Natuur in het Antropoceen

Winnie de Poehma en de dode polderpaarden

Op deze door de mens gedomineerde planeet is er nauwelijks meer ongerepte wildernis te bekennen, maar onze hunkering ernaar is niet verdwenen. Wat zeggen de Oostvaardersplassen, de terugkeer van de wolf en de duiven in de stad over onze verhouding tot de natuur?

Op 23 september 2013 gaat de documentaire De nieuwe wildernis in première in het Koninklijk Concertgebouw te Amsterdam. Speciaal voor de gelegenheid is er een ‘groene loper’ uitgerold en binnen zorgt het Metropole Orkest live voor de muzikale begeleiding. Vier seizoenen lang heeft een cameraploeg indringende beelden geschoten van de flora en fauna van de Oostvaardersplassen, een uniek gebied waar, aldus de voice-over, ‘de natuur het ritme bepaalt’. We zien hoe aalscholvers elkaar verleiden met een uitbundig paringsritueel, hoe een kudde rillende konikpaarden onweer en stortbuien trotseert, hoe vossen ganzenkuikens opjagen en hoe ratten zich te goed doen aan dode karpers. Een wervelende en imponerende natuurdocumentaire – en dat van Nederlandse bodem.

Zonder dat we er erg in hebben sluipt de wildernis de metropool binnen © Thomas Schlijper / HH

In de eerste week trekt de film meer dan honderdduizend bezoekers, aangemoedigd door de lovende recensies in de kranten. ‘Een majestueuze ode aan het alledaagse dier’, oordeelt de Volkskrant. Een film die ‘grote bewondering afdwingt’, vindt NRC. De documentaire krijgt de Rembrandt Award voor de beste Nederlandse film, ontvangt een Gouden Kalf en draait in bioscopen over de hele wereld. Het box office-succes geeft de Oostvaardersplassen bovendien een flinke populariteitsinjectie: veel mensen willen dit stukje poldernatuur wel eens met eigen ogen aanschouwen.

Van dat onverdeelde enthousiasme is een kleine vijf jaar later weinig meer over. Toen een festival in Harderwijk de documentaire vorige maand wilde vertonen, werden de initiatiefnemers bestookt met haatmail en bedreigingen, waarna ze besloten om de voorstelling af te gelasten. ‘We willen dat bezoekers zich veilig kunnen voelen’, lichtte de organisatie toe. Dat de Oostvaardersplassen een ongekende woede kunnen losmaken kwam niet als een verrassing: vooral in de wintermaanden laaien de gemoederen hoog op, als de kou en het gebrek aan voedsel hun tol eisen, waardoor ieder jaar duizenden herten, runderen en paarden sterven. En dat is voor sommige mensen moeilijk te verkroppen.

Dus toen de temperatuur begin dit jaar onder het vriespunt zakte reden zelfverklaarde dierenvrienden met hooibalen in de achterbak richting de Flevopolder en klommen over de hekken van het beschermde natuurgebied om de uitgemergelde konikpaarden te hulp te schieten, ook al waarschuwden wetenschappers dat bijvoeren alleen maar averechts zou werken. Daar hadden de actievoerders geen boodschap aan. Of zoals een van hen tegen de Volkskrant zei: ‘Wetenschap? De wetenschap moet ondergeschikt zijn aan wat wij als volk willen.’ Deskundigen die toch weerwoord durfden te bieden kregen doodsbedreigingen naar hun hoofd geslingerd, net als de boswachters die de uitgehongerde beesten met een genadeschot uit hun lijden verlosten. Voor de dieren die waren gesneuveld werd een stille tocht georganiseerd, compleet met een kruislegging, bloemboeketten en herdenkingsliedjes.

Ecoloog Han Olff heeft met verbijstering zitten kijken. Want dit zijn niet de klassieke dierenactivisten die nertsen bevrijden uit fokkerijen of protesteren tegen de wanpraktijken in de intensieve veehouderij. Een Facebook-evenement van actiegroep ‘Stop het leed dat Oostvaardersplassen heet’ beloofde dat er voorafgaand aan een protestmars broodjes hamburgers zouden zijn. ‘Prima dat je om dierenwelzijn geeft, maar dat is toch een beetje inconsistent’, zegt Olff. Met lede ogen moet de hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen toezien hoe een luidruchtig groepje boze burgers het debat overstemt. Het verbaast hem niet dat vooral de noodlijdende paarden tranen teweegbrengen. ‘Veel mensen komen alleen nog maar in aanraking met gedomesticeerde dieren. We weten niet meer hoe we moeten omgaan met wilde natuur, terwijl daarbij andere normen en waarden gelden.’

Op een manege staat de zorgplicht voor het individuele dier centraal, terwijl het bij wilde konikpaarden in de eerste plaats draait om de gezondheid van de populatie. ‘Dat de zwakkere dieren sterven hoort erbij, zo werkt natuurlijke selectie nu eenmaal’, zegt Olff. Alleen is het dilemma bij de Oostvaardersplassen dat de grote grazers eigenlijk een tussencategorie vormen. Ze zijn daar nog niet zo lang geleden uitgezet, dus echt wild zijn ze niet, maar tam zijn ze evenmin. ‘Het zijn “verwilderende” dieren, dat maakt het zo lastig.’

De discussie rondom de Oostvaardersplassen brengt, kortom, niet alleen platte volkswoede aan het licht, maar werpt ook wezenlijke ecologische vragen op. Kan er wel ware wildernis bestaan in zo’n klein en dichtbevolkt land? En is dit wel échte natuur, zolang de heckrunderen en edelherten achter hekken zitten? Of, om nog een stapje verder te gaan: wat is natuur eigenlijk nog in een tijdperk dat we niet zonder reden ‘het Antropoceen’ noemen? Overal op de planeet drukt de mens zijn stempel, er bestaan nauwelijks meer ongerepte gebieden en de wildernis die overblijft kan enkel overleven bij de gratie van onze beschermingsinspanningen. Hoe kunnen en moeten we omgaan met de verantwoordelijkheid die daarbij komt kijken?

‘Je kunt grofweg drie soorten natuur onderscheiden’, zegt Olff. ‘Er bestaat “toevallige” natuur die meelift met de mens en zich aan ons weet aan te passen zonder dat we er aandacht aan besteden. Die vind je bijvoorbeeld in de stad: de nesten van scholeksters in het park, de planten tussen de stoeptegels. Dan is er de natuur die we als mens beheren, denk aan de heidevelden, cultuurlandschappen of uiterwaarden. Lange tijd was het dominante idee dat de natuur enkel tot bloei kan komen dankzij menselijk ingrijpen.’ De laatste decennia vindt er een voorzichtige verschuiving plaats, nu we beseffen dat het wellicht beter is als we de teugels wat meer laten vieren. ‘Dat is de derde soort: natuur waarvan mensen zo veel mogelijk de handen af trekken en die we niet zozeer beheren als wel faciliteren. Maar dat staat op gespannen voet met onze planningsdrang.’

‘Dat de zwakkere dieren sterven hoort erbij,zo werkt natuurlijke selectie nu eenmaal’

Dat werd vorige week eens te meer duidelijk, toen de provincie Flevoland een einde maakte aan het laissez-faire-beleid op de Oostvaardersplassen. Het aantal grote grazers moet flink krimpen, nog dit jaar worden waarschijnlijk honderden herten afgeschoten. Alleen op die manier, argumenteert de adviescommissie, kunnen de Oostvaardersplassen weer een gezond vogelreservaat worden. Wachten tot de natuur zelf een evenwicht vindt is voor de commissie geen optie, want dat zou betekenen dat er iedere winter een groot aantal konikpaarden, edelherten of heckrunderen verhongert en ‘daarvoor bestaat in Nederland geen breed maatschappelijk draagvlak’.

Voor Olff is het besluit een bewijs dat emoties en korte-termijndenken regeren. ‘We raken een prachtig voorbeeld kwijt van een gebied waar we een radicaal andere aanpak uitproberen, daar hadden we enorm veel van kunnen leren. Vergeet niet dat dit een heel jong ecosysteem is, het is pas vijftig jaar oud en het duurt even voordat zoiets echt tot wasdom kan komen. Het is alsof je tegen een baby van twee zegt: “Nou, je kan nog niet eens lezen. Dit schiet ook niet op.” Voor natuurontwikkeling moet je op een andere tijdschaal denken, maar dat is moeilijk voor politici.’

Natuurlijk zat er van meet af aan iets paradoxaals in de kunstmatige wildernis van de Oostvaardersplassen. De natuur mocht dan wel het ritme bepalen, de mens bepaalde de voorwaarden door de grenzen af te bakenen en voor poortwachter te spelen. Vanuit de comfortabele bioscoopstoel laten we ons betoveren door de kringloop van de natuur, maar zoomen we iets uit, dan zien we de spoorlijn en de snelweg op de achtergrond. Houden we onszelf niet voor de gek, door iets na te jagen wat – in deze tijd, in dit land – misschien niet meer kán bestaan: een domein dat volledig vrij is van menselijke inmenging?

‘De meest radicale uitdrukking van het Antropoceen is onze erkenning dat het vertrouwde onderscheid tussen mensen en de natuurlijke wereld niet langer nuttig of accuraat is’, schrijft Jedediah Purdy, hoogleraar aan Duke University, in zijn boek After Nature. ‘Omdat wij alles vormgeven, van de bovenste lagen in de atmosfeer tot de diepste zeeën, bestaat er geen natuur meer die losstaat van de mensheid.’ Tegelijkertijd betreuren we het verlies van ongerepte wildernis, zozeer zelfs dat we het opnieuw willen scheppen, of dat we in vervoering raken wanneer we er toch een glimp van op denken te vangen.

Dat gebeurde in de zomer van 2005 althans in Apeldoorn en omstreken. In de buurt van de doorgaans zo kalme provinciestad, gelegen aan de rand van de Veluwe, zou een poema gesignaleerd zijn. Het begon met een beveiligingsbeambte van een schietterrein die het roofdier als eerste signaleerde, gevolgd door een onscherpe foto van een grote, zwarte katachtige in een weiland en talloze meldingen van ooggetuigen die de ‘poema’ ook gespot zouden hebben. En hoewel de autoriteiten vanaf het eerste moment susten dat het vermoedelijk om een groot uitgevallen poes ging, trokken nieuwsgierige avonturiers massaal naar de Veluwe en stortten de media zich gretig op het verhaal. Het dier kreeg zelfs een naam: Winnie de Poehma. Nadat er een doodgebeten ree was gevonden rukte de marechaussee uit voor een zoektocht, inclusief jeeps en helikopters. De teleurstelling was groter dan de opluchting toen bleek dat het toch echt een uit de kluiten gewassen huiskat betrof.

Hoe komt het dat we collectief bevangen kunnen raken door zulke beast fever, vraagt zoöloog en publicist George Monbiot zich af in het boek Feral. In Groot-Brittannië, waar hij woont, gebeurt het aan de lopende band dat mensen menen dat ze poema’s of luipaarden hebben gezien. Het is niet zo dat ze het verhaal uit hun duim zuigen of de boel bewust voor de gek houden: ze geloven oprecht in hun verklaringen. Misschien, schrijft Monbiot, zit het ingebakken in onze biologische structuur: een evolutionair overblijfsel uit een tijd waarin de mens nog kwetsbaar was als prooi en niet voorzichtig genoeg kon zijn. Maar misschien speelt er nog iets anders: ‘Zou het kunnen dat de illusoire katachtigen voorzien in een onvervulde behoefte? Nu onze levens tammer en voorspelbaarder zijn geworden en de natuur schraler en saaier, nu we steeds minder fysieke uitdaging kennen, tot op het punt dat het openen van een slecht ontworpen zakje pinda’s de grootste test is van onze kracht en vindingrijkheid – kan het zijn dat deze ingebeelde wezens iets brengen wat we missen?’

De veiligheid van ons beschutte bestaan doet ons stiekem hunkeren naar rauwe wildheid. Monbiot beschrijft het niet met afkeuren of spot, maar met herkenning. Om zelf te ontsnappen aan wat hij ‘ecologische verveeldheid’ noemt, verhuisde hij naar een afgelegen gebied in Wales. Een regio waar je dagen achtereen kan wandelen zonder een andere levende ziel tegen te komen en waar je voelt dat deze wereld al bestond lang voordat de mens om de hoek kwam kijken, maar waar de sporen van menselijke activiteit niettemin alomtegenwoordig zijn. Voor sommigen werkt het desolate landschap louterend, maar in de ogen van Monbiot is de uitgestrekte woestenij een pijnlijk bewijs van de destructieve impact van onze soort. De kale heuvels en monotone heidevelden, waar nauwelijks bomen te bekennen zijn, zijn het resultaat van systematische overbegrazing door schapen. Met weemoed mijmert hij over de soorten die hier ooit hebben rondgelopen: van olifanten tot beren en van lynxen tot wolven. Kan zo’n rijk ecosysteem ooit weer in ere worden hersteld?

Monbiot gelooft van wel, al moeten onze ideeën over natuurbeheer daarvoor wel eerst op de schop. Nu gedragen de voorvechters van natuurschoon zich nog te veel als veredelde landschapsarchitecten of dierentuindirecteuren, terwijl het er op aankomt om bewust de controle op te geven en op de natuur te vertrouwen. Rewilding, heet deze filosofie en in Feral omschrijft Monbiot het achterliggende idee als volgt: ‘Rewilding heeft, in tegenstelling tot natuurbescherming, geen vastomlijnd doel: het wordt niet gedreven door menselijk bestuur, maar door natuurlijke processen. Het probeert de natuurlijke wereld niet te controleren door een specifiek ecosysteem of landschap te creëren, maar wil de natuur de kans geven haar eigen weg te vinden.’

Dat betekent niet dat we achterover kunnen leunen, want voordat de ecologische processen hun werk kunnen doen, heeft de natuur eerst een zetje nodig. Door verdwenen diersoorten te herïntroduceren, bijvoorbeeld. In zijn boek heeft Monbiot een lijst opgenomen met dieren die daarvoor in aanmerking zouden komen en een cijfer hoe geschikt ze zijn. Zo is de terugkeer van de olifant geen goed idee, maar kan de lynx zonder al te veel problemen worden uitgezet. De wolf scoort een 7. Vanuit een ecologisch oogpunt staat er weinig in de weg, maar Monbiot snapt wel dat de Britse schapenhouders niet staan te springen. Voor zoiets is eerst draagvlak nodig.

De mens bepaalt het ritme, maar sommige diersoorten maken de betonnen jungle tot hun onderkomen © Thomas Schlijper / HH
‘Ze geloven dat wolven massaal hondsdolheid zouden brengen of mensen zouden aanvallen. Onzin. Roodkapje is echt fictie’

Dat weten ook de bestuurders in Nederland, waar de wolf al is opgedoken en voor het nodige rumoer zorgt. Om de komst van de wolf in goede banen te leiden is er een ‘wolvendraaiboek’ opgesteld met twaalf protocollen, waaronder eentje die uitlegt wat te doen bij ‘keutelvondst’. En dan te bedenken dat de Nederlandse wolf twee eeuwen geleden werd uitgeroeid met doelbewuste campagnes. ‘Het is tekenend voor een maatschappelijke omslag’, zegt Martin Drenthen, milieufilosoof aan de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘Wij vinden kennelijk dat we als mensheid bewust plaats moeten maken voor andere diersoorten, vanuit het besef dat die soorten een functie hebben in een ecosysteem en vanuit de ethische overtuiging dat wij geen recht hebben om andere dieren het bestaansrecht te ontzeggen.’

Samen met collega’s schreef Drenthen in 2015 het boek De wolf terug: Eng of enerverend? waarin hij zich buigt over de morele vraagstukken die gepaard gaan met de rentree van de wolf. Dat veehouders bezwaren hebben is volstrekt begrijpelijk, vindt hij: ‘Voor mensen uit de stad is het spannend als ze op hun vakantie in Drenthe een wolf tegen kunnen komen, maar voor boeren is het gewoon een extra kopzorg. Daar moet je oplossingen voor vinden, bijvoorbeeld met compensatieregelingen of door hulp te bieden bij het afschermen van hun land.’

Maar naast de legitieme zorgen zijn er ook een hoop spookverhalen in omloop, leerde Drenthen. ‘Onder sommige tegenstanders heerst een irrationele angst. Ze geloven dat wolven massaal hondsdolheid zouden brengen of mensen zouden aanvallen. Dat is onzin, het is een ontzettend schuw beest. Roodkapje is echt fictie.’ Aan de andere kant zijn er ook voorstanders die in sprookjes geloven, zegt hij: ‘Zij zien de wolf als een soort symbool voor de pure, ongecorrumpeerde wildernis, een nobel en eerlijk dier. Ze zoeken iets in de wolf wat in de mens ontbreekt. Dat is een gevaarlijke en naïeve romantisering.’

Drenthen is net terug uit Montana, waar hij vier maanden woonde om onderzoek te doen in het Yellowstone National Park en te doceren aan de plaatselijke universiteit. In die delen van de Verenigde Staten gaat men een stuk minder gespannen om met wilde dieren en accepteert men de bijbehorende risico’s, merkte hij. ‘Eens in de zoveel tijd komt er iemand om het leven door een aanval van een grizzly. Dat is dan verdrietig, maar het is ook a part of life. Dat er zwarte beren in je achtertuin kunnen lopen is de normaalste zaak van de wereld, daar houd je dan rekening mee. Al speelt over wolven opmerkelijk genoeg dezelfde discussie als in Nederland. Het is een symbool geworden voor een cultuurstrijd.’

Want waarom willen we überhaupt dat de wolf weer terugkomt? Is het inderdaad omdat verwende natuurminners snakken naar een beetje opwinding? George Monbiot is er in zijn boek eerlijk over: ja, rewilding gaat in de eerste plaats over de behoeften van de mens. ‘Wolven zouden niet geïntroduceerd worden om wille van de wolven zelf, maar om wille van mensen. Als we zouden “herwilderen”, dan doen we dat omdat wij meer waarde hechten aan een rijke biologische omgeving, dan aan een verarmde.’

Maar er is nog iets anders, benadrukt Martin Drenthen. In theorie kan de wolf namelijk een belangrijke ecologische rol vervullen: nu worden herten afgeschoten, maar een roofdier kan de wildstand op een natuurlijke wijze in evenwicht houden. Al betwijfelt Drenthen of dit in ons dichtbevolkte land ook daadwerkelijk het geval zal zijn. ‘Het is wel frappant dat de jagers zich verzetten tegen de comeback van de wolf. In Nederland hebben we de jacht altijd gelegitimeerd met het argument van natuurbeheer. Maar nu eisen sommige jagers compensatie als de natuur deze vacature zelf zou invullen. Dat was dus kennelijk een gelegenheidsargument. Hier botst een ecocentrische met een antropocentrische visie.’

Op 1 maart 2018 gaat de documentaire De wilde stad in première in Pathé Tuschinski te Amsterdam. Ditmaal is de kleur van de loper rood en is kat Abatutu de grote ster. Hij is de hoofdrolspeler die op avontuur gaat in de hoofdstad en daar een vrolijke beestenboel aantreft. Dezelfde makers die de wildernis van de Oostvaardersplassen in beeld brachten, hebben hun camera’s nu op de urbane natuur gericht. We zien hoe slechtvalken de gevels op de Zuidas als voorraadkast gebruiken, hoe meerkoeten met plastic afval een nest bouwen in de half gezonken bootjes op de gracht, hoe rivierkreeften fietsers ontwijken en hoe reigers hun slag slaan op de vismarkt in de Pijp. De stad is een plek waar de mens het ritme bepaalt, maar dat weerhoudt deze diersoorten er niet van om de betonnen jungle tot hun onderkomen te maken. Zonder dat we er erg in hebben komt de wildernis de metropool binnengeslopen.

De film wil verwondering wekken over wat er zich allemaal afspeelt onder je neus of in je achtertuin. Om natuur te zien hoef je niet naar de Veluwe of naar de Oostvaardersplassen, als je goed oplet vind je het ook binnen de bebouwde kom. In zekere zin werpt de documentaire een ander licht op dezelfde vraag die De nieuwe wildernis opriep: wat is natuur en hoe verhouden we ons ertoe? De stad is een ecosysteem dat door de mens is geschapen, maar inmiddels mede bewoond wordt door allerlei andere dieren. In dat opzicht is de stad net een mierenhoop, schrijft bioloog Menno Schilthuizen in zijn onlangs verschenen boek Darwin in de stad.

Net als mieren zijn mensen ‘ecosysteemingenieurs’: dieren die hun eigen habitat vormgeven, waar vervolgens andere organismen van meeprofiteren. Het grote verschil met de mier is dat de mens een ongekend dominante soort is. ‘De evolutie heeft nooit eerder een diersoort geproduceerd die het gelukt is op zo’n grote schaal zo’n centrale ecologische rol te spelen’, schrijft Schilthuizen. Dat is nu niet direct een prestatie om trots op te zijn, wanneer je rapporten leest over het verdwijnen van oerbossen, ijskappen en insecten. Maar Schilthuizen laat zien dat er ook een andere kant aan het verhaal zit: er zijn dieren die zich razendsnel weten aan te passen aan de menselijke leefomgeving. Zo bouwen stadsvogels in Mexico hun nest met sigarettenpeuken, omdat dat bouwmateriaal stoffen bevat die vervelend ongedierte op afstand houden. In Japan leven kraaien die hebben geleerd om autobanden als notenkrakers te gebruiken. Dit soort bevindingen van stadsbiologen bewijst het ongelijk van Darwin, die geloofde dat evolutie een traag proces was, dat onmogelijk in real time kan worden waargenomen.

Het is een hoopvolle boodschap die een welkom tegenwicht biedt voor alle sombere berichten die zo vaak het milieunieuws domineren. De natuur is weerbarstiger dan we denken. Maar dat betekent nog niet dat we rustig kunnen gaan slapen. Want hoe vermakelijk en interessant De wilde stad ook is, de documentaire toont slechts een handvol beesten die zich weten aan te passen aan de urbane biotoop. Nu is het heus fijn voor de duif, reiger en rat dat ze floreren, maar het is een schrale troost voor al die dieren die niet kunnen meekomen. ‘Voor ieder voorbeeld van succesvolle stadsevolutie zijn er wellicht tientallen voorbeelden te vinden van soorten die het in de stad niet redden’, zegt Schilthuizen in een chatgesprek, vanuit het Durmitorgebergte in Montenegro waar hij op expeditie is.

Als bioloog vindt hij de evolutionaire veerkracht een interessant verschijnsel, maar hij zal niet beweren dat het daarom allemaal wel meevalt met de schade die de mens toebrengt aan het milieu. Sterker nog: snelle evolutieprocessen in de stad zijn de keerzijde van het massale uitsterven van soorten, zegt Schilthuizen. ‘Hoe meer sterfte er is, hoe sneller een soort zich aanpast via natuurlijke selectie. De teruggang van de biodiversiteit en de snelle aanpassing van de weinige overlevende soorten gaan dus hand in hand.’ En dat er meer natuur te vinden is in de stad, komt ook doordat er op het platteland, als gevolg van intensieve landbouw, steeds minder ruimte voor is.

Als er één les te trekken valt uit De wilde stad en het boek van Schilthuizen is het dat ‘de mens’ en ‘de natuur’ niet in twee gescheiden werelden leven, hoe hardnekkig die tweedeling soms ook lijkt. Alleen al het feit dat er zoveel onenigheid bestaat over de gewenste invulling van de Oostvaardersplassen, een plek die zich bij uitstek aan de menselijke controledrang probeert te onttrekken, laat zien dat het nog niet zo evident is wat we nog verstaan onder ‘natuur’. Natuurlijk hebben sommige dieren en planten baat bij beschermde gebieden die de mens zo veel mogelijk buiten de deur houden en natuurlijk kan het geen kwaad dat we beleid maken om wolven of bevers welkom te heten. Net zoals het goed is om in de planning van een stad rekening te houden met onze dierlijke medebewoners. Maar dat alles onderstreept juist dat de mens zich niet buiten de natuur kan plaatsen.

Dat wil niet zeggen dat we alles tot in de puntjes kunnen reguleren of dat we ‘wildernis’ maar moeten bestempelen als een illusoir aandenken uit een lang vervlogen tijd. Daarin schuilt volgens milieufilosoof Martin Drenthen ook de paradoxale betekenis van het Antropoceen. ‘Er gebeurt praktisch niets meer op deze planeet zonder dat wij er een aandeel in hebben, maar tegelijkertijd leven we in een wereld die steeds oncontroleerbaarder is. Het idee dat wij de natuur onze wil op kunnen leggen, getuigt van schromelijke zelfoverschatting.’ Precies die onbeheersbaarheid is volgens Drenthen een wezenskenmerk van wat wij in het dagelijks leven onder natuur verstaan en verklaart de aantrekkingskracht ervan. Pas wanneer we inzien en accepteren dat we weliswaar kunnen sturen, maar nooit volledig grip kunnen krijgen op de wereld om ons heen, ontstaat er ruimte voor wildernis, of dat nu in een aangeharkt stadspark of in een ongetemd natuurgebied is.