Wim Noordhoek en de vergrijzing van de popmuziek

Jan Donkers vond dat de Rolling Stones te oud werden. De andere medewerker die in het begin van de jaren zeventig in De Groene Amsterdammer regelmatig over populaire muziek schreef, Wim Noordhoek, worstelde nog openlijker met de vraag hoe oud popmusici eigenlijk konden en mochten worden. In het artikel ‘De vergrijzing van de pop’, geplaatst op 1 mei 1971, noemt hij het ‘verloren kontakt met 5 tot 10 jaar jongeren’ een probleem voor hemzelf en ‘een groot deel van mijn kennissenkring’.

Wim Noordhoek: Toegegeven, in de wereld van de lichte muziek gaat de ontwikkeling verbijsterend snel. De eminente gitarist van de Engelse Who (schrijver van de zogenaamde rock-opera ‘Tommy’) Pete Townsend heeft eens gesproken van ‘popgeneraties’ van zeven jaar. Reken maar uit: 1956 doorbraak van de rock, 1963 opkomst van de Engelse ‘beat’ met talrijke Amerikaanse gevolgen. In Townsends schema (…) zou dus rond 1970 een nieuwe golf opgekomen moeten zijn. Een nieuwe generatie jonge muzikanten zou de macht gegrepen moeten hebben, zich afzettend tegen en/of inspirerend op het voorgaande.

Noordhoek ziet daarentegen dat dit niet is gebeurd.

Wie de hitlijsten van april 1971 ter hand neemt, komt geen enkele duidelijke nieuwe lijn tegen. Wel restanten van eerdere periodes, als de inmiddels overleden Jimi Hendrix en Janis Joplin plus het hoogbejaarde dichterskwartet Crosby, Stills, Nash en Young, individueel opererende Beatles met elpees en singles (Lennon, McCartney, Harrison) en nog bejaarder oudgedienden als Perry Como, Brian Hyland (ooit: ‘Itsy, bitsy, teenie, weenie etc.’) en zelfs Andy Williams.

Daarnaast ziet Noordhoek nog een paar Nederlandse ‘eendagsvliegen’ en ‘de onvermijdelijke portie smartlappen, songfestivalprodukten en Franse en Duitse onzin’. Hij vindt het ‘bedroevend’.

Op vrijwel alle punten moeten jongeren het afleggen tegen de ouderen. Gewoon omdat ze de vaardigheid missen om meer te zijn dan epigonen. Noordhoeks hoop is gericht op ‘heavy rock’, dat in Nederland, zo legt hij uit, nog weinig voet aan de grond heeft gekregen. De grote exponenten van deze stroming zijn uit Engeland afkomstig: Led Zeppelin, Deep Purple, Black Sabbath, maar ook Amerika heeft zijn heavy-sterren als Grand Funk Railroad, Steppenwolf en Blue Cheer. Wat is heavy rock? Om te beginnen een totale kolere herrie. Dat klopt, daar mankeert niets aan. Elke nieuwe popstroming is daarmee begonnen. (…) Heavy rock stelt opnieuw het klassieke beat-instrumentarium centraal: elektrische sologitaar, slaggitaar, bas en drums. De bezetting waarmee ook de Beatles begonnen. Het gebruik verschilt echter nogal. De akkoordenschema’s zijn in het algemeen iets ingewikkelder: afgeleide bluesschema’s, zoals de Stones ze zijn gaan gebruiken. Heavy rock voegt daar een element aan toe dat in de pop van de tweede helft van de jaren zestig opdook, de improvisatie. Een jazzelement, als het ware, maar dan wel teruggebracht tot zijn meest eenvoudige vorm. Te weten gekloot, gehengst en geram in schier eindeloze drum-, bas-, en gitaarsoli. De zang daarbij gaat in een opgeschroefde hysterische trant. Zoiets als Little Richard, maar dan een stuk minder direct en overtuigend en nauwelijks opgewassen tegen het instrumentale geweld. Want daar gaat het bij heavy rock om. De geluidsterkte is van wezenlijk belang.

Noordhoeks conclusie luidt dat een nieuwe popmuziekvorm een ongekende combinatie van eerdere elementen moet zijn, hard, simpel, direct en origineel. Probleem is, schreef hij, dat heavy rock wel hard is, maar nu juist totaal niet origineel.

En aangezien heavy rock de enige nieuwe muzieksoort is die met enig recht gezien kan worden als een bedreiging voor de restanten van de jaren zestig, moet ik besluiten dat er ondanks alles niets werkelijk nieuws en potents onder de zon is. En dat zolang dat uitblijft niemand tussen 25 en 30 van een andere muziekgeneratie is dan de nu rond twintig jaar ouden.

Noordhoek noemt dat een verontrustend verschijnsel. In een ander artikel uit hetzelfde jaar legt hij uit waar het in Nederland aan schortte. In het artikel constateert hij allereerst de ‘doorbraak van de intelligente Pop’ (ondertitel van het stuk) die wereldwijd heeft plaatsgevonden, zowel onder artiesten als kopers. Zelfs in Nederland.

Er bestaat in dit land sinds zo’n jaar of vijf een gestaag groeiende intelligentsia onder het lichte muziek-kopend publiek, een nogal op zichzelf staande markt die voornamelijk elpees afneemt in de sectoren blues, rock, country en randgebieden. Er is – internationaal gezien – een intelligente muziekpers ontstaan die ook de sociale verschijnselen in ruime zin rond het muziekgebeuren verslaat.

Pop was inmiddels een volwassen kunstvorm. Dat gold helemaal voor een directe zijtak, de ‘sophisticated pop’, te onderscheiden van ‘mainstream pop’, schreef Noordhoek. Representanten van die geraffineerde popmuziek waren de Grateful Dead, Country Joe, Jefferson Airplane, Zappa, de Fugs, Andy Warhols Velvet Underground, ‘en nog wat minder succesvollen’.

Noordhoek: Bob Dylan was er al een tijdje (sinds ’63) en hij mag dan ook wel als baanbreker voor de ‘intelligente pop’ gezien worden. Immers, de vorige generatie popmuzikanten was een Engelse geweest. De golf van ’63 werd door Engelse volksjongens als de Beatles en de Stones gedragen. De generatie van de achterbuurtjongetjes als Mick Jagger, John Lennon, Rod Stewart, Steve Marriott, Eric Burdon en zoveel meer. Zet dit rijtje eens naast dat van de Amerikanen van ’67: Country Joe McDonald, Jerry Garcia, Frank Zappa, Alan Wilson, Grace Slick en ga maar verder. De arbeiderswijken van Liverpool tegenover de campus van Berkeley, zal ik maar zeggen. Degenen van de ’63-golf die het hoofd boven water hielden deden dat door eenvoudigweg ook op de intelligente toer te gaan. Er kwam een ommekeer in de wijze waarop de Beatles en de Stones naar buiten toe optraden. Ze werden wereldbeschouwers, deden politieke uitspraken en maakten meteen ook hun eerste intelligente platen als ‘Sgt Peppers Lonely Hearts Club Band’ en ‘Their Satanic Majesty’s Request’.

Maar hoewel er in Nederland intelligent poppubliek bestond, brak er niemand door die deze muziek zelf maakte. Er zijn schaarse voorbeelden: Brainbox, Supersister, CCC Inc, maar daar blijft het wel bij. (…) Waarom geen Nederlandse Zappa, geen Nederlandse Country Joe, geen Nederlandse Dylan? Ons land te klein? Onzin, als we een Ard Schenk kunnen produceren en een Ajax & Feyenoord, waarom dan geen Zappa?

Noordhoek gaf zelf een interessant antwoord. Het is niet de taal, noch het gebrek aan een muzikale traditie die de doorslag geeft, meende hij. ‘Ik denk dat er nog iets is.’ Het gaat in Nederland allemaal te makkelijk.

In Amerika is het voor langharige dissidenten nu eenmaal vele malen moeilijker om in de culturele sector aan de slag te komen dan in ons land. Hier ben je, als je even wat kunt, al snel welkom als freelance journalist, radio- of televisiemedewerker: en als je dat niet wil, zijn er altijd nog voldoende gesubsidieerde film-, toneel- of andere projecten waar je in kunt rollen. In Amerika ligt dat totaal anders. Subsidie aan minderheden is daar nauwelijks gebruikelijk en de censuur op pers, radio en tv beperkt die mogelijkheden enorm. Zelfs striptekenaars, die hier door allerlei uitgevers en weekbladen met open armen worden ontvangen, moeten in de VS zelf met veel moeite in eigen beheer en via underground-distributiekanalen hun werk aan de man brengen. Eén tak van de industrie accepteert (noodgedwongen) langharigen: de platenindustrie. Ze is er zelfs deels van afhankelijk. Is het een wonder dat initiatiefrijke jongens juist deze opening in het systeem aangrepen om tot een groot publiek door te dringen? Nee, er waren nauwelijks andere mogelijkheden. Zappa zei het met zoveel woorden: ‘Ofwel je knipt je haar af en je gaat bij de televisie om daar te zien wat je kunt doen, ofwel je wordt rockmuzikant.’ In Nederland zitten ze bij diverse media op je te wachten om de keerzijden van hun advertentiepagina’s met ‘luxe-kopij’, columns en tekeningen te vullen en je mag je haar lang houden, want bijna iedereen is hier progressief en zelfs Jan Gerritsen heeft haar in zijn nek en draagt suède schoenen, als hij tenminste niet bij de koningin op bezoek hoeft.

Noordhoek concludeert: Tot nu toe zijn de groepen die de beste muziek voortbrachten meestal dié groepen geweest die er het beroerdst aan toe waren: de bluesneger, de poor whites van de blue-grass-countrymuziek, de geplaagde Amerikaanse langharigen, de Engelse achterbuurt-types.

Om even later met een politieke uitsmijter te komen: Zolang Kruisinga, Udink, Luns en De Jong het niet nog véél bonter maken, blijft de ‘sophisticated’ nederpop vermoedelijk slechts een charmant randverschijnsel.