Groen

Windsingel

Op zondag 13 december spitte ik samen met mijn broertje, zijn vrouw en hun twee kinderen ongeveer zestig boompjes en struiken uit een bosje bij een bungalowpark in Sint Maartenszee. Dat dorp ligt tegen de duinen aan, de grond is er dus zanderig, en los. Het waren voornamelijk esdoorns, berken, hulsten en vlieren, en een paar witte kornoeljes en veldiepen. Geen elzen, dat was jammer, want een els is een goeie windsingelboom. Ik moest - en wilde - helpen omdat ik de enige ben die in de winter bomen kan herkennen. Toen we klaar waren, spitten we bij een andere broer nog wat essen uit de grond en bij mijn vader haalden we een paar aucuba’s. We laadden alles op een grote kar en ’s middags pootten we al dat plantmateriaal in een L-vorm op het landje achter het huis van mijn broertje. De buurman keek steels om de hoek van zijn huis, zag in gedachten het vrije uitzicht naar het westen verloren gaan.
Die bomen en struiken hadden heel wat te verduren, van rulle zandgrond naar vette klei. Het was een lange werkdag: we begonnen om half tien en om vijf uur, het was vrijwel donker, hadden we alles er in staan. Overal een flinke plens water bij en daarna aan het bier en patat met frikadellen. Die nacht begon het te vriezen en later ook nog te sneeuwen. Dat dooide weer weg, waarna het opnieuw begon te vriezen en te sneeuwen. ‘We hebben niet goed nagedacht’, zei ik tegen mijn broertje met de Kerst. 'We hadden beter naar het weerbericht moeten luisteren.’ Mijn vader denkt dat het wel goed zal komen en broertje denkt dat minstens de helft het gaat overleven. We zullen het pas ergens in mei weten. De ellende is dat ik me verantwoordelijk voel, want ik ben de bomenman. 'Zeur niet’, zegt broertje. 'Die bomen kostten niets en als het mislukt, gaan we gewoon terug en spitten we er nog eens vijftig uit.’ Dat is dan weer het fijne aan broertjes uit West-Friesland. Zelf zie ik uit naar nog zo'n dag werk. Niets aan de hand dus.