Klassieke muziek: Richard Ayres

Windkracht twaalf

© Martha Colburn

Richard Ayres schreef een liederencyclus over een ongelukkige man die in zijn tuin een gat naar de hel graaft en in een boom naar de hemel klimt, op zoek naar betekenis. Het op Hieronymus Bosch, Dante, films en meer geïnspireerde The Garden of No. 50 is een opdracht van London Sinfonietta en Asko|Schönberg, dat met de bas Joshua Bloom en dirigent Bas Wiegers in het Amsterdamse Muziekgebouw de Nederlandse première brengt. De beelden zijn van videokunstenares Martha Colburn.

Richard Ayres (1965) is een van de oorspronkelijkste componisten van het land. Eind jaren tachtig ontvluchtte hij het Engeland van Thatcher om in Den Haag bij Louis Andriessen te studeren, en bleef hier. In 1997 sprak ik hem in Den Haag op aandringen van een collega-componist die had gezegd: hij is de gekste van ons allemaal. Zo sprak hij ook: een true original. Hij vertelde over zijn leven, zijn jeugd in Cornwall als zoon van een timmerman en trombonist in een big band; over zijn belevenissen als half dakloze straatmuzikant in Londen, zijn muziekstudie in Huddersfield en zijn ontmoetingen met Andriessen en Morton Feldman, die voorbeelden werden. Van Andriessen erfde hij een ‘praktische, empirische kijk op de muziek’ en van zichzelf een mateloze hang naar vrijheid in zijn omgang met tradities. ‘Ik ben een anarchist die gelooft dat regels en conventies alleen zijn uitgevonden om mensen in staat te stellen zich aan hun morele verplichtingen te onttrekken.’

Daarna raakte ik hem een beetje kwijt, terwijl hij zoveel schreef, vaak voor buitenlandse opdrachtgevers als de Donaueschinger Musiktage en de bbc. Twee opera’s, The Cricket Recovers (Aldeburgh, 2005) en Peter Pan (2013) voor de opera van Stuttgart en de Komische Oper Berlin. Tumultueuze orkestwerken waarin verdriet en vrolijkheid onmogelijk lichtvoetig convergeren, want nergens gaan die uitersten zo samen als bij hem. De anticoncerten, die hij Noncertos noemt, voor cello, hobo, hoorn, trompet en trombone; tragische parodieën, satirische tragedies. In zijn extatische onberekenbaarheid doet Ayres het meest denken aan Janácek, maar dan met humor. En aan Ives, een andere Ives met de software van honderd jaar later, een metaverzamelaar. Zoals hij al in 1997 zei: ‘Vooruitgang is volgens mij het heruitvinden van tradities.’ Hij zuigt ze met een scheef oor op en spuugt ze ‘half-remembered’ met windkracht twaalf weer uit. ‘Ik laat dingen toe die anderen waarschijnlijk zouden weglaten. Sommige componisten proberen humor en verdriet uit hun muziek te filteren. Ik denk dat ik op een bepaald moment besloot muziek en leven niet te scheiden.’


The Garden, 13 september in het Muziekgebouw in Amsterdam; muziekgebouw.nl