng en gooiden hem in een cel. Dit cellencomplex zou heel goed door hem ontworpen kunnen zijn. Muren van kleurloos, glad beton, geen ramen. Hij probeerde een hogergeplaatste te spreken te krijgen, maar de agenten zeiden dat ze van hem walgden en zich niet verlaagden door met een aap te praten.
Het was middernacht. Hij was net ingedommeld toen ze hem kwamen halen. Een koude vlaag drong de cel in. Ze zeiden met afgewend gelaat dat ze hem de grens gingen overzetten, want ze wisten niet wat ze met zijn soort aanmoesten.
Na een lange rit stopte het politiebusje waarin hij zat en werden de achterdeuren geopend. Niklas stapte uit en zag de felle lampen van een treurig parkeerterrein waar veel vrachtwagens stonden. Het politiebusje reed snel weg. Het was ijskoud en omdat ze zijn riem hadden afgepakt, zakte zijn broek telkens af. Daar stond hij in z'n eentje in de schijnwerpers zijn broek op te houden. Hij hoorde het klappen van portieren en uit de met knipperende rode en groene kerstverlichting versierde cabines kwamen chauffeurs aangelopen. Ze waggelden naderbij, nieuwsgierig maar afwachtend, dronken uit blikjes bier of knauwden op een groot stuk worst. Er werd geroepen in verschillende talen, ook in de taal van zijn geboorteland. Hij verstond genoeg van hun hoon en als grap vermomde dreigementen. Hij kon hun gezichten niet zien doordat hij tegen de felle lampen in keek. Plots voelde hij een hand in zijn kraag en kreeg hij een flinke tik tegen zijn achterhoofd. Er werd hard gelachen. Niklas zei een paar woorden in zijn moedertaal om de mannen op andere gedachten te brengen, maar er werd alleen maar meer gelachen. Van achteren werd zijn slappe broek met een ruk naar beneden getrokken. Er kwam een kleerkast voor hem staan die zijn paarlen manchetten bekeek, een kennelijk rake opmerking maakte, want er werd weer gebulderd. Vervolgens scheurde hij een mouw van Willie’s jasje af en nam een van de manchetknopen tussen zijn tanden. Er werd gejoeld en gefloten alsof hij een hoer was. Ze rukten nu al Willie’s kleren uit en hij werd geslagen met kettingen, geprikt en gestoken met messen. Hij werd voorover op de grond gesmeten, en er werd hard een voorwerp in zijn anus geduwd. Zijn kin schuurde over het asfalt. Het geluid om hem heen werd doffer, hij voelde hoe laarzen tegen zijn kuiten en onderrug schopten. Hij concentreerde zich op zijn lievelingskleur geel om maar niets te hoeven voelen.

HET GELACH van de truckchauffeurs loste op, hij hoorde nog hoe ze elkaar in hun talen een vredige Kerst toewensten. Motsneeuw prikte op zijn gebolde rug. Daglicht drong vaal door het wolkendek heen. De vrachtwagens werden gestart, sisten en trokken zwaar op. De grote banden rolden rakelings langs Willie heen. Ze maakten een zuigend geluid dat diep in zijn oren doorklonk.
Hij dacht met spijt aan de gekwelde mevrouw Kosta en haar onbeantwoorde liefde voor hem. Aan zijn ouders. De meisjes en de vrouwen. Waarom wist je achteraf pas hoe je had moeten leven? dacht hij. Hij probeerde zich op te richten, maar alles aan zijn lijf deed pijn. Hij gaf zich over. Het asfalt was nat en koud tegen zijn gelooide wang. Een dekje van sneeuw begon zich op zijn rossige rug te vormen en zou hem weldra aan het zicht onttrekken.
Iemand zou hem wel vinden. Iemand zou die kerstaap meenemen en zijn wonden verzorgen.
Verderop raasde de autosnelweg onverschillig op deze grauwe kerstdag.

Wanda Reisel werkt aan een nieuwe roman. Haar laatste boek, Plattegrond van een jeugd (2010), is zeer lovend ontvangen