Winnaar van de C. Buddingh’-prijs / Tijdschriften (3)

Lieke Marsman is de winnaar van de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van 2011, met haar bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud. Een terechte keuze voor wat betreft de belofte die uit haar werk spreekt. De vraag is natuurlijk wel of het literaire bestel nog voldoende fundament vindt om talent verder te ondersteunen. Te midden van alle onrust over het voortbestaan van literaire tijdschriften publiceert Parmentier eindelijk weer eens een nummer zonder thema, met daarin een mooie waaier aan vertaalde poëzie.

Medium lieke

Literaire prijzen worden wel eens vergeleken met loterijen. Of dat opgaat weet ik niet. Liever gebruik ik de metafoor van dobbelstenen waarbij de juryleden ieder een punt van de rollende steen vertegenwoordigen. Het zwaarste punt bepaalt de richting waarin de steen rolt, niet de kant waarop het nummer zichtbaar wordt. Het element van toeval zit eerder in het jaar van verschijnen en de samenstelling van de jury dan in de uiteindelijke besluitvorming.

Prijzen zijn steeds meer een richtlijn geworden, al is het maar in de keuze van wat te vermelden. Er zijn meer dichters en de ruimte voor recensies is beslist niet groter. Er bestaan boekenbijlagen die eerder over de ontvangst van een prijs rapporteren dan over de inhoud van een boek.

Uitgeverij Querido publiceerde afgelopen jaar _Melktanden _ van beeldend kunstenaar Martijn den Ouden enIk ben mogelijk van performer Maud Vanhauwaert - twee debuten in het overvolle fonds dat juist enkele jaren zijn stuwmeer voor meer houtblokken gesloten hield. Ik mis de twee bij de nominaties van de Buddingh’-prijs. Wel zijn ze beide uitgeroepen tot de clubkeuze van de Poëzieclub, wat betekent dat in één keer een eerste druk uitverkocht is. Je kunt je volgens de koopmansgeest van deze tijd afvragen wat meer waard is.

Lieke Marsman won van de klassiek-lyrische bundel Meisje dat ik nog moet van Y.M. Dangre, die de voorkeur genoot van Piet Gerbrandy. Ze won van ik en mijn mensen van Dennis Gaens en Als Mozes had doorgevraagd van Marjolijn van Heemstra, die met behulp van een zwik BN'ers als online bundel te beluisteren valt. Lieke Marsman debuteerde in het tijdschrift Tirade. Ze bewandelde de klassieke weg en belandde bij de uitgever van dat tijdschrift. Er is een verschil tussen de tijdschriftpublicaties en de bundel. Het lijkt alsof Marsman iets persoonlijker en spontaner heeft willen schrijven dan hoe ze aanvankelijk begon. Haar introspectie is wat afstandelijk, wel is ze duidelijk de debutant die het meest in haar mars heeft. Wat in haar werk aanspreekt, is een koppeling van ernst en eigenwijsheid.

Dit blijven bij herlezing sterke regels: ‘Ik zal zo hard zingen/ dat het mos ontdooit.// Ik zal zo hard zingen/ dat de berg smelt.// Ik zal zo hard zingen/ dat er weer paarden kunnen verdrinken/ in het moeras aan mijn voeten.’

De vraag is natuurlijk hoe lang die klassieke weg nog blijft ​bestaan. Tirade is het tijdschrift dat in Nederland misschien nog het gelukkigste huwelijk met zijn eigen uitgeverij heeft. De redactie maakt met het blad een redelijk geloofwaardige koppeling tussen literaire traditie en verjonging. Literatuur pur sang hoeft niet per se muf te zijn, zoveel tonen ze met het blad wel aan. Op internet werken ze met een maandelijkse blogger. In juni is dat Alfred Schaffer, die zich als prozaïst bekwaamt door over zijn leven in Zuid-Afrika te berichten, zijn wandelingen, hardlopen, ontmoetingen, en daar telkens een gedicht bij aanhaalt, zoals van Nuno Judice, Een zee omgeeft de wereld van wie eenzaam is.

Internet is de nieuwe markt voor het tijdschrift, dicteert de overheid. Toch kunnen literaire tijdschriften niet zomaar online. Ook het gedegen blad De Gids maakt voor internet een vertaalslag . De Gids haalde beeldend kunstenaar Dirk Vis aan boord, die bewegende beelden maakte van gedichten van K. Michel.

Het zijn een paar druppels in de gigantische, onoverzichtelijke poel die internet is. Als de literaire tijdschriften een functie hebben is het bijzondere bijdragen te filteren uit de stapels. Veel blogs zijn gemaakt en gevuld door auteurs die zijn afgewezen door uitgevers en tijdschriften. En dat geeft natuurlijk de nodige ellende.

Daarbij is de toepassing van digitale technieken vaak niet voor herhaling vatbaar. In 1991 - ja, dat is in internettermen een eeuwigheid geleden - maakte de Vlaamse performer Didi de Paris twee edities van Braindrain Disk Magazine. Het betrof een floppy disk, zo'n kleine en niet zo'n flexibele, met nieuwe teksten, ook van Franstalige dichters, uit België. Daarbij bevatte de diskette een vertaling van een tekst van Raymond Queneau waarin je toen nog met de pijltjestoets en zonder muis kon kiezen tussen twee opties hoe het verhaal verder liep. Je moest dan keihard op enter rammen om de floppy verder te doen ratelen naar de volgende pagina. Het was voor Queneau een compleet logische en toepasselijke weergave, en voor een keer leuk, maar een tweede keer op die manier de tekst doorgaan, dat deed je niet. En iedere keer dat ik zo'n experiment op internet zie denk ik: dat heeft Didi al gedaan.

Een literair tijdschrift dat zijn eigen koers vaart en eerder bij de Vlaamse dan de Nederlandse bladen aansluit, is Parmentier. Het is niet aangesloten bij een uitgeverij en wordt door een eenmansredactie gemaakt: Arnoud van Adrichem. Ik heb me lang afgevraagd waarom hij niet inhoudelijke medewerkers als Frank Keizer en Han van der Vegt in zijn redactie uitnodigt. Waarschijnlijk maakt zijn eenmansbedrijf hem wendbaar. Parmentier heeft altijd uitgesproken thema’s als ‘groene stroom’, ‘jobrotation’ of ‘Pecunia’, waarbij je je afvraagt hoe je er in hemelsnaam een literaire invulling aan zou kunnen geven. Tegelijk lukt het Van Adrichem om naast academici een aantal goede dichters aan het blad te verbinden, zoals Paul Bogaert, Peter van Lier en B. Zwaal.

Het nieuwe nummer bevat geen thema en dat is eigenlijk heel goed. Het blijft niet louter binnen de traditie van de Language Poets, zoals in de laatste jaargangen dikwijls het geval was. Uit Amerika is er Peter Gizzi, die op bezoek in Delft ‘kinderen in onhandige jasjes’ waarneemt. Er is een gedicht van hem in de vorm van een brief of een monoloog, Vincent, met heimwee naar het land der beelden. Er zijn gedichten van Jack Spicer. Het nummer opent met notities van de Fransman Claude Royet-Journoud, van wie ik bij elk bezoek aan Parijs een bundel koop. En er zijn mooie regels over schoenen van Nathalie Quintane, in vertaling van Kiki Coumans:

In etalages zijn de veters van schoenen dichtgeknoopt.

In de doos worden schoenen beschermd door een dubbelgevouwen velletje zijdepapier.

In elke schoen zit een etiketje van de fabrikant dat soms verschuift, zonder los te laten.

In de doos liggen schoenen kop aan staart.

(…)

Een gewone schoen kan zo diep zijn als een hoed.

(…)

Als je een schoen op de grond zet, gaat het andere uiteinde van de schoen lichtjes omhoog en tekent zelfs een klein schaduwtje in de vorm van een halve maan.

Parmentier, jaargang 20, nummer 2. www.literairtijdschriftparmentier.nl