Windhandel

Nick Leeson was niet de eerste die geloofde in zijn eigen papieren illusies. De zeventiende-eeuwse tulpenbollenspeculanten wisten ook van wanten. Hoe men van papier goud maakt. En hoe daar stront van komt
OP 23 FEBRUARI 1995, twee dagen voor zijn achtentwintigste verjaardag, stond Nick Leeson om kwart over zes op, douchte en kleedde zich aan, kuste zijn vrouw Lisa en stapte in een taxi. Die bracht hem van zijn luxe-appartement in een buitenwijk van Singapore naar Raffles Place, het grote plein in het hart van het zakencentrum, en zette hem af voor de imposante glazen kolos van de effectenbeurs. Met zijn ietwat rossige uiterlijk en dure vrijetijdskleding kon Leeson gemakkelijk doorgaan voor een Britse toerist, maar achter de glazen pui van de Simex, zoals de beurs van Singapore officieel heet, heerste hij als een vorst over zijn eigen kleine uithoekje van het financiele universum.

Sinds 1992 werkte Leeson op de Simex als handelaar in termijncontracten voor de koninklijke Britse handelsbank Baring Brothers. Tevens had hij de leiding over de afdeling vereffening van de bank, die na elke beursdag de transacties afwikkelde en de uitstaande verplichtingen verrekende. Leeson werkte vrijwel op eigen gezag en had in twee jaar tijd zulke gigantische winsten geboekt dat zijn collega’s hem ‘de Michael Jordan van de beursvloer’ noemden. Hij had overigens volstrekt geen sterallures, hij was gewoon een van de geklofte jongens die de laatste jaren slim hadden ingespeeld op de nieuwe mogelijkheden van de opkomende Aziatische markten. Toch moet het zweet in zijn handen hebben gestaan toen hij die dag uit zijn taxi stapte, want zijn grootste vrees stond op het punt werkelijkheid te worden.
Volgens de Britse boulevardbladen, die achteraf zijn gangen tot in de kleinste details zijn nagegaan, gedroeg Leeson zich volkomen normaal. Hij betrad de beursvloer alsof er geen vuiltje aan de lucht was, groette links en rechts oude bekenden en dook met een kop koffie achter zijn monitor om zijn handelsposities en het laatste nieuws van Reuter door te nemen. Om vijf voor acht trok hij zijn zuurstokjasje aan en bij de bel van acht uur stond hij als altijd klaar in de hoek van de Nikkei-225, blakend van zelfvertrouwen.
Vierentwintig uur later was Leeson voortvluchtig. Nog eens vijf dagen later werd Baring Brothers failliet verklaard wegens een schuld van anderhalf miljard gulden, die Leeson in korte tijd op een geheime rekening had opgebouwd.
DE ONDERGANG VAN Barings veroorzaakte een kortstondige paniek in de Londense City, maar de grootste schok kwam met het besef dat de ontsporing van Leeson binnen de kleine kring van termijnhandelaren eigenlijk volstrekt normaal is. De meeste handelaren geven openlijk toe dat ze regelmatig liegen over hun transacties, al is het maar om hun zelfvertrouwen niet te ondergraven. De omvang van Leesons verlies was enkel buitensporig in verhouding tot het kapitaal van zijn opdrachtgevers - menige grotere bank heeft de afgelopen jaren soortgelijke verliezen van haar handelaren onder het vloerkleed geveegd om het vertrouwen van de clientele niet te verspelen. De beschuldiging dat Leeson met onbekende financiers zou hebben samengezworen tegen zijn eigen bank, zoals zijn hoogste baas Peter Baring aan de vooravond van het faillissement opperde, is volkomen uit de lucht gegrepen.
In een brief aan de Britse media smeekte Nick Leeson afgelopen zomer om begrip: 'Alles wat ik deed, deed ik in de hoop dat het uiteindelijk ten voordele van de bank zou zijn.’ En dat is waarschijnlijk nog waar ook. Nick Leeson was een stukadoorszoon uit een Londense arbeiderswijk, die via het bedrijf was opgeklommen en als handelaar gewoon zijn werk deed. Hoogstens dronk hij te veel en liet hij soms in een restaurant ter verhoging van de feestvreugde zijn broek zakken.
De journaliste Judith Rawnsley, die enige jaren bij Barings werkte en Nick Leeson daar persoonlijk leerde kennen, beschrijft hem in haar boek Blauw bloed, rode cijfers (1995) als een vrij onopvallende en op het oog volkomen betrouwbare collega: 'Een vriendelijke, nuchtere en bijna zachtmoedige vent, wiens luidruchtigheid als hij dronken was voornamelijk een overcompensatie leek voor zijn verlegenheid op andere momenten. Vergeleken met de beruchte opzichtigheid van sommige andere collega’s was hij ronduit alledaags. Zijn verlangen om het iedereen naar de zin te maken, is mogelijk de reden waarom hij ontspoorde. Hij scheen niet te beseffen dat de markt niet toelaat dat je iedereen te allen tijde een plezier doet.’
HET IS NIET de hoogmoed van Leeson, maar zijn verpletterende alledaagsheid die te denken geeft. Sinds de jaren tachtig wordt er in de hele wereld koortsachtig gehandeld in termijncontracten en andere zogeheten 'derivaten’, die hun naam ontlenen aan het feit dat zij zijn afgeleid van andere waardepapieren. Termijncontracten zijn oorspronkelijk bedoeld om de bezitter te vrijwaren van koers- en prijsrisico’s. Een termijncontract geeft het recht om een bepaald goed of aandeel op een vastgestelde datum tegen een vastgestelde prijs te kopen of te verkopen. De winst wordt behaald uit het verschil tussen de van tevoren vastgestelde prijs en de echte marktprijs op de afgesproken datum. Uiteraard is zo'n termijncontract zelf ook weer verhandelbaar. Onder het mom van risicoverzekering heeft de markt steeds exotischer derivaten voortgebracht, waarin banken en bedrijven wel moeten speculeren om hun marktpositie te behouden. De Amerikaanse journalist Gregory Millman schrijft in De Nieuwe geldwolven (1995) dat de banken zijn gedegradeerd tot 'mechanieken voor het overhevelen van risico’s in plaats van geld - risico’s die voortvloeien uit de grillige bewegingen van wisselkoersen, rentetarieven en hausses of baisses op de effentenbeurzen’.
Zo bezien was Leeson een radertje in een systeem dat financiele zekerheid zoekt in steeds grotere risico’s. De derivaten waarin hij handelde, behoren tot de riskantste ter wereld. De Nikkei-index is samengesteld uit 225 aandelen die vlak na de oorlog belangrijk waren, maar tegenwoordig niet meer. De koers van die aandelen is dus gemakkelijk te manipuleren. Een handelaar die de Nikkei-225 wil opdrijven, hoeft maar een bescheiden bedrag te investeren in een of ander incourant aandeel uit de jaren vijftig en de index schiet omhoog. Om het omgekeerde te bereiken, hoeft hij slechts een pakket vergelijkbare aandelen op de beursvloer te dumpen. Toch was Leesons astronomische schuld niet eens het gevolg van zulke manipulaties; de natuur was gewoon sterker dan de leer. Leeson speculeerde al enige maanden met succes op een stijging van de Nikkei-225, maar door de aardbeving in Kobe van 17 januari raakte de Nikkei in een vrije val en werden zijn posities van de ene dag op de andere onhoudbaar.
Neo-klassieke economen beweren dat alle economische vernieuwing gepaard gaat met vernietiging: de zogenaamde creatieve destructie. In die optiek verrichten antihelden als Leeson nuttig werk door het aftasten van de grenzen en mogelijkheden van financiele instrumenten, teneinde de investeringen in de wereld zo efficient mogelijk te verdelen.
Volgens de keynesiaan J. K. Galbraith doorlopen echter al die 'revolutionaire veranderingen’ in de geldsfeer dezelfde, voor spelbare cyclus. Reele goederen worden gebruikt als onderpand voor waardepapieren, waarvan de waarde vervolgens zo krankzinnig wordt opgedreven dat deze in geen relatie meer staat tot de onderliggende waarde. Op het hoogtepunt zijn alle handelaren ervan overtuigd dat hun winst niet toevallig of onverdiend is, maar volledig te danken aan hun zakelijk instinct. Als de zeepbel uit elkaar spat, zijn zij niet in staat om hun eigen aandeel in de mislukking onder ogen te zien en gaan ze op zoek naar een zondebok, waarna ze zich met dezelfde hoogmoed in het volgende avontuur storten. Het enige wat we van deze cyclus kunnen leren, aldus Galbraith, is dat de mensheid er niets van leert.
Is de drang om te speculeren dan een ongeneeslijke eigenschap van de homo sapiens? In ieder geval ontstond de speculatie in termijncontracten eerder dan het bankpapier, en wel in 1609 op de Amsterdamse beurs. Een teleurgestelde belegger in de VOC richtte in dat jaar het eerste baisse- consortium op, dat met vereende krachten speculeerde op een koersdaling van de aandelen VOC. Binnen twintig jaar bood de Amsterdamse beurs onderdak aan een florerende handel in termijncontracten op allerhande goederen die de verkopers doorgaans niet eens bezaten, om de eenvoudige reden dat de kopers ze niet wilden hebben. Een onbetwist hoogtepunt was de tulpenwindhandel van 1636-'37. Deze tulipomanie nam zulke vormen aan dat de achttiende- eeuwse Schotse journalist en massapsycholoog avant la lettre Charles Mackay er in zijn Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds (1841) nog een apart hoofdstuk wijdde, stomverbaasd als hij was over de 'unmerited encomia lavished upon these fragile blossoms’.
De tulp was in de zeventiende eeuw een gezochte bloem, en het was onder kwekers gebruikelijk om de bollen nog voor de rooitijd in de grond te verkopen. Zodra de eerste speculanten de mogelijkheden van deze termijnhandel ontdekten, was het hek van de dam. Binnen enkele maanden stroomden honderden mensen in herbergen in het hele land tezamen om tijdens rituele eet- en drinkgelagen grote hoeveelheden tulpenbollen en leveringscontracten te verhandelen.
Het duurde niet lang of de ontketende speculatiewoede begon het openbare leven te ontwrichten. In Overvloed en onbehagen (1987) beschrijft Simon Schama de hallucinatoire taferelen die zich in de goed-burgerlijke Lage Landen ontsponnen, vooral toen de betalingen steeds meer in natura werden gedaan: 'Waarschijnlijk was het een boer die voor een enkele Viceroy 2500 gulden betaalde, met twee lasten tarwe en vier lasten rogge, vier vette runderen, acht varkens, een dozijn schapen, twee okshoofden wijn, vier tonnen boter, duizend pond kaas, een bed, wat kleren en een zilveren beker. Aan de top van de speculantenmarkt werden opmerkelijke transacties gesloten, die allemaal zorgvuldig notarieel bekrachtigd werden. Een Semper Augustus werd gekocht voor 4600 gulden, een koets en een span appelschimmels (die zelf al ongeveer 2000 gulden waard waren). Grote stukken land, huizen, zilveren en gouden vaatwerk en kostbare meubels werden allemaal verhandeld bij de steeds koortsachtiger transacties.’
In 1636 sloeg de speculatie om in pure windhandel. De prijs van de contracten verdubbelde met de dag en voor de handelaren was het zaak een contract zo snel mogelijk door te verkopen: 'De omzetsnelheid werd bepaald door de vraag of de speculant dacht dat zijn contract nog zou aanslaan of dat hij zijn winst beter zo snel mogelijk kon incasseren. Dat laatste was niet altijd even eerlijk, want veel kopers deden een bod op voorwaarde dat ze later konden betalen, zodat de verkopers in wezen effecten verhandelden die ze nog niet bezaten en tegen prijzen die ze niet konden waarmaken. Niet alleen hun effecten, maar ook hun winst was “papier in de wind”.’ In februari 1637 stortte de handel ineen, daarbij geholpen door het Hof van Holland dat alle tulpentransacties met terugwerkende kracht ongeldig verklaarde. Dit besluit werd gevolgd door een langdurige opvoedkundige campagne van hogerhand, want de oligarchie was diep verontrust over de anarchistische krachten die de tulpenhandel had losgewoeld: 'Ze had het angstaanjagende schouwspel te zien gegeven van de massa’s die hun kuddeinstincten volgden zonder te worden ingetoomd door de wijze hand van orde en lering.’ Toch was het weer volop raak in 1720, toen in de Republiek tientallen maatschappijen werden opgericht naar het voorbeeld van de geruchtmakende Franse Mississippi Compagnie.
De Compagnie was het geesteskind van de John Law, de zoon van een rijke goudsmid uit Edinburgh, die reeds op school een buitengewone aanleg voor wiskunde aan de dag legde, alsmede een onweerstaanbare charme. Vanwege zijn fatterige verschijning werd hij door de dames bewonderend Beau Law genoemd. Na de dood van zijn vader trok het zeventienjarige rekenwonder naar Londen en verwierf zich al gauw in de hoogste kringen een geduchte reputatie als gokker en rokkenjager. Maar na zeven vette jaren liet het geluk hem in de steek. In een duel op het pistool met een getergde concurrent in de liefde had hij, zoals Mackay laconiek opmerkt, 'the ill fortune to shoot his antagonist dead upon the spot’. Hij was gedwongen om Engeland te ontvluchten.
NA LANGE omzwervingen over het vasteland, waarbij hij de effectenbeurzen in de Europese hoofdsteden bestudeerde, presenteerde hij aan het Franse hof een ongehoord plan: het omzetten van de Franse overheidsschuld in aandelen op toekomstige ondernemingen in de kolonien. Lodewijk XIV had hem ongewild een grote dienst bewezen door bij zijn dood een schuld van drie miljard goudponden achter te laten - een astronomisch tekort waarover de regent, de hertog van Orleans, zich het hoofd brak. In een gesprek ten paleize liet Law zich terloops ontvallen dat hij de Steen der Wijzen had ontdekt: 'Een manier om van papier goud te maken.’
Daar had de regent wel oren naar. Law kreeg toestemming om een staatsbank op te richten en waardevaste bankbiljetten uit te geven. Die biljetten waren al gauw meer waard dan goud en stelden Law in staat om het vervolg van zijn plan uit te werken: de oprichting van een Mississippi Compagnie die, in ruil voor de waardeloze schuldbewijzen van de Franse staat, aandelen uitgaf in toekomstige overzeese ondernemingen met een rendement van 120 procent. Hij zorgde ervoor dat de staatsbank op het juiste moment geld bijdrukte om de koers op te drijven. 'Zo werd een van de grootsts speculatiemanies uit de wereldgeschiedenis gelanceerd’, schrijft Millman: 'Aristocraten verdrongen elkaar op straat voor de deuren van de bank. De koers van het Mississippi-aandeel steeg van dag tot dag. Meer dan driehonderdduizend mensen uit de provincie togen naar Parijs en de stad beleefde gouden tijden.’
OOK IN LAWS HANDEN verkeerde een instrument dat bedoeld was om financiele zekerheid te scheppen, tenslotte in een zuiver speculatieobject. De lente van 1720 bracht de onvermijdelijke, totale ineenstorting van het Mississippi-aandeel en de in vesteerders vluchtten massaal in het goud en zilver. De hertog trachtte het tij te keren door dronkaards te ronselen en met houwelen over de schouders door Parijs te laten marcheren - zogenaamd op weg naar de goudmijnen van New Orleans - maar het mocht niet baten. Terwijl radeloze menigten door de hoofdstad joegen en de rechters draconische straffen oplegden aan ondergeschikte ambtenaren, wist Law ternauwernood aan de wraak van de gedupeerden te ontsnappen. Hij stierf enige jaren later, in bittere armoede, aan een geslachtsziekte.
Ogenschijnlijk ligt er een wereld van verschil tussen Nick Leeson en John Law, maar beiden waren handelaren in een papieren illusie waarin ze zelf tot op het laatst geloofden. Mackay noemt Law een tragische held, die zich verkeek op de grenzenloze goedgelovigheid van zijn medemensen. Dat was ook Leesons fatale zwakte, als we Rawnsley mogen geloven: 'Volgens mij was zijn verlangen tot het behagen van zijn klanten, medehandelaren en directeuren en zijn angst om hen te mishagen zo groot, dat hij zich op het belachelijke af inspande om te bereiken wat hij wilde. De metamorfose van Nick Leeson was niet specifiek voor hemzelf of voor de bij Barings geschapen omgeving. Die was symptomatisch voor een bepaald soort handelscultuur: een van individualisme, concurrentie en onzekerheid, waarin hebzucht en angst de voornaamste karakteristieken zijn.’
Wat kunnen we als buitenstaanders anders doen dan de handelaren in derivaten veel creativiteit toe te wensen bij hun georganiseerde zelfvernietiging, in de hoop dat deze cyclus de laatste zal zijn.