Wim, pas op !

Wimme De Kort, de KVP-tussenpaus, fractieleider tussen Romme en Schmelzer, wist toch even geschiedenis te maken. ‘De gekste kabinetsformatie’ aller tijden staat op zijn naam. Zowel Kok als Brinkman kunnen wat opsteken van zijn geschiedenis.

KAMERVOORZITTER Wim Deetman memoreerde bij het overlijden van oud KVP- fractievoorzitter dr W.L.P.M. de Kort, vorig jaar mei, vooral aan een ‘sociaal voelend bestuurder met een warm hart’. De noodlottige pensioenaffaire bleef discreet onbesproken. De Kort had in 1976 - toen hij de politiek al lang had verlaten - als voorzitter van het pensioenfonds PGGM nogal het persoonlijke met het zakelijke vermengd bij een investeringsproject in de Franse Ardeche. Het pensioenfonds verloor er miljoenen aan, en De Kort kocht voor bijna een derde van de kostprijs grond om er een villa te bouwen. Een onafhankelijke commissie vond uiteindelijk geen grond voor strafrechtelijke vervolging, maar De Kort trok zich in december 1976 wel terug uit het pensioenfondsbestuur. Tot aan zijn dood op 2 mei vorig jaar - hij werd 83 jaar - leefde De Kort als monsieur le ministre teruggetrokken in zijn villa in Frankrijk. Vanuit Nederland ontving hij wel regelmatig post van Ruud Lubbers, die de oud KVP-fractieleider nu en dan om advies vroeg. Ruud Lubbers: 'De Kort schreef mij uitvoerige brieven over de Franse situatie.’
De Kort werd vooral herdacht als de man die het in juli 1961 aandurfde KVP-fractieleider Romme te vervangen, toen deze alweter in staatszaken, halfgod en inspirator van katholiek Nederland zich onverwacht terugtrok vanwege ziekte. 'Een korte bladvulling tussen Romme en Schmelzer’, typeerde de Volkskrant De Kort. Anderen vinden zijn rol in de KVP-geschiedenis zwaar onderschat. Oud- KVP-lid Cor Kleisterlee bijvoorbeeld: 'Hij heeft onze wagen aan het rijden gehouden. Hij heeft er misschien geen nieuw wiel onder gezet, maar hij heeft twee tijdvakken aan elkaar gelast.’
'Het is een mythe geworden, zo van: die knullige De Kort, een non-valeur. Dat is pertinent niet waar’, oordeelt emiritus hoogleraar dr. J.A. Bornewasser, werkend aan de alomvattende historie van de KVP. 'De Kort is er, zij het hakkelend, in geslaagd de KVP-fractie met haar onstuimige karakters bijeen te houden. De tegenstellingen tussen links en rechts binnen de KVP, die in de Nacht van Schmelzer de bom deden barsten, waren er ook al onder De Kort. Maar hij heeft die stromingen nog bij elkaar weten te houden.’
NA DE PANIEK over Romme’s afscheidsbriefje van 17 februari 1961 raakte de KVP- top langzaam weer bij zinnen. De fractie keurde inderhaast een aantal mogelijke troonopvolgers. Uiteindelijk kwam de rustige, welbespraakte Brabander 'Wimme’ De Kort het meest in aanmerking. Hij was fractiedeskundige sociale zekerheid. Norbert Schmelzer: 'Die achtergrond was toch doorslaggevend voor de KVP. Had De Kort verkeer en waterstaat gedaan, dan zou hij in de partij emotioneel niet dat draagvlak hebben gehad.’
Ook voor het onderhoud van de broze relatie met de PvdA was De Kort de aangewezen persoon. Oud PvdA-kamerlid C. Egas: 'De Kort stelde zich open voor PvdA-argumenten. Met De Kort kon je goed werken. En dat kon je in die tijd van weinig KVP'ers zeggen.’
De Kort besefte waarschijnlijk wel dat de KVP slechts een 'tussenpaus’ wenste. 'Er moest snel worden besloten’, zegt Kleisterlee. 'We zeiden: “Wim, toe, we steunen je. Doe het in het belang van de partij.” En daarom heeft hij het toen maar gedaan. Niet uit eigenbelang.’
Maar de opluchting in de KVP bleek van korte duur. In december 1963, na twee jaar fractievoorzitterschap, had De Kort de stromingen binnen de KVP weten te bedwingen, maar keerde de nieuwe KVP-consensus zich tegen hem: alles beter dan De Kort. 'Het was natuurlijk een onmogelijke taak: Romme kon je gewoon niet opvolgen’, zegt een KVP-kamerlid. 'Gezag he, daar ging het om. Niemand had dat toen. Ook De Kort niet.’
In de parlementaire geschiedschrijving wordt De Kort herinnerd als de wispelturige formateur in de kabinetsformatie van 1963. De Korts onderhandelingsmissie werd door PvdA-fractieleider Anne Vondeling knarsetandend 'de gekste kabinetsformatie aller tijden’ genoemd, 'een van de meest krasse staaltjes die ik sinds 1946 heb meegemaakt’. Daarover bestond grote eensgezindheid: 'zijn schutterende optreden’ (Schmelzer), zorgde voor 'een enigszins verwarrende informatiepoging’ (Jelle Zijlstra). 'Beschamend’, noemde VVD-onderhandelaar mr. E.H. Toxopeus het (en de VVD werd aanvankelijk nog wel coalitiepartner van de KVP); 'een geslaagd vaudeville-nummer’ van 'de gewichtloze Brabantse dorpsburgemeester’ (Jan Rogier), die zich in de laatste uren ontpopte als 'jokkende brokkenmaker’, volgens parlementair historicus dr. P.F. Maas.
De Korts politieke carriere begon veelbelovend. Na zijn studies sociale wetenschappen en thomistische wijsbegeerte in Leuven, werd hij in 1938 juridisch adviseur van de Rooms- Katholieke Politiebond. In de avonduren werkt hij aan zijn proefschrift, De arbeidsbemiddeling in Nederland, dat hem tot een autoriteit op het gebied van sociale verzekeringen zou maken. Voor het wiskundige deel van het proefschrift bleek zijn vrouw deels verantwoordelijk. Tijdens de roemruchte formatie van 1963 grapten parlementaire verslaggevers dat Jeanne Beljaars vast het hele proefschrift had geschreven.
In 1941 weigerde de promovendus een aangeboden betrekking bij het Utrechtse arbeidsbureau onder een NSB-directeur. Later, als hoofd van het arbeidsbureau in Tilburg, onderhield De Kort contacten met Brabantse verzetsgroepen, en was hij zeer creatief met administratieve malversaties. Tientallen mensen wist hij de Arbeitseinsatz te besparen wegens 'plotselinge suikerziekte’. Zijn sabotagepogingen werden echter ontdekt. Een Duitse officier dreigde hem met het concentratiekamp, en in augustus 1944 dook De Kort onder in een klooster, vermomd als kapelaan.
Na de bevrijding wees secretaris-generaal Van Rhijn van Sociale Zaken hem aan als 'reorganisator’ van de arbeidsbureaus in Noord-Nederland. In 1945 benoemde koningin Wilhelmina De Kort in het noodparlement, waar hij zich verder ontwikkelde tot fractiedeskundige sociale zekerheid. Zijn artikelen bleven altijd getuigen van thomistisch-filosofische bezonkenheid. De Kort was bovendien zeer gelovig: zijn beslissing om fractieleider te worden liet hij afhangen van het advies van zijn pastoor. 'Hij deed wat er van hem in de partij verlangd werd, dat was de sfeer toen’, zegt weduwe Beljaars. 'Die filosofische overdenkingen, die kwaliteit ontdekte men later pas. Hij liep daar niet mee te koop.’
Vakbondsbestuurder P.J. Mertens: 'De KVP-fractie was begenadigd met iemand die van sociale verzekeringen werkelijk verstand had. Hij was voor ons echt een aanspreekpunt. Maar De Kort heeft Gerard Veldkamp, de latere minister van Sociale Zaken, nooit kunnen overtreffen, die was werkelijk grootmeester op sociale zaken. Dat heeft hem gestoken.’
MET DE 'GEKSTE kabinetsformatie aller tijden’, in de zomer van 1963, verloor De Kort vrijwel alle aanzien in de KVP. Hij hield de PvdA'er Vondeling wekenlang aan het lijntje, om ten slotte toch voor de VVD te kiezen. Bornewasser: 'Hij heeft Vondeling niet bewust belazerd, hoewel hij hem verschrikkelijk in zijn hemd heeft gezet. Hij heeft het spel slecht gespeeld. Maar verlakkerij is het zeker niet geweest. Als het gaat om eerlijkheid in de politiek dan is De Kort zeker beter dan Romme en Schmelzer.’
Parlementair-historicus dr. P.F. Maas zei in Kabinetsformaties 1945-1973 dat de oorzaak van De Korts 'bokkesprongen’ intern lag. Zelfs na de verkiezingsoverwinning naar vijftig zetels, kreeg De Kort van de KVP-top louter gedoogsteun. Carl Romme, en niet de KVP-leider, deed de informatieronde voor een nieuw kabinet. Het illustere gezelschap van KVP-generaals toog daarop achter Romme’s rug om naar Soestdijk om Hare Majesteit ten stelligste te ontraden De Kort tot formateur te benoemen. KVP-voorman Joseph Beel schreef in zijn dagboek: 'De Kort mist naar mijn inzicht de gave om een formateurschap succesvol te kunnen beeindigen.’
Zo'n motie van wantrouwen kon de konin gin niet negeren. Juliana deelde De Kort het KVP-compromis mee: hij mocht formeren, maar minister-president zou hij niet worden. Romme’s informatiebesprekingen waren gericht op een coalitie met vijf partijen, maar VVD-leider Toxopeus brandde deze constructie voor de tv af. De keuze van KVP, CHU en AR tussen de VVD en de PvdA was daarmee betrekkelijk eenvoudig geworden. Maar De Kort begon tot ieders verbazing weer aan een 'brede-basiskabinet’. En dat terwijl zijn voorkeur voor de VVD in kleine kring bekend was, zo verzekeren oud-KVP-leden. 'Het was echt een beetje ridicuul’, zegt oud-AR-kamerlid Wim Aantjes. 'Hij hield iedereen in spanning, terwijl de zaak al lang was beslist. En de pers deed er sterk aan mee. Ze schreven niet: het is al lang bekeken, nee, die journalisten voerden de spanning mee op. Het was allemaal zo onwezenlijk.’
De Korts uiteindelijke keuze voor de VVD op maandagmorgen 25 juni 1963 leidde tot grote woede in de KVP-fractie. De Kort zei een beleidsmatige voortzetting van het kabinet-De Quay te willen - en dat terwijl PvdA- voorman Vondeling de KVP op allerlei punten tegemoet was gekomen. De groep rond Veldkamp was furieus over de schoffering van de PvdA. Verschillende KVP'ers - onder wie partijvoorzitter P.J.M. Aalberse, Cals en alle KVP-ministers op een na - wilden met een aparte verklaring hun onvrede publiek maken. Maar er was geen meerderheid voor te vinden. De KVP-fractie besloot de 'vuile was’ binnenskamers te houden.
Het werd nog erger, want de VVD accepteerde plotseling het regeringsprogram niet meer. Omdat het op de PVDA was toegesneden, aldus Toxopeus. Hij wilde wederom aanpassingen. Toxopeus kon dat eisen, omdat van de PvdA niets meer te duchten viel. De formateur werd uiteindelijk gemangeld door de partij van zijn keuze. Woensdagavond 27 juni stond De Kort op Soestdijk. Juliana stemde ermee in dat de KVP-leider werd ontheven van de formatie-opdracht. Maar zijn verklaring tegenover het Nederlandse volk was wederom ongeloofwaardig. De journalist F. Duynstee zei in Kabinetsformaties 1946-1965: 'Het summum werd wel bereikt toen De Kort 'savonds voor de televisie uiteenzette dat het geschil met de PvdA om geld ging.’
De teleurgestelde Brabander overhandigde zijn dossiers aan partijgenoot Beel, die inmiddels een formatie-opdracht van de koningin had ontvangen. Bij Beel thuis in Wassenaar volgden op 4 juli urenlange besprekingen tussen de fractieleiders. De Kort vertegenwoordigde de KVP. De VVD kwam uiteindelijk op zijn eisen terug, en het 'Akkoord van Wassenaar’ van die dag bezegelde ten slotte de prille eensgezindheid tussen KVP, CHU, AR en VVD.
Toen dreigde er alsnog een kink in de kabel te komen. De fractie ontdekte na afloop dat De Kort ten huize Beel consessies heeft gedaan, nota bene ten aanzien van zijn oude portefeuille: sociale zekerheid. Onacceptabel, zeker voor Veldkamp. Hij weigerde onder zulke voorwaarden in een nieuw kabinet zitting te nemen: 'Dan toch zonder mij.’ De Kort stond op instorten. 'Als ik dat er ook nog eens bijkrijg, treed ik af als fractievoorzitter’, zegt hij in Schmelzers biografie. Weer stuurde de fractie hem terug, om de KVP-eisen alsnog te laten opnemen. Hij moest diep door het stof, maar de andere fractieleiders accepteerden de wijzigingen. Eindelijk stond het nieuwe kabinet-Marijnen op de rails.
NA HET FORMATIEDEBACLE was er die zomer van 1963 nog geen rust in de KVP. De verwondering over de formatie sloeg om in onvrede. De voormalige backbencher, inmiddels leider van de grootste fractie, was onberekenbaar. En hij leed onmiskenbaar aan zelfoverschatting.
Aantjes: 'Ik zei bij zijn benoeming tot fractievoorzitter: “Nou Wim, gefeliciteerd, dat is een hele eervolle opgave.” En hij, ernstig: “Jaaahaa, en heeeel belangrijk.” Ik dacht: verdomme, wat is dat nou? Hij schoot ineens omhoog, groeide buiten zichzelf. Heeeel belangrijk. Ik dacht: Wim pas op! Een mens moet wel zijn grenzen kennen.’
'Mensen vergisten zich vaak in mijn vader’, concludeert Jacques de Kort. 'Hij oogde wat conservatief, maar was bijvoorbeeld voorstander van de pil, vergoed door het ziekenfonds. Dat zocht niemand achter hem.’
De Kort schiep bewust afstand, kende weinig echte politieke vrienden. Die houding wreekte zich in moeilijke uren. 'Andriessen en Romme, die bonden door hun persoonlijkheid; De Kort bond vanwege zijn intellect. Toen hij ondoordachte beslissingen nam, werd er aan dat intellect ronduit getwijfeld. Zijn gezag viel daarmee weg’, zegt een voormalig KVP-lid.
'De Kort is gewoon weggedrongen in de publiciteit’, concludeert historicus J. Bosmans. 'Zeker in het begin, toen partijvoorzitter Van Doorn alle aandacht naar zich toe trok. Die had overal een mening over. De Kort liet dat begaan. Hij snapte niet dat je je als leider moest manifesteren.’
De Kort leidde zijn fractie te midden van sterk wijzigende verhoudingen, vooral in de KVP-top. Het partijbestuur wilde meer invloed ten opzichte van de fractieleiding en de KVP-ministers, iets wat onder Romme al speelde. Bosmans: 'Ik heb grote twijfels over Romme’s ziekte als oorzaak van zijn aftreden. Die is hoogstens de aanleiding geweest. Er was een machtsstrijd gaande tussen partijvoorzitter Van Doorn en Romme. Toen Romme instortte, dacht hij: dit is een mooie gelegenheid om het veld te ruimen.’
Dit interne conflict zette zich onder De Kort voort. Er werd volop gestreden om de macht en De Kort bood daar de ruimte voor, in tegenstelling tot Romme. Prof. mr. J.Th.M. de Vreeze, oud-KVP-lid, zei kort voor zijn dood: 'De Kort was voor ons een verademing vergeleken bij Romme. Hij stond meer open voor ideeen. Dat viel niet makkelijk in een door Romme en andere senioren getekend tijdvak. Dat ging gisten.’
Partijvoorzitter Aalberse, die Van Doorn in 1962 opvolgde, probeerde De Kort meermalen te vervangen, uit naam van een teleurgestelde achterban. Partijbonzen probeerden het later zelfs met persoonlijke smeekbeden. De Kort weigerde resoluut. De historicus Bornewasser ziet in die halsstarrigheid juist partij trouw. 'Hij had het gevoel dat hij toen beter niet kon gaan. De Kort zei: “Ik voel een grote tegenstelling in de KVP.” En daarin had hij gelijk.’
Vijf maanden na zijn fatale formatiepoging trad De Kort op 7 december 1963 plotseling af. Wat De Kort uiteindelijk nekte, was een interne brief van het partijbestuur van eind november. Daarin kondigde Aalberse, nu namens het voltallige gezelschap, in klare bewoordingen aan dat de Brabander moet verdwijnen. De Kort zei thuis dat 'de mennekes’ het hem nu geflikt hadden. Enige weken voor zijn dood zei hij tegenover Bornewasser: 'Ik ben niet weggestookt door Cals, Veldkamp en Klompe, maar door de partijtop.’
Bornewasser: 'Ik geloof niet dat het Aalberse’s grootste grief was dat De Kort te machtig was, maar dat hij niet genoeg kracht bezat om de KVP nog in het land te verdedigen.’ De fractie koos daarop Schmelzer tot fractieleider, De Kort verdween in stilte.
Jacques de Kort: 'Nou, hij heeft het er moeilijk mee gehad, dat heb ik wel gemerkt. Maar mag het misschien? Ze hebben in de po litiek altijd de neiging het menselijke aspect te negeren. Zoiets is toch zeer menselijk als je merkt dat je het vertrouwen niet meer hebt.’
De Kort bleef wel fractielid. Maar de 54-jarige wierp zich steeds meer op zijn carriere buiten de politiek. In april 1966 werd hij voorzitter van de Ziekenfondsraad, kort daarop tevens voorzitter van het Pensioenfonds Katholieke Instellingen (later: PGGM). 'Dat was een combinatie van functies die niet iedereen in de fractie accepteerde, zelfs niet in die dagen’, weet Westerterp. 'Er is toen intern op aangedrongen dat hij moest kiezen.’
De Kort kondigde op 14 oktober 1966 aan uit de KVP-fractie te vertrekken. Naar later blijkt een wrang moment: de nacht van 13 op 14 oktober was de Nacht van Schmelzer, waarin het kabinet-Cals viel. De Kort was in die dagen overigens weinig gecharmeerd van zijn partij. 'Hij kon zich moeilijk verenigen met de wijze waarop de partij zich ontwikkelde’, zegt zoon Jacques. 'Hij zei vaak dat de KVP haar tijd had gehad. Hij was voor christelijke samenwerking, het latere CDA. Daar heeft hij het al veel eerder over gehad. Maar volgens mij was het vooral desillusie: omdat hij niet begreep waarom de KVP een andere weg insloeg.’
'Hij vond toch dat ze hem hadden laten vallen’, weet plaatsgenoot Tjerk Westerterp, die van 1965 tot 1971 De Korts collega-wethouder was. 'Dat bleek uiteindelijk ook op zijn begrafenis. Uit de landelijke politiek was er eigenlijk niemand. Ze hadden bijna allemaal verstek laten gaan.’