Wél een politicus

Wim Duisenberg (1935-2005)

Wim Duisenberg is de afgelopen dagen consequent neergezet als een apolitieke bankier, een heersend beeld waarin ook Duisenberg zelf leek te geloven. In werkelijkheid toonde hij zich een monetair politicus.

AMSTERDAM – Voor centrale bankiers bestaat de vuistregel dat zij saai, oud en apolitiek moeten zijn. De hoeder van de dollar, Alan Greenspan, werd altijd als uitzondering op de saaiheid opgevoerd met de muziekopleiding die hij als prille twintiger had doorlopen, met het jaar waarin hij als saxofonist met zijn swingband had rondgetoerd, en met zijn regelmatige bezoeken aan de tennisbaan toen hij al een eind in de zeventig liep. En goed, Rick Houenipwela was veertig en coachte in zijn vrije tijd de nationale voetbalelf van zijn land, maar dat was op de Solomons eilanden, dus die telde niet echt mee.

In dergelijke overzichten figureerde Duisenberg niet als duidelijke uitzondering, wellicht vanwege zijn inderdaad gevorderde leeftijd en de degelijkheid die de basis van zijn imago was. Maar een uitzondering was Duisenberg wel degelijk, op alledrie de punten. Om te beginnen was zijn leeftijd als president van de Europese Centrale Bank (ECB) inderdaad gevorderd, maar hij zwaaide al op zijn 46ste de scepter over de gulden. Saai was hij ook niet, met zijn voorkeur voor mooie vrouwen, lekker voedsel, goede wijnen en tabak, met zijn talloze activiteiten als student, zijn uiteenlopende nevenfuncties zoals voorzitter van de Ako-literatuurprijs en bestuurslid van de Wereldomroep, zijn lidmaatschap van de gedistingeerde societykring De Herenclub, zijn plezier in golf, het sociale en culturele leven waar zijn tweede vrouw Gretta Bedier de Prairie hem in invoerde en de mediaramp die zij later over hem afriep en die hij koppig het hoofd bood.

Al even foutief is het heersende beeld van Wim Duisenberg als een apolitieke bankier. Of Duisenberg zelf werkelijk geloofde dat hij een technocratische bankbestuurder was die met politiek weinig ophad, valt nu waarschijnlijk niet meer te achterhalen. In ieder geval bevestigde hij in interviews steevast dat hij niet erg uitgesproken politieke overtuigingen had en dat politiek en bankieren strikt gescheiden moesten blijven. Maar dat beeld strookt niet met de werkelijkheid.

Om te beginnen de weinig uitgesproken politieke ideeën. Neem een interview dat Duisenberg in mei vorig jaar gaf aan NRC Handelsblad, nadat hij was afgetreden als president van de ECB. Duisenberg foeterde over het ontbrekende economische inzicht bij Schröder, Berlusconi en Chirac, over pro-Israëlische senatoren in de VS, en noemde de pro-Palestijnse actie «Stop de bezetting» van zijn vrouw «in wezen heel gematigd». Toen de interviewer zich erover verbaasde dat Duisenberg toch niet bekend stond als iemand met uitgesproken politieke opvattingen, kwam hij helemaal los. Duisenberg kon zich «buitensporig ergeren» aan het Nederlandse Irak-beleid, vond De Hoop Scheffer iemand die «bijna kritiekloos achter de VS aanloopt», verbaasde zich erover dat «Europa dit zonder meer gepikt heeft», «irriteerde» zich «mateloos» aan het ontbreken van een Europees beleid in het Israëlisch-Palestijnse conflict, sprak over Irak als een «tweede Vietnam» en verbaasde zich erover dat hij het in dat opzicht «bij wijze van uitzondering» met Chirac en Schröder eens was.

Pittige politieke standpunten voor een zogenaamd technocratische bankier. En opmerkelijk convergent met zijn beleid in de ECB-tijd, bijvoorbeeld tijdens het Frans-Duits-Italiaanse offensief tegen het Stabiliteitspact; aan de vooravond van de invasie van Irak (toen Duisenberg waarschuwde dat een inval de Europese economie zou schaden); en tijdens de controverse over Gretta’s pro-Palestina-standpunt, toen hij haar steeds bleef steunen (zelfs toen zij op haar diplomatenpas naar Arafat reisde en haar beruchte suggestie deed voor «zes miljoen handtekeningen») en daarmee als «Mister Euro» risico’s nam voor de Europese economieën.

De conclusie dringt zich op dat Duisenberg als bankier wel degelijk uitgesproken politieke meningen had die zijn beleid beïnvloedden. Wat niet schandalig is of onbegrijpelijk, maar wel in strijd met wat Duisenberg de buiten wereld steeds wilde doen geloven, en wat nog steeds voortdurend wordt nagetikt.

Even incorrect is het beeld dat Duisenberg geen politiek bedreef. Wie dat werkelijk gelooft, moet Duisenbergs eigen reconstructie maar eens nalezen over hoe Italië door onder andere Duitsland en Nederland de Europese Monetaire Unie in werd gewrongen.

Monetair beleid is politiek, zeker als het om een zo divers continent als Europa gaat. En Duisenberg bevond zich midden in dat politieke spel, zowel waar het ging om de ECB als zelfstandige macht in het Europese krachtenveld, als om interne zaken in de nieuwe superbank. «Je moest voortdurend op je tenen lopen», zei hij na zijn afscheid. «Het spannendste was dat je bezig om met twaalf centrale banken een nieuwe centrale bank te maken. Voor mij was de uitdaging om iedereen op een lijn te krijgen op alle terreinen. Het monetaire beleid was eigenlijk nog het makkelijkste.» Makkelijker dan de vereiste politiek, bedoelde hij.

En politiek bedreef hij al voor hij er goed en wel in belandde als minister van Financiën in het kabinet-Den Uyl (1973-77). Duisenberg verborg later niet hoe hij zijn post had verkregen: «Ik word minister of ik word het niet», had hij Den Uyl voorgehouden. «Maar ik word geen staatssecretaris.»

Hoewel Duisenberg steeds de indruk wekte een outsider te zijn binnen de politiek, niet te doen aan compromissen en niet mee te werken aan iets waar hij het niet mee eens was, betrof het in alledrie de gevallen schijn. Het economisch beleid van het kabinet-Den Uyl wordt achteraf algemeen als te optimistisch, naïef of schadelijk beoordeeld, en Duisenberg gaf later toe ingestemd te hebben met verschillende besluiten waar hij het niet mee eens was, zoals verhoging van het jeugdminimumloon. Ook deed hij water bij de wijn bij beleidspunten die hij belangrijk vond, zoals bij de invoering van de 1 procent-norm. Duisenberg wilde daarmee de groei van de overheidsuitgaven beperken die onder Den Uyl dreigden te exploderen. Duisenberg vond die norm nog veel te hoog, maar zag het als in ieder geval een stap in de goede richting. Een typische neiging tot polderen, zou dat nu heten.

De 1 procent-norm leverde Duisenberg een politieke confrontatie met zijn eigen Partij van de Arbeid op, maar politieke krachtmetingen is Duisenberg nooit uit de weg gegaan. Om er een paar te noemen: de botsing met Ruud Lubbers over de koppeling van de gulden met de Duitse mark, toen Duisenberg president van De Nederlandsche Bank was, Duisenbergs benoeming als president van de ECB of de slag om het Stabiliteitspact.

Wat Duisenberg wellicht zou onderscheiden was niet zijn aversie voor politiek, maar zijn neiging om voor de volledige overwinning te gaan en een verlies hoog en persoonlijk op te vatten. Zoals bij de confrontatie met Lubbers. Die was in 1983 premier toen de kwestie op tafel lag of de gulden volledig gekoppeld zou blijven aan de mark. Lubbers besloot dat niet te doen, tegen het uitdrukkelijke advies van Duisenberg in. De premier oogstte daarmee Duisenbergs vurige wrok, die gezien uitlatingen in interviews niet wilde doven.

Hetzelfde gebeurde de Britse Financial Times, die in «dim Wim» niet de juiste man zag voor de Europese missie en dat niet onder stoelen of banken stak. Binnenskamers kon Duisenberg daar volgens medewerkers bijzonder bitter over zijn. Overigens betoonde ook Europa’s meest invloedrijke zakenkrant zich niet erg groot in deze ruzie: het overlijden van de man die jarenlang Europa’s belangrijkste econoom was geweest, was voor het rozekleurige instituut niet meer waard dan een bescheiden nieuwsbericht op de voorpagina en een – zoals te raden valt niet onkritisch – portret van even onaanzienlijke afmetingen onder aan pagina 5.

Het is toch een ander beeld dan Duisenberg zelf probeerde op te roepen. Hij stond zich erop voor de rust van de degelijke Fries uit te stralen in tijden van grote druk en Oost-Indisch doof te zijn voor de kakofonie aan politieke geluiden die hij over zich heen kreeg. Gezien zijn reputatie is het hem gelukt dat beeld uit te stralen. Maar de werkelijkheid lag anders: hij hoorde het allemaal wel degelijk en wond zich er hogelijk over op. Dat werd alleen bij hoge uitzondering zichtbaar, zoals bij zijn verbale uitglijer in 2000, die de euro direct in waarde deed dalen. En dat is knap.

De tekenen van een wat gepassioneerder natuur dan die welke Duisenberg als ECB-president voorwendde, waren te zien in de strijd om zijn aanstelling en de lengte van zijn ambtstermijn. Op een onverkwikkelijke Eurotop in 1998 weigerde Duisenberg Chirac te beloven dat hij na de helft van de achtjarige termijn die voor het ECB-presidentschap staat het veld zou ruimen voor de Fransman Trichet. Chirac moest uiteindelijk buigen voor de wil van Duitsland, maar trachtte zijn gezicht te redden door de pers te vertellen dat Duisenberg zijn erewoord had gegeven om na vier jaar op te stappen.

Maar niet alleen weigerde Duisenberg zich voor een voldongen feit te laten stellen – hij ontkende het herenakkoord en stapte na vier jaar ook niet op – hij plande zijn uiteindelijke vertrek ook nog eens zo dat Frankrijk noodgedwongen een jaar geen vertegenwoordiger zou hebben in de directie van de ECB, en dat Chirac Duisenberg moest bellen en pleiten voor zijn medewerking. Duisenberg verhulde na zijn aftreden niet hoezeer hij van die inpepering genoot. In een interview met wederom NRC, nog voor zijn aftreden, verhaalde Duisenberg hoe «de gebeurtenissen» met Chirac ertoe leidden dat hij langer dan vier jaar aanbleef. «For the sake of it», zei Duisenberg, volgens de interviewer met zichtbaar genoegen. «De Fransen hebben moeten slikken dat er meer dan een jaar geen Fransman in de directie van de bank zat.»

Duisenberg behaalde niet alleen zijn overwinning en wreef niet alleen zout in de wonde, hij was ook niet te beroerd om later expliciet te zeggen hoe hij zijn gram had gehaald. Hij was een monetair politicus met uitgesproken op vattingen, die duidelijke – hoewel in de loop der jaren verschoven – ideeën had over monetair en fiscaal beleid en zowel bereid was daar deals over te sluiten als er hard voor te vechten.

De neiging om te gaan voor de overwinning en verlies persoonlijk te nemen, is een eigenschap die een publiek figuur, binnen of buiten of op de rand van de politiek, duur kan komen te staan en die menigeen een pijnlijk carrière-einde heeft bezorgd. Dat is bij Duisenberg niet gebeurd, en afgaand op de reacties die de afgelopen dagen in de media zijn geuit over Duisenbergs karakter lag dat aan zijn «sociale handigheid»: dat hij zich steeds in de juiste kringen wist te bewegen en op het juiste moment wist op te vallen.

Als het hier eigenlijk gaat om de gaven om bevriend te blijven met de sterkste partij en op het juiste moment interesse voor je persoon te wekken, is «sociale handigheid» wellicht een wat verhullende term. Het is dan nuttiger vast te stellen dat Duisenberg kennelijk heel goed wist hoe de hazen liepen in het krachtenveld rond monetaire politiek, op nationaal en Europees niveau, en hoe hij daar doorheen kon navigeren. Dat Duisenberg zich een gedreven en geslaagd politicus heeft betoond.