Albert Cuyp (1620-1691) heeft, alleen al door die markt in Amsterdam, een beroemde naam, en toch was hij tot ver in de achttiende eeuw alleen bekend in Dordrecht, zijn geboorteplaats. Daar woonde en werkte hij zijn leven lang. Er is weinig over hem bekend; hij was de zoon van een schilder, toen hij in 1658 trouwde met een goede partij nam zijn productie sterk af. Tot zijn 25ste was zijn werk nog vrij gevarieerd, maar zo rond 1645, na de terugkeer van Jan Both uit Italië, kreeg Cuyp greep op stijl en onderwerp. Hij beperkte zich tot landschappen met vee en tot schepen op het water met Dordrecht en omgeving op de achtergrond. Die schilderijen baadden in een opvallend helder licht, niet Italiaans, maar ook weer niet helemaal Nederlands.

Het zijn overrompelend mooie schilderijen. Je denkt ze te kennen, maar dat is niet zo: hoe in De veerboot (1650) een grote veerschuit de vrijwel windstille haven binnenglijdt terwijl het zeil gestreken wordt, een lijntje wordt uitgeworpen; hoe de massieve zwarte bulk van het schip midden in de voorstelling zachtjes wordt opgetild door de lichtreflecties in het gladde water; hoe er op de achterplecht één man in een helderrode jas staat; hoe daarboven los geschilderd een enorme wolkenmassa zweeft: het is weloverwogen kalmte, en tegelijkertijd vol beweging. Het ene element is iets prominenter dan het andere, maar niets dringt zich op. Je beseft pas na enige tijd hoe Cuyp je met dat alles een enorme klaarheldere ruimte heeft binnengebracht, die geheel bestaat uit licht en reflectie van licht.

In Dordrecht wordt Cuyps werk gepaard aan Britse schilders die volkomen door Cuyp betoverd raakten: Gainsborough, Constable, Turner, Callcott en nog een paar. Vanaf het midden van de achttiende eeuw ontstond er in Engeland een hype rond Nederlandse landschapsschilderkunst en voor Cuyp werden krankzinnige prijzen betaald. Turner reisde speciaal naar Dordt om te zien waar hij het allemaal vandaan had.

Het is een werkelijk voortreffelijke tentoonstelling, niet in de laatste plaats omdat het Dordrechts Museum midden in de corona-perikelen een hele serie absolute topwerken heeft binnengehaald, die het mogelijk maken om de vergelijking met die Engelse bewonderaars te kunnen maken. Vaak nemen zij motieven over, koeien, herders, schuiten; soms kiezen ze dezelfde brede, lage compositie, waarin ochtend- of avondlicht van links naar rechts de ruimte doorstraalt, en soms ook – bij Turner, leek mij – probeert de kunstenaar in het samenspel van al die elementen een vergelijkbaar gevoel van beheerste dynamiek, grootse rust en magische ruimte te creëren. Zo’n zeventig procent van alle bekende Cuyps werd ooit naar Engeland verscheept. Zoals Nederlanders het rivierenland denken te zien door de ogen van Ruisdael, zo kun je vermoeden dat de populariteit van Cuyp samenhangt met de Britse liefde voor de landschapstuin, die ook in de achttiende eeuw ontstond en waarin banale elementen als een stel rustig kauwende koeien opeens een schilderachtige, opbeurende, waardige hoofdrol krijgen.

In het licht van Cuyp, Dordrechts Museum, t/m 6 maart; dordrechtsmuseum.nl