Grote en kleine woorden

Winnaar VSB-Poëzieprijs

Mark Boog

De encyclopedie van de grote woorden

Cossee, 70 blz., € 16,90

Medium dichtergeluk

Wie een bundel aflevert die De encyclopedie van de grote woorden heet, suggereert dat hij een overzicht heeft. Het doet denken aan pogingen van wetenschappers die in een enkele studie de wereld in kaart brengen. Zoals in een Engels werk uit 1885 dat General Botany heet waarvan de eerste zin luidt: «All objects to be found in the world are either artificial or natural.» Tegen een dergelijke uitspraak is weinig in te brengen. Het is de toon van iemand die de indruk wil wekken vanuit een grote wijsheid te spreken. Het is een toon die Mark Boog ook aanslaat, maar die in zijn geval getuigt van ironie en zelfspot. Uit de inhoud van de gedichten blijkt ondanks een kalme blik op de wereld die naar wijsheid neigt maar al te vaak dat hij geen idee heeft van waarom de dingen gaan zoals ze gaan.

Bij het lezen van De encyclopedie van de grote woorden kun je misschien iets meer te weten komen over de mechanismen en motieven van en rond begrippen als liefde, eenzaamheid en natuur, maar de lezer leert toch vooral de dichter kennen. Uit de formele taal staat een persoonlijkheid op met een visie op het bestaan.

De visie die aan deze gedichten ten grondslag ligt is: het is niets in de wereld en het zal nooit iets worden. Wel is er afleiding mogelijk en hebben we te maken met onze gedachten die een wereld vormen op zich. Er is iets als troost te vinden in bijzondere ogenblikken en schoonheid in onverwachte vormen:

Geluk

Het geluk is overkomelijk. Men plaatst het

in een vitrine en gaat aan het werk.

Wie ernaar vraagt krijgt het te zien,

onder weloverwogen commentaar.

De taal van Mark Boog is er een van volledige, zorgvuldige zinnen. Hij zoekt niet in de taal zelf een ontsporing maar gebruikt deze juist als houvast, als instrument om een losgeslagen werkelijkheid in beeld te brengen. Hij geeft de lezer de kans deze wereld in te stappen en met hem te beleven.

Door afbrekingen en nauwkeurig gekozen woorden kan ondanks de heldere taal die Mark Boog gebruikt vervreemding ontstaan. Zoals in de eerste regel, waarin geluk wordt geplaatst als een idee in een groter kader, totdat het in de tweede regel als een waardevol object in een vitrine terechtkomt.

Het is gebruikelijk om ’s avonds achterover

te zitten en het geluk, zoals dat beschaafd

verlicht tentoongesteld staat, te beschouwen.

Men stoot de deelgenoot erover aan.

Die knikt of zegt heel zachtjes: «Ja.»

In hoeverre het geluk ons bepaalt

is niet eens een vraag: totaal. Wij zijn niets

dan ons geluk, en het geluk is waar wij zijn.

Slechts tijdens het afnemen van de glasplaat

slaan we soms de ogen neer. De vochtige

doek hangt slap in onze handen. Zo mooi.

De dichter presenteert geluk als iets dat overkomelijk is. Maar hij erkent ook dat er niet aan te ontkomen is: wij bestaan uit geluk, of het anticiperen erop. Hij schetst met het paar dat een geluksmoment deelt een algemeen beeld van hoe passief mensen zijn, of onmachtig het geluk af te dwingen. Geluk is iets op afstand. Een hoofd in een lijst, een zee op een ansichtkaart.

We kunnen eigenlijk niets anders dan deze beelden in stand houden. Ze schoonhouden en oppoetsen. In het gedicht wordt de vitrine waar geluk in uitgestald ligt afgestoft met een vochtige doek. De dichter laat in het midden waar de verzuchting «zo mooi» voor is bedoeld: voor het geïsoleerde stuk geluk onder de glasplaat of voor de doek die slap in de handen hangt.

De term «grote woorden» zou een kind kunnen kiezen voor woorden van meer dan twee lettergrepen. Maar voor een dichter zijn het de woorden waarvoor hij wordt gewaarschuwd, als het al niet door zichzelf is – «gebruik niet te grote woorden!» – dan wel door zijn redacteur, recensenten of meelezende vrienden.

Sinds de Vijftigers met de «grote» woorden hebben afgerekend, is het een stilzwijgende afspraak dat een dichter niet zonder ironie woorden als «liefde», «eenzaamheid» en «eeuwigheid» gebruikt. De Vijftigers brachten nieuwe grote woorden. Ze waren wellicht niet groot bedoeld, maar als je de grootste meubels uit je kamer verwijdert, is er vanzelf een nieuwe verzameling grote objecten. Kouwenaar bracht ons bijvoorbeeld «brood» en «steen», en Lucebert bracht «ik». Ook deze woorden gonzen inmiddels van een reputatie en kunnen, door epigonen gemakzuchtig gebruikt, net zo hol of «groot» klinken als «liefde» in de mond van een dichter zonder ironie.

Mark Boog moet hebben gezien hoe langzaam maar zeker alle meubels buiten zijn gezet. «Eeuwigheid» en «inspiratie» stonden al naast de staartklok en de boekenkast op de stoep. En ook «tafel», «brood» en zelfs «ik» stonden al in de gang, klaar om bij het grofvuil te worden gezet. Het was leeg in de kamer, en de dichter besloot alle woorden te heroverwegen. Het getuigt niet alleen van liefde voor de taal, maar ook van een onderzoekende en moedige geest, die zich niet door anderen laat vertellen welke woorden hij wel en welke woorden hij niet tot zijn beschikking zou mogen hebben.

De grote en de kleine woorden zijn het wapen van de dichter. Met dat wapen toont hij de binnenkant van een hoofd dat zich voortdurend naar buiten richt.

Dit is een bewerking van de laudatio die bij de uitreiking van de VSB-Poëzieprijs op 28 april werd uitgesproken