Willy corsari

Vorige week overleed de schrijfster Willy Corsari, exact een eeuw oud. Voor geen enkel genre draaide ze haar hand om: ze schreef romans, detectives, meisjesboeken, hoorspelen en toneelstukken. Altijd met liefde, zonde en verlangen als voornaamste ingredi‰nten. Op haar elfde schreef ze al de onsterfelijke zin: ‘Hij kuste haar en twee dagen later kreeg ze een kind. Wat een schande!’ ..LE EEN PAAR JAAR geleden werd de bijna honderdjarige Willy Corsari een van de ‘lastige vragen’ van Max Frisch voorgelegd. Hoe oud zou u willen worden? luidde de vraag. ‘Als je zo oud bent’, antwoordde zij, ‘krijg je het slot van elk verhaal.’ Ze vertelde hoe zij lang geleden in Berlijn de nieuwe film De blauwe engel ging zien en hoe daarin een onbekend mollig meisje speelde. Dat mollige meisje werd later slank en wereldberoemd als Marlene Dietrich. ‘Ik heb altijd gevolgd hoe het verder met haar ging. Tot haar verhaal uit was.’

Je kunt zeggen dat Willy Corsari ook heeft kunnen beleven hoe haar eigen verhaal eindigde. Decennialang was zij de populairste romanciŠre van Nederland. Tienduizenden exemplaren werden er van haar boeken verkocht, ze kwamen in leer gebonden als omnibus op de markt, in vele talen werden ze vertaald. ‘Het gesprek van de dag’, kopten advertenties voor haar boeken in de jaren vijftig. Tijdens een bezoek aan Denemarken werd ze als een filmster onthaald. Ze werd bestormd door fotografen en cameramensen. In het warenhuis waar ze handtekeningen uitdeelde, dromden duizenden mensen samen. Ze werd ondergebracht in de koninklijke suite van een imposant hotel in Kopenhagen; de kamer was een oerwoud van boeketten. En de kranten stonden vol over haar. 'Ik ben verliefd op deze vrouw!’ ontboezemde een Deense journalist. 'Ze was zo jong nog en zo mooi!’ schreef een ander lyrisch.
Meer dan dertig jaar heeft Corsari op haar schoonheid en roem kunnen terugblikken. In de loop van de jaren zestig raakte de romanciŠre vergeten, het was ook geen tijd meer voor romanciŠres. Haar romans vol onvervulde liefde en gebroken harten waren verouderd. 'Mijn naam staat op aardig wat boeken, maar wat dan nog?’ constateerde ze ooit. Wie wilde er nog lezen over crimes passionels, onzedelijke vrouwen, bastaardkinderen, abortussen met dodelijke afloop en zelfmoorden vanwege 'de schande’? Jan Wolkers en Jan Cremer boden schandelijker vermaak.
Ze sleet haar dagen in een flatje in Amstelveen. Af en toe werd ze door een journalist aan de vergetelheid ontrukt; steeds weer schetste ze haar levensverhaal in dezelfde bittere woorden. Iedereen die ze kende, had ze overleefd. Ze had ook zichzelf overleefd.
Van het leven van Willy Corsari had een echte Corsari geschreven kunnen worden. Zo'n tragisch-romantisch boek waarin 'rasartisten’ figureren en wonderkinderen, bohÇmiens, ravissant mooie cabaretiŠres en aan drank verslingerde mannen. Waarin moorden worden gepleegd en zelfmoorden, waarin huwelijken mislukken en alleenstaande moeders in arren moede hun enig kind opvoeden, waarin wordt liefgehad en vooral geleden. Zoals in een echte Corsari is er geen happy end.
WILLY CORSARI werd op 26 december 1897 geboren als Wilhelmina Angela Schmidt in Jette St. Pierre, een klein plaatsje onder de rook van Brussel. Haar vader verruilde zijn vak als diamantbewerker voor dat van operazanger; haar moeder was een verdienstelijk pianiste. Hij verzon de zwierige artiestennaam Corsari. Door zijn gebrek aan zakelijkheid werd het niets met zijn zangcarriŠre, maar gelukkig werd in de kleine Willy al snel een wonderkind ontdekt. Zij moest alles goed maken.
Toen ze nauwelijks kon kruipen werd ze al aan zangpedagoges en pianoleraressen toevertrouwd. Op haar verjaardagen kreeg ze geen speelgoed maar partituren. Ze werd als een sierplantje gekoesterd. Knikkeren, hoepelen, verstoppertje spelen, fietsen, ze was er te kostbaar voor. De buurkinderen mochten trouwens ook niet met haar verkeren, want artiesten waren maar een eng slag mensen: 'Zo van in de trant: vrouwen, haal je wasgoed binnen, daar komt een artiest aan!’
'Ik heb uit mijn jeugd genoeg complexen overgehouden om tienmaal zelfmoord te plegen’, zou Willy Corsari later zeggen. Als dertienjarige ging ze al naar de toneelschool in Amsterdam. Daar bleek dat haar sopraan niet krachtig genoeg was voor de opera. Ze zocht haar toevlucht tot het cabaret. Toen ze zeventien was, maakte ze haar debuut bij Jean-Louis Pisuisse, de Nederlandse Aristide Bruant. Ze speelden in lawaaierige tingeltangels vol slempende mannen. 'Altijd stonden er heren op mij te wachten om mij te huldigen met bloemen en jolige bedoelingen’, herinnerde ze zich.
Ze werd beroemd als 'De internationale liederenzangeres Willy Corsari’. Beeldschoon was ze en geheimzinnig. 'Ze maakte de indruk’, schreef een tijdgenoot, 'van een meisje van allereerste familie in wie door ÇÇn of andere heriditaire predestinatie het grote heimwee gevaren was en van wie iedere oogopslag een hongeren naar romantiek verried.’
Hongerend naar romantiek verbleef ze in de jaren twintig in Berlijn, waar ze in het beroemde Romanisches CafÇ tussen de acteurs, schrijvers, levenskunstenaars en ethersnuivers zat. In de jaren dertig trad ze op in Indi‰, in Batavia en Soerabaja, en maakte ze een tocht langs plantages waar ze zichzelf op gruwelijk valse piano’s begeleidde.
Haar leven was gedrenkt in drama en tragiek. Pisuisse en zijn tweede vrouw Jenny Gilliams werden op het Rembrandtplein door een jaloerse minnaar van haar vermoord. Haar eigen huwelijk met een betrouwbare maar doodsaaie notaris liep op de klippen. Haar tweede verstandshuwelijk met de Telegraaf-journalist Douwens eindigde met zijn veel te vroege dood. Corsari besliste dat ze ongeschikt was voor de huwelijkse staat en voedde alleen haar zoon op. Haar zoon zou later, ook zo romantisch, walvisvaarder worden in Zuid-Afrika.
In de oorlog kwam ze, omdat ze een Duitse deserteur bij haar liet onderduiken, in de Gestapo-gevangenis in Scheveningen terecht. Ze overleefde doordat de Duitsers haar bestseller Herz ohne Hafen, de vertaling van Schip zonder haven, zo bewonderden. In de cel zong ze alle liedjes die ze kende. Na de oorlog kon ze geen noot meer zingen.
VOOR DE OORLOG was Willy Corsari al een gevierd schrijfster. Van kind af aan had ze geschreven, als cabaretiŠre schreef ze tussen de coulissen. Vanaf het begin waren liefde, zonde en verlangen de voornaamste ingredi‰nten. Haar moeder vond op zolder een verhaaltje dat ze op haar elfde schreef, waarin de onsterfelijke zin: 'Hij kuste haar en twee dagen later kreeg ze een kind. Wat een schande!’ Haar eerste boek, een detective, publiceerde ze in 1927. Ze was daarna ongehoord productief. Meer dan twintig romans, vijftien detectives, meisjesboeken, hoorspelen en toneelstukken zouden er van haar hand verschijnen.
Het heeft iets raadselachtigs, roem die zo snel verwelkt. Als je stevig met je voeten in het heden staat, is het onvoorstelbaar dat de populariteit van, zeg, Connie Palmen, Adriaan van Dis of Anna Enquist zomaar opeens is verdwenen. Toch lijkt het begin van de loopbaan van Corsari op die van hen. Haar eerste boeken kregen gunstige besprekingen. Ze was net als zij een personality, een publiek persoon, die als ze niet met haar boeken de krant haalde, wel werd beroddeld omdat ze sigaren rookte of, naar verluidt, naar Hollywood zou vertrekken. Maar naarmate ze beter verkocht, nam de goede kritiek af. Je zou kunnen spreken van een Corsari-constante: hoe meer gelezen, hoe meer verguisd. Tot ze helemaal uit het zicht verdween.
Vanwaar die verguizing? Vanwaar dat verdwijnen? Daar zijn natuurlijk veel antwoorden op te geven. Corsari was in de eerste plaats een vertelster, een schrijfster die vaardig plotten in elkaar knutselde. Haar stijl werd nooit geweldig gevonden, nu leest die als die van de eerste beste streekroman. Ze schreef wat de mensen dolgraag wilden lezen, en juist aan het beantwoorden van dat verlangen knaagt de tand des tijds misschien het hardst. Corsari was daarbij een broodschrijfster die naast 'serieuze’ literatuur puur amusement produceerde. Ze behoorde niet tot een literaire cercle. Misschien kun je ook zeggen dat als er geen belangstelling meer is voor de publieke personages die haar soort schrijvers zijn geworden, ook hun boeken niet meer bestaan.
Succes maakt schrijvers sowieso suspect. Dat maakte Corsari na de oorlog mee. Haar oorlogsroman Die van ons was 'de reddingsboei’ van verzetsuitgeverij De Bezige Bij. In drie jaar tijd verschenen zeven drukken en gingen zo'n zeventigduizend exemplaren over de toonbank. De jonge experimentelen binnen de uitgeverij behandelden haar als de juffrouw die het geld mocht binnenbrengen en verder kon doodvallen. Een van de bestuursleden van de uitgeverij schreef zelfs: 'Als De Bezige Bij niet zonder Corsari leven kan, dan is uitgeverij een versleten jas en moeten we de moed hebben haar op te heffen.’ De versleten jas was Corsari.