‘De oorlog verdwijnt.’ Het zou best kunnen dat wie deze zin leest onmiddellijk denkt aan 40-45. En zo bedoel ik hem ook. Maar voor steeds meer lieden speelt deze oorlog geen rol meer. Ze komen uit hun eigen oorlogsgebied. Wat zij daar hebben meegemaakt, moet net als die Tweede Wereldoorlog worden verdrongen om verder te kunnen leven. Waarschijnlijk zal hun oorlog, met alles wat daar aan hangt, hun moraal hebben beïnvloed.

Dus eigenlijk moet ik schrijven: ‘De Tweede Wereldoorlog verdwijnt.’ Als toetssteen voor een manier van ethisch handelen – zo noemden we dat. Ethisch handelen, ethisch denken. Mijn ouders vonden dat belangrijk. Omdat ze een weerbare, gedisciplineerde zoon wilden, stuurden ze mij op padvinderij. Hoe tegenstrijdig, dacht ik toen ik zestien was, want zaten die knopenleggers die, net als ik, allemaal op de akela verliefd waren, niet vol fascistische trekjes?

Omdat mijn vader in Indië in het leger en in het kamp had gezeten, (‘Onder den Japanschen hiel’) was het Koninklijk Huis voor hem belangrijk geweest. ‘Ik streed voor vorst en vaderland.’ In onze gang hing een portret van Wilhelmina. Op haar verjaardag werden daar verse bloemen bij gezet. In 1969 schaamde ik me daarvoor en haalde de bloemen weg. Er volgde een ruzie waarin het woord ‘oorlog’ als een bal heen en weer werd gegooid. De oorlogsangst maakte vader en moeder tegenstrijdig, hypocriet, wreed. Vóór het kapitalisme, tegen het communisme (wat een soort fascisme was), vóór de atoombom, tegen mijn gebroken geweertje, vóór een groot leger, tegen pacifisme. Hoe konden mensen die de littekens van de oorlog zichtbaar op hun lijf hadden en onzichtbaar in hun geest zulke – in mijn ogen – immorele, gevaarlijke standpunten innemen? Waarom was mijn vader woedend toen ik me voor het leger liet afkeuren? Waarom wilde hij dat ik ging vechten waardoor ik jong zou kunnen sterven? Wat had zijn militarisme, die paar dagen dat hij tegen de Japanners had gevochten, voor zin gehad? Waarom sneden hem de discussies met mij door de ziel?

Hoe kon het dat de oorlog hem eerder oorlogszuchtiger had gemaakt dan vredelievender? En trouwens, mijn moeder dacht er niet veel anders over. Alleen, waar vader rechtser werd, werd moeder linkser. Moeder liep achter mij aan. Zo raakte ze verder weg van vader, maar veel gepraat tussen die twee werd er toen toch al niet; ieder vond z’n eigen oorlog de ergste.

Het duurde te lang voor ik begreep dat ze leden aan twijfel, doodsangst en schuldgevoel.

Hoe kon het dat de oorlog mijn vader ­eerder ­oorlogszuchtiger had gemaakt dan ­vredelievender?

De winnaars van een oorlog beseffen dat zij niet de oorlog hebben gewonnen door hun hogere moraal, maar door sterker te zijn. Die hoge moraal was een excuus om immorele daden te rechtvaardigen, zoals moord, diefstal, lijkschennis. Het waren die immorele daden die twijfel, angst en schuldgevoel nalieten. De oorlogserfenis.

Die oorlog verdwijnt.

Het grootste kwaad blijft de industriële vernietiging van de joden, de holocaust. Gaskamers – het meest beladen woord in de westerse cultuur. (Voor mij persoonlijk is dat het woord jappenkamp.) Maar ik vond als zestienjarige dat de atoombommen die gegooid waren hetzelfde waren als de gaskamers. Dat was ook genocide.

‘Bij elkaar hebben de atoombommen maar zo’n 300.000 levens gekost, terwijl er zes miljoen joden zijn vermoord’, zei mijn vader. Een zin die me woedend maakte! Hoe dacht hij toen precies? Ik meende angst, twijfel en schuldgevoel bij hem te zien. Juist in de discussies met mij. Maar hij zou het uitspreken daarvan als verraad beschouwen tegenover alles wat hij toen had doorleefd.

Waarom vond ik het belangrijk die discussies van hem te winnen? Waarom wilde ik hem pijn doen met zijn zogenaamde ongelijk? Omdat hij mij een slappeling vond die zijn nagels zwart lakte, zijn haar tot ver over zijn schouders droeg en communist was? Hij beschouwde mij, zijn eigen zoon, als het resultaat van iemand die de oorlog had verloren.