Willy vandersteen

De tentoonstelling Willy Vandersteen is tot en met 28 augustus te bezichtigen in het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal, Brussel.
Hij leerde Belgie lachen. De Suske-en- Wiskes van Willy Vandersteen worden na zijn dood nog steeds herdrukt en gelezen. Toch is de moraal die van de padvinder uit de jaren vijftig: elke dag een goede daad.

‘HIJ LEERDE ZIJN volkske lachen’, zeggen ze in Vlaanderen - een parafrase van het 'Hij leerde Zijn Volk Lezen’ waarmee de negentiende-eeuwse schrijver Hendrik 'De Leeuw van Vlaanderen’ Conscience door zijn taalgenoten wordt geeerd. Maar het lachen hebben ze dus van Willy Vandersteen, de geestelijke vader van vele stripseries, waaronder de in een Algemeen Beschaafd Nederlands stukgekookte maar van oorsprong oer-Vlaamse en even geestige Suske en Wiske-serie.
Willy Vandersteen werd in 1913 geboren in de Seefhoek, een Antwerpse volksbuurt. Hij werd met de helm geboren: bij de geboorte zat het vruchtvlies over zijn hoofd. Zulke kinderen leefden meestal niet lang. Wie overleefde, werd, aldus het volksgeloof, een bijzonder kind. De kleine Willy toonde geen teken van leven. Met het lichaampje in een sigarenkistje ging zijn vader, onderweg naar het lijkenhuis, nog even een cafe binnen. En daar zette het ventje, ongeveer bij vaders derde pint, het ineens op een krijsen.
Op school toonde Vandersteen zich geen genie. Alleen voor tekenen en opstellen schrijven haalde hij voldoendes. Op straat vermaakte hij zijn kornuiten met verhalen, die hij met tekeningen op de stoep illustreerde. Maar daar was geen brood mee te verdienen. Na de lagere school, in 1926, werd hij uit werken gestuurd. Als bouwvakker, net als zijn vader. Zijn vader was 'moeileerder’, een bouwvakker gespecialiseerd in krullerige Jugendstil-ornamenten. Maar op Willy wachtten slechts de eenvoudige klussen. Toen art deco en Bauhaus populair werden, kon Vandersteen het moeileren verder wel vergeten. Dit gold ook voor ander werk trouwens: de jaren dertig van art deco en Bauhaus waren ook de jaren van de grote economische crisis. Vandersteen: 'Wij hoorden van stakingen en van schieten om ze te breken. Dat leefde bij iedereen. ’s Morgens naar het atelier, om van de baas te horen dat er geen werk was. Dat kon weken duren, zonder sociale uitkering.’ Later vond hij werk als etaleur bij het Warenhuis L'Innovation.
VANDERSTEEN WAS gefascineerd door het dagelijks leven zoals het zich toen in alle heftigheid en kleurigheid afspeelde op straat, waar ook de humor lag. 'Tegenwoordig zijn er genoeg opleidingen om te leren tekenen - maar niet om verhalen te leren vertellen. Daarvoor moet ge nu gaan lezen en reizen, om het te zoeken. Wij leefden erin. Ik ben uit het begin van de twintigste eeuw, dus wij hadden nog de uitlopers van de verpaupering en de crisistijd. Maar in die tijd was er veel humor onder de mensen. Scheel van de honger, maar ze hadden humor.’
Om wat voor humor het ging, ligt voor de hand: volkse humor, uit leed geboren, soms ongecompliceerd of grof, en vaak erop uit om iemand een hak te zetten. Precies de soort humor uit Vandersteens beste strips.
Vandersteen volgde al enige tijd avondlessen aan de Antwerpse Academie voor Beeldende Kunsten toen hij voor het eerst strips onder ogen kreeg. Kuifje en Amerikaanse strips als Mickey Mouse en Prins Valiant maakten diepe indruk op hem. Kort daarna las hij in een Amerikaans modeblad een artikel over strips, 'The comics in your life’. Een stripverhaal, aldus het artikel, moet je eerst voorpubliceren als feuilleton in kranten of tijdschriften, en daarna moet je het uitgeven als stripboek.
Zijn eerste strip, Kitty Inno, maakte Vandersteen in 1940 voor het personeelsblad van L'Innovation. Maar indachtig de tips uit 'The comics in your life’ trachtte hij strips voor kranten te maken. In 1945 verscheen de eerste aflevering van Suske en Wiske in De Nieuwe Standaard. De verhalen werden vervolgens uitgegeven in de Rode Reeks, boeken waarin de pagina’s om en om rood en blauw waren gedrukt.
DE EERSTE VEERTIG Suske en Wiskes zijn prachtige strips. Vandersteens techniek was in het begin nog beperkt. Toch zijn de tekeningen en de verhalen van een zeldzame spontaniteit en humor. Later werden ze herdrukt, maar hertekend in de steriele 'studiostijl’ en ontdaan van hun barokke Vlaams. Gelukkig worden ze nu weer opnieuw uitgebracht, in hun ongekuiste versie. Als de Teletijdmachine flitsen deze elf delen je naar een Vlaams-Antwerpse schatkamer, vol met de taal en de beelden van het Belgie van vroeger.
Deze verhalen tonen dat Vandersteen, zoals veel stripmakers van zijn generatie, sterk is beinvloed door het rooms-Belgische scoutisme. Ook Herge (Kuifje), Morris (Lucky Luke) en Peyo (De Smurfen) zijn padvinders geweest. Waarheid, onbaatzuchtigheid en trouw zijn de centrale waarden van het naief-positieve wereldbeeld in hun strips, met 'iedere dag een goede daad’ als credo van de helden.
Waar de moraal ondubbelzinnig is, gaat het leven in zwart-wit gehuld. De helden uit deze verhalen zijn als goeden van een haast bovenaardse reinheid. Alleen bijfiguren als Lambik of kapitein Haddock willen nog wel eens enkele onschuldige smetten aankleven. Genot manifesteert zich bij hen vooral in de vorm van het nuttigen van (te) veel spijs en alcoholica: niet toevallig de zwakheden waar ook de paters en andere hoeders van het rijke roomse leven graag aan toegeven.
De slechten zijn daarentegen volstrekt abject. De dood bestaat in deze strips niet; dat sommige schurken aan het eind van een verhaal soms een religieus soort inkeer bereiken, is de enige manier waarop ze uit een serie kunnen worden geruimd. Hun berouw brengt een zodanige metamorfose teweeg dat ze zonder rimpelingen in de categorie der goeden kunnen opgaan. Striptechnisch zijn ze daarmee dood: het terugkeren in nieuwe verhalen is, behalve aan de helden zelf, immers alleen voorbehouden aan schurken die volharden in hun slechtheid. Slechts zij die hun ziel onvoorwaardelijk aan de duivel verkopen, zijn verzekerd van het eeuwige (strip)leven.
De normen van het kleinburgerlijk katholicisme en de padvinderij die in Vandersteens werk manifest zijn, leidden na de jaren zestig tot twijfel aan de politieke correctheid van zijn helden. Deze brachten weliswaar her en der allerlei zelfzuchtige heersers ten val, maar het happy end bestond daarna uit weinig meer dan het aantreden van een nieuwe heerser, wiens democratisch gehalte nog geenszins vaststond. Maar ondertussen was elders een nog wredere tiran opgestaan. Onze vrienden reppen zich er in een nieuw verhaal alweer naar toe, in de Gyronef, de Terranef of de Teletijdmachine van professor Barabas: voort, voort, geen tijd voor haarkloverijen.
SUSKE EN WISKE waren al snel zo succesvol dat Herge in 1948 aan Vandersteen vroeg om voor zijn jeugdblad Kuifje een aparte serie Suske en Wiske-verhalen te maken. Vandersteen stemde toe, maar kreeg zijn eerste platen snel weer terug. Herge vond ze te slordig, te Vlaams en te volks voor zijn blad, dat ook door kinderen van de Waalse chic werd gelezen. 'Ik had niet die bestudeerde manier van werken van Herge’, vertelde Vandersteen later. 'Bij mij was het boem, dat viel er zo uit.’
Hij trok zich Herges kritiek echter wel aan. Hij polijstte zijn tekenstijl en zijn personages. Om Herge te behagen voorzag hij Wiske van een deftige blonde coiffure. Lambik, die in de Rode Reeks debuteerde als een sterk geprofileerde loodgieter, werd in Kuifje een bourgeois uit Ukkel. Suske kon zo mee, die had al een hoog voorhoofd en een laag profiel. Maar Tante Sidonia? Een Vlaams moederdier met een neus als een kapstok en voeten als een kleine Schelde-aak was al bij voorbaat kansloos in deze ballotagesessie. Vandersteen liet haar in de verhalen voor Kuifje gewoon weg.
Herge was tevreden en Vandersteen mocht behalve Suske en Wiske ook andere series voor Kuifje leveren. Ondertussen gingen Suske en Wiske ook in de kranten door en was Vandersteen begonnen aan nieuwe series als De familie Snoek, Bessy en De Rode Ridder.
IN DE PASVERSCHENEN Vandersteen-bibliografie Van Kitty Inno tot De Geuzen waarschuwt Rolf de Ryck dat het onmogelijk is tot een compleet overzicht van het werk van Vandersteen te komen. Zijn boek heeft, als klein gedrukte en schaars geillustreerde opsomming van de Vandersteen-verhalen, al de omvang van een roman met filosofische pretenties.
Het is duidelijk dat Vandersteen al die verhalen niet alleen heeft kunnen maken. Al in de jaren vijftig begon Vandersteen medewerkers in dienst te nemen voor de lopende series zodat hij zich kon concentreren op de nieuwe. Hierdoor zijn de eerste afleveringen van een Vandersteen-reeks steeds de beste. Willen medewerkers vervolgens zo'n serie overnemen, dan moeten de sfeer, vertelwijze en karakters duidelijk vastliggen. Op die manier ontstaan stereotiepe verhalen en oude grappen. Dit lot trof Suske en Wiske al aan het eind van de jaren vijftig, en in de ogen der kenners was het gedaan met de kwaliteit.
Maar Vandersteen zag het anders. Zelf getekend door de crisis hechtte hij aan de continuiteit van zijn Studio Vandersteen. 'Herge zegt: als ik sterf is het gedaan met Kuifje. Maar wat breekt die man af, dat is egoistisch. Hij zet al zijn medewerkers in de kou. De vakmensen met wie je gewerkt hebt, die moeten het voortzetten. Wij hebben een traditie die spontaan geboren is, op een goed georganiseerde manier voortgezet en overdraagbaar gemaakt. Mijn erfgenamen mogen alle jaren aan de notaris vragen hoeveel het is dat zij te trekken hebben, de rest is voor de medewerkers.’
De verkoopcijfers van Suske en Wiske geven de in 1990 overleden Vandersteen gelijk. Ze stegen van 100.000 per deel in de jaren vijftig naar 400.000, ook nadat Vandersteen in de jaren zeventig de strip had overgedragen aan zijn medewerker Paul Geerts. Om kritiek op de mindere kwaliteit kon Vandersteen daarom slechts glimlachen. 'Ge kunt zeggen dat het slecht is, geen mens zal u geloven.’