Windstreken van het innerlijk

In een nieuwe biografie van Louis Couperus zijn ideeën belangrijker dan data. Is het wel een biografie? Onderhoudend en ambitieus is het in elk geval.

Medium 23465
Louis Couperus en zijn echtgenote in 1923 © Spaarnestad / HH

Obesitas is biografieziekte nummer één. De uitgaven in dit populaire genre zijn al jarenlang zo dik, en vaak meerdelig, dat 958 pagina’s voor het leven van Louis Couperus (1863-1923) lang niet zo buitenissig zijn als sommige critici wel mopperden. Ik heb daar minder problemen mee. Afgezien, uiteraard, van zulke critici zijn er geen geestelijk gezonde lezers die zo’n boek integraal van kaft tot kaft doorvorsen. De biografie, die toch altijd ergens het midden tussen levensverhaal en naslagwerk houdt, lees je zoals je een stad bezichtigt: nu eens loop je dat museum binnen, dan weer dit café; je blijft langer rondhangen bij kerkjes die je boeien, bewaart andere monumenten voor een later bezoek, en zo krijg je een heel aardig beeld. Niet volledig, maar wel eigenhandig op maat gemaakt.

Van een biograaf verlang je in de allereerste plaats dat hij een gids is. En van een gids verlang je dat hij veel weet en dat hij er onderhoudend over vertelt. Rémon van Gemeren slaagt daarin, laat dat meteen gezegd zijn.

De metafoor van de stadsbezichtiging is misschien ook wel ingegeven door de opbouw van Couperus: Een leven. Vier delen leiden langs alle windstreken van Couperus’ leven. ‘Van oost naar west’ beschrijft de jeugdige en jongvolwassen Couperus, die opgroeit in Den Haag, rond z’n tiende naar Indië verhuist en vijf jaar later terugkeert. In het tweede deel, ‘Van noord naar zuid’, draait het om de reizen naar Frankrijk en Italië, en zo reizen we in deel drie terug ‘Van zuid naar noord’ en in vier ‘Van west naar oost’, met de grote Azië-reizen begin jaren twintig, aan het eind van Couperus’ leven.

Die windstreken zijn voor Louis Couperus veel meer dan locaties: Indië en Italië zijn geestesgesteldheden, die het mysterieuze en het zinnelijke vertegenwoordigen, het exotische en het klassieke. Zijn vroege tienerjaren in Indië maakte Den Haag tot een doodsaai decor, en alleen de Italiaanse literatuur – te beginnen met Petrarca – kon zijn levenslust weer wekken.

Van Gemeren is duidelijk aangestoken door de stijl van zijn studieobject, zoals blijkt uit een exemplarische zin als deze: ‘Petrarca was in zijn leven, zo mag de conclusie zijn, de eerste die was wat hijzelf wilde zijn, intellectueel en menselijk tegelijk, én wat hijzelf reeds was, iemand die zich als jongeman, in verzet tegen de wens van zijn vader, overgaf aan literatuur, graag zong, niet om politiek gaf, zich exquis kleedde, zich terugtrok in zijn kamer, zich liet meevoeren in melancholie, en de liefde – in concreto de in zijn poëzie verheerlijkte Laura – tot iets ongenaakbaar moois verhief.’

Veel nieuwe feiten of documenten heeft deze biograaf niet gevonden. Hij bouwt zijn portret voornamelijk op uit wat voorgangers over hem opdiepten (Frédéric Bastet was dertig jaar geleden de laatste) en uit de brieven die sindsdien zijn opgedoken, met name de recent door H.T.M. van Vliet gebundelde correspondentie.

Verrassend daaruit zijn de brieven aan uitgever Veen, met name in de tijd dat Couperus nauwelijks meer verkocht en op zoek ging naar een groter publiek. Kon Veen geen goedkoper papier vinden voor zijn feuilletons, ‘laat mij ronduit zeggen als spoorweglektuur? Ik zie in het buitenland soms zulke bundeltjes, netjes en goedkoop, aan de kiosken liggen.’

Kon Veen geen goedkoper papier vinden voor zijn feuilletons, ‘laat mij ronduit zeggen als spoorweglektuur?’

Helaas hebben Couperus en zijn echtgenote veel materiaal vernietigd. Bastet is wel verweten dat hij daarom te veel zijn toevlucht nam naar het werk van Couperus, en Van Gemeren, die erg uitvoerig stilstaat bij alle werken, kreeg hetzelfde verwijt, maar in zijn geval is dat minder terecht.

Couperus: Een leven is namelijk geen klassieke biografie, geen levensbeschrijving van data en feiten, het is iets anders: het beschrijft de levensloop van Couperus’ denkwereld. Gaat het over de roman Noodlot, dan staat hij bijvoorbeeld uitvoerig stil bij de plaats van de burger versus de kunstenaar in het fin de siècle, bij de visies in die tijd op spiritisme, op melancholie. Daar lijkt iets oeverloos in te zitten. Moeten we hier echt horen hoe achtereenvolgens Nietzsche, Mann, Hesse en Kafka over kunst en werkelijkheid dachten? Moeten we werkelijk bij ieder werk álle recensies samengevat krijgen? Misschien niet nee, maar door de heldere structuur raak je de weg niet kwijt. Je kunt rustig uit de groep weglopen en de gids door laten oreren, want je weet exact waar je dadelijk weer kunt aanhaken.

Binnen de ambitie van Van Gemeren klopt het wat hij doet. Omdat het meer een intellectuele dan een anekdotische biografie is, meer over ideeën gaat dan over data, is het natuurlijk niet zo gek dat hij de grondstoffen voor een groot deel uit Couperus’ eigen oeuvre opdelft. Deze biografie zet die werken in het licht van de geestelijke metamorfosen en evoluties van hun auteur, die het eigenlijke onderwerp van dit boek zijn. De auteur rechtvaardigt dit zo: ‘[Couperus] had veel gevoelens, maar die werden dikwijls sterker opgewekt, ze waren dieper, wanneer hij zich iets inbeeldde dan wanneer hij in het dagelijks leven onder de mensen was. De werkelijkheid spoorde vanzelfsprekend zijn verbeelding aan, en de daden die hierin plaatsvonden, beleefde hij intenser dan “echte” daden.’

De ‘echte’ wereld interesseert ook Van Gemeren duidelijk minder. Ik aarzel zelfs of je dit wel een biografie moet noemen en niet eerder een literair-historische studie. Zodra het over precaire biografische feiten gaat – zijn homoseksualiteit bijvoorbeeld – neemt ook ineens het aantal vraagzinnen toe en trekt er een dikke mist op, zoals over zijn vermeende affaire met ene ‘Guilio’ in de zomer van 1906. ‘Was Guilio een “verre vreugde”, een onbereikbare man die hij eens wilde bereiken? Was Couperus verliefd op deze Italiaan? Waarom schreef hij anders dat je alleen in de eerste vlaag van verliefdheid Bagni di Lucca zou kunnen waarderen?’

Deze biograaf is niet de man van de stelligheid, maar wel van het academisch-diplomatiek indekken. Dus schrijft hij niet: ‘De negentiende eeuw was de eeuw van de melancholie.’ Maar wel: ‘Wie zich verdiept in de West-Europese negentiende-eeuwse cultuur, in haar kunst, haar geschiedenis, haar mensen, zou kunnen denken dat het de eeuw van de melancholie was.’

Misschien. Mogelijk. Zou het kunnen dat? Was Couperus iemand die? Wilde hij dit? Telkens als zo’n vraag is opgeworpen volgt er een schouderophaling: hoe dan ook… hoe het ook zij… in elk geval denkt Hugo Aylva, de held uit Metamorfoze, er zo en zo over.

Iets meer lef en trefzekerheid hadden dit boek niet misstaan. Je moet haast tussen de regels door ontdekken dat er interessante kanttekeningen worden gezet bij het gangbare beeld van Couperus als naturalist en als dandy. Maar dat neemt allerminst weg dat we hier te maken hebben met een grondige en geanimeerde reisgids langs de windstreken van Couperus’ innerlijk.

Naar verluidt werkt ook briefbezorger H.T.M. van Vliet aan een Couperus-biografie en komt dit boek daar onverwachts tussendoor. Mij lijkt dat dit boek geen concurrentie of vervanging voor is, omdat het een ander oogmerk heeft.

Rémon van Gemeren is, zoals voor vrijwel iedereen, ook voor mij een volstrekt onbekende. Ik lees dat hij eind dertig is, en leraar op een gymnasium. Hij schreef dit werk dus in zijn vrije tijd, als liefhebber. Iemand die zo’n groot project tot zo’n al met al toch echt wel geslaagd resultaat weet te brengen verdient het om beoordeeld te worden naar de intenties van het boek zelf. Ik stel me voor dat hij zo’n overenthousiaste, bevlogen leraar Nederlands is, zo iemand die eindeloos kan blijven doorvertellen en bij wie een enkeling graag nog even na de les blijft napraten. Als ik bij hem in de klas zat, was ik zo’n enkeling.