Smeergeld laat de buitenlandse handel draaien

Winst en geweten

Sinds kort is omkoping door Nederlandse bedrijven in het buitenland strafbaar. Maar: «Als je zegt: ik doe er nooit aan mee, kun je de tent wel opdoeken.»

Het is een dun, onopvallend en schijnbaar onbelangrijk rapport, maar daarom niet minder ontluisterend. Het ministerie van Economische Zaken liet enkele maanden geleden met een kleine, representatieve steekproef onderzoeken hoe het Nederlandse bedrijfsleven over corruptie denkt. Tachtig procent van de Nederlandse bedrijven die in het buitenland werken, zegt regelmatig geen zaken te kunnen doen zonder zich schuldig te maken aan corruptie. Desalniettemin vindt zestig procent van hen dat corruptie ontoelaatbaar is, hetgeen ze er evengoed niet van weerhoudt toe te geven om een voorkeurspositie van ambtenaren of politici te kopen. Vijfenzestig procent weet dat sinds kort omkoping in het buitenland in Nederland justitieel vervolgd kan worden, maar bijna negentig procent heeft desondanks geen actie ondernomen naar aanleiding van de wetswijziging. Ruim zeventig procent van de bedrijven zegt vooral angst voor een beschadigd imago als voornaamste drijfveer te zien om omkoping tegen te gaan. Want, zoals een respondent het formuleerde: «Zolang het de kranten niet haalt, beschouwen we het niet als corruptie.»

Sinds enkele maanden is het betalen van smeergeld in het buitenland niet meer fiscaal aftrekbaar en zelfs strafbaar — waarmee een nieuwe vorm van gedogen is geboren. Want het Nederlandse bedrijfsleven mijdt bepaald niet die landen waar corruptie welig tiert, zo leert een blik op de hotlist van de meest corrupte landen, opgesteld door Transparancy International, de non-gouvernementele organisatie die zich toelegt op bestrijding van corruptie. Neder land scoort als betalende partij bij corruptie weliswaar niet hoog (dertien landen doen het slechter), maar tegelijkertijd is Nederland de op vier na grootste buitenlandse investeerder ter wereld, voorafgegaan door de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. En in de uithoeken van de wijde wereld is het immers niet mogelijk zaken te doen zonder omkoping.

Corruptie is een kanker die een maatschappij ernstig verziekt. Het erodeert democratische besluitvormen, het slaat diepe kloven tussen de graai ende elite en de krabbelende armen, en het kost veel, heel veel geld. Er is altijd een verliezer: als er smeergeld betaald moet worden, worden de te bouwen stuwdam of de te leveren tanks simpelweg duurder voor het kopende land. De belastingbetaler betaalt de rekening. Corrupte ambtenaren en politici laten eigen belang prevaleren boven algemeen belang waardoor niet zelden de te dure en ook nog eens verkeerde elektriciteitscentrale op de verkeerde plaats komt te staan. Veiligheid komt in het geding als vergunningen gekocht kunnen worden. Investeerders mijden corrupte landen omdat willekeur en wetteloosheid regeren. Economen leggen een oorzakelijk verband tussen de diepgewortelde corruptie in de Asian tigers en de grote financiële crisis van enkele jaren geleden.

Tegen corruptie lijkt geen kruid gewassen. Het is, zo menen veel bedrijven, een onderdeel van het zakendoen. Als wij geen steekpenningen betalen, doet de concurrentie het wel. Corruptie in het thuisland van de onderneming strafbaar stellen, zoals in Nederland nu sinds kort het geval is, leidt volgens de Nederlandse ondernemingen tot oneerlijke concurrentie. Er is dan geen level playing field. Nederland wordt roomser dan de paus: zou Frankrijk het staatsbedrijf Elf net zo hard aanpakken als Nederland dat met Shell zou doen? Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid: nee. Convenanten tussen bedrijven bieden weinig uitkomst: houd de kikkers maar eens in de kruiwagen als een sprong een betere concurrentiepositie biedt.

Maar wat zijn de alternatieven? Bedrijven dragen vaak aan dat wanneer de lage lonen van de ambtenaren hoger zouden zijn — soms krijgen ambtenaren geen loon en leven ze van de steekpenningen — er minder corruptie zou zijn. Dat is wachten op Godot; was het ontwikkelingsbeleid van de afgelopen vijftig jaar niet daar op gericht? En goedbetaalde medewerkers van non-gouvernementele organisaties (NGO’s) of bedrijven blijken niet zelden net zo corrupt als hun onderbetaalde landgenoten.

Hoe dapper is de Haagsche VN-top Global Forum II: Fighting Corruption and Safeguarding Integrety dan ook. Volgende week vergaderen onder voorzitterschap van minister Korthals van Justitie delegaties uit maar liefst 180 landen met ongeveer 110 ministers over corruptie. De tijd voor een wereldwijd anticorruptieverdrag is nog niet rijp: er zullen hoogstens enkele ideeën en suggesties worden gebundeld in een slotverklaring die verband houden met een mogelijk toekomstig verdrag. Maar het is een eerste stap, en dat is — hoe krachteloos ook — al heel wat. Want het taboe op corruptie in Nederland is groot.

Met name bedrijven die zakendoen met een buitenlandse overheid ontkomen moeilijk aan het strooien met geld. Bedrijven als Shell of Ballast Nedam, bijvoorbeeld. Laatstgenoemd bedrijf — gespecialiseerd in de grotere bouwprojecten — laat weten «absoluut niet mee te werken aan corrupte praktijken» om orders binnen te halen. Maar niet overal ter wereld gelden dezelfde normen en waarden als in het keurige Holland. Woordvoerder Nel de Geus-te Rehors: «Inderdaad, wij opereren ook in landen waar corruptie veel voorkomt. Wij gaan daar zo goed mogelijk mee om, zonder dat onze geloofwaardigheid daarbij in het geding is.» Ballast Nedam onderschrijft de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Maar, zo vermeldt het jongste jaarrapport, omdat «er voorlopig nog in veel landen sociaal en cultureel verankerde situaties zullen blijven staan» die in strijd zijn met de richtlijnen, worden «ter zake passende en praktische gedragslijnen» ontwikkeld. In goed Nederlands: ’s lands eer, ’s lands wijs.

Shell doet niet aan corruptie. Uit principe. Althans, dat zegt woordvoerder Henk Bonder: «Al 26 jaar hebben wij in onze business principles opgenomen dat corruptie onaanvaardbaar is.» Of zoals hoogste baas Mark Moody-Stuart het in de Shell-brochure Dealing with Bribery and Corruption zegt: «Omkoping en corruptie zijn kwaadaardige en destructieve sociale ziekten. Het is in ieders belang deze te bestrijden.» Dus Shell is brandschoon? Bonder: «Dat heeft u mij niet horen zeggen. Maar als wij erachter komen dat een van onze werknemers zich schuldig maakt aan corruptie of omkoping, volgt ontslag en wordt desbetreffend contract ontbonden. Zoals een oud president-directeur van Shell Nigeria het zei: ‹Als ik het welbekende boekje met daarin de Shell Business Principles omhoog hield, wist iedereen in Nigeria direct waar hij aan toe was.›»

Daar moet de Brit dr. Roger Tangri om lachen. Tangri, voorheen adviseur van de Wereldbank en momenteel verbonden aan het Haagse Institute of Social Studies (ISS), legt de laatste hand aan zijn boek over corruptie. Tangri: «Shell is een van de grootste investeerders in Nigeria. Daar valt heel veel geld te verdienen, en dus heerst er moordende concurrentie om zaken te doen met de eigenaar van de olie: de staat Nigeria. De bedrijven zullen kosten noch moeite sparen om de ambtenaren en politici te beïnvloeden. Corruptie is onvermijdelijk. Uiteraard betaalt Shell niemand rechtstreeks, maar gebruikt het tussenpersonen. In veel Afrikaanse landen zijn de meeste politici niet de politiek ingegaan om idealen te verwezenlijken, maar om geld te verdienen. En zij verdienen zeer goed aan de westerse multinationals.» Wijlen dictator Sani Abacha hield er naar schatting vier miljard dollar aan over.

Tangri onderzocht corruptie in met name Afrika en maakte van Oeganda een case study. Dat maakt hem uiterst kritisch ten opzichte van een van de gastvrouwen van het Global Forum, minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking. Donor darling Oeganda is een van de 21 landen waarmee Nederland een bilaterale ontwikkelingsrelatie onderhoudt, hetgeen betekent dat geld direct wordt overgemaakt aan de Oegandese regering. Tangri: «In Oeganda komt corruptie tot in de allerhoogste regeringskringen voor. De donoren zijn echter gefixeerd op economische hervormingen en groei. Oeganda bereikt daarin successen, en de donoren koesteren deze enigszins zeldzame resultaten. Met het gevolg dat ze de ogen sluiten voor corruptie. Ik heb met eigen ogen gezien hoe op een grote donorbijeenkomst simpelweg geweigerd werd melding te maken van overtuigende rapporten over corruptie. De schadelijke effecten hiervan op de lange termijn — die veel verdergaan dan een paar jaar economische groei — worden totaal over het hoofd gezien. Ook minister Herfkens beschermt president Museveni en zijn handlangers. Heb op z'n minst het lef om in Oeganda hardop kritiek te uiten. Dit struisvogelgedrag creëert een cultuur waarin corruptie als iets normaals wordt gezien. Af en toe wordt een kleine vis geofferd, maar tot in alle uithoeken van het land zullen corrupte ambtenaren en politici zeggen: als de regering ermee wegkomt, waarom wij dan niet? Dat straalt ook uit naar het internationale bedrijfsleven en andere landen. Als je een corrupte regering beschermt, bescherm je corruptie als fenomeen.»

Cees Schaap is buitengewoon hoogleraar fraudebestrijding aan de Universiteit Leiden en algemeen directeur van Ernst & Young Forensic Services. Deze zeventig mannen en vrouwen tellende afdeling van het multinationale accountantsbedrijf Ernst & Young bestrijdt op verzoek van de opdrachtgever bedrijfsfraude en andere financiële misdrijven. Tot drie jaar terug werkte Schaap twintig jaar bij justitie en politie.

Fraude, stelt Schaap, is fascinerend. Over zijn dagen bij de politie zei hij begin dit jaar tegen het NRC Handelsblad: «Fraude is zó leuk. Voortdurend ontmoet je interessante en creatieve types. Bij het verhoren van die lui rolde ik soms over de grond van het lachen.» Maar corruptie — daar is geen fluit aan. Schaap: «Er komt geen greintje inventiviteit bij kijken, want er is geen enkele reden om vernuftig te zijn. Een Nederlands bedrijf kan in de praktijk straffeloos steekpenningen in het buitenland betalen.» En wat verhuld moet worden, is in de boeken in een handomdraai gladgestreken. Schaap: «Het is zeer, zeer moeilijk om in een boekhouding corruptie vast te stellen. Een overdadig hoge post ‹representatiekosten›, zijn dat steekpenningen of niet? En die zeer goed betaalde consultants in het land waar de deal gesloten werd, zijn dat nu wel of niet tussenpersonen die het smeergeld doorsluisden? Kom er maar eens achter.» Terwijl de gever natuurlijk dondersgoed weet in wiens zakken het leeuwendeel van de overdadige gage verdwijnt. Maar te bewijzen is het niet. Een keer in zijn carrière heeft Schaap corruptie kunnen aantonen, daar hoefde hij echter weinig voor te doen. Het was een klokkenluider die zich met een stapeltje kopieën bij hem meldde.

Corruptie is een onzichtbare kanker. De reden is simpel, doceert de hoogleraar: «In de literatuur onderscheiden wij non-consensuele en consensuele criminaliteit. De eerste soort is bijvoorbeeld een overval: er is geen consensus tussen de twee partijen. De dader wil iets wat het slachtoffer niet wil. Maar bij corruptie bestaat er wel een overeenkomst: beide partijen hebben een deal over een hoeveelheid geld, of wat dan ook, in ruil voor bepaalde diensten. En beide partijen hebben er baat bij deze overeenkomst te verbergen. Dat maakt corruptie zo moeilijk te bewijzen.»

Schaap verwacht «uiterst weinig» van de nieuwe wetgeving die buitenlandse corruptie in Nederland strafbaar maakt. Hetzelfde geldt voor een eventueel VN-verdrag ter bestrijding van corruptie. Schaap: «Een VN-verdrag wordt weliswaar door meer landen getekend dan de OESO-landen, maar in de praktijk zal dat weinig uitmaken. Het blijft even gemakkelijk om corruptie te verdoezelen. En zelfs als dát lastiger wordt, zullen nieuwe trucs verzonnen worden.»

Wetenschappers als Tangri en Schaap wijzen op het lakse optreden van overheden, zoals de Nederlandse. Maar ook NGO’s besteden weinig aandacht aan corruptie. De Nederlandse tak van Transparancy International laat veel te weinig van zich horen, klinkt het van verschillende kanten. Voorzitter Eduard Kimman reageert bij het horen van die kritiek als door een wesp gestoken. Kimman: «Maar wat verwacht u van ons? Wij zijn nog maar anderhalf jaar bezig. Wat wij doen is liefdewerk oud papier.» Zo belangrijk is de corruptiebestrijding in Nederland.

Kimman, hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit en de Universiteit van Maastricht, wil een dialoog over corruptie op gang brengen. Want in het internationale Nederlandse be drijfs leven is corruptie een «non-issue». Kimman: «Buitenlandse corruptie wordt in Nederland structureel verzwegen. Als we afgaan op de stilte rondom corruptie, zou het niet bestaan. Het omkopen van ambtenaren of politici is voor Nederlandse ondernemers een unerwünschte Erfahrung.» Volgens Kimman zijn er uitzonderingen («Shell doet werkelijk zijn best»), maar net als de rest van het internationale bedrijfsleven ontkomen ook de Nederlandse koopmannen niet aan het uitdelen van steekpenningen en smeergeld. Kimman: «Ik gebruik mijn netwerk in het Nederlandse zakenleven. Wat ik wil is een glas bier drinken met Nederlandse, internationaal opererende bedrijven en met ze praten over corruptie. Wat zijn hun ervaringen, hoe kun je ermee omgaan? Ik wil de stilte doorbreken, de hypocrisie wegnemen.» En wat zijn de reacties van de managers? Kimman: «Ze schrikken zich rot. Corruptie? Dat bestaat niet, en erover praten doe je al helemaal niet. Er rust een immens taboe op het onderwerp.»

Uiteraard is Kimman blij met de aandacht voor corruptie die het Global Forum II zal opleveren, maar geheel tevreden is hij niet. Net als op het eerste Global Forum schittert het internationale bedrijfsleven door afwezigheid. Kimman: «Op het eerste oog lijkt het niet vreemd — op een congres over criminologie zijn veroordeelden immers ook afwezig. Maar met mooie woorden over wetgeving en rechtshandhaving alleen kom je er niet. Op het eerste Global Forum sprak de burgemeester van Palermo en hoe interessant zijn woorden ook waren, ik hoor liever toespraken van multinationals over hoe zij het probleem denken aan te pakken.»

Corruptie is zonder twijfel het stiefkindje van de bedrijfsethiek. Maar Jaap Smit, consultant bij Andersson Elffers Felix, is het niet eens met Kimman dat het Nederlandse bedrijfsleven geen aandacht heeft voor corruptie. Bedrijven kloppen geregeld bij hem aan met vragen over een verstandige omgang met ethische aspecten van het zakendoen, zoals corruptie. In een vorig leven was Smit dominee, nu adviseert hij bedrijven over hoe geweten en commercie hand in hand kunnen gaan. Maar het bestrijden van kinderarbeid en het zorgdragen voor het milieu zijn heel wat simpeler zaken dan het zich onthouden van corruptie. Corruptie kent geen alternatief. Want moet de gewetensvolle ondernemer een deal laten gaan als hem vriendelijk doch dwingend om steekpenningen wordt gevraagd? Smit: «Nee, niet automatisch. Natuurlijk ben ik tegen corruptie. Maar het is wel erg gemakkelijk om vanuit de leunstoel te zeggen: vergrijp je nooit aan corruptie. Business is war, and a clean war is wishfull thinking. Je maakt in deze wereld vroeg of laat vuile handen, en als je dat niet wilt, moet je in een klooster gaan wonen. Nee, de vraag is: waar liggen je grenzen? De normen en waarden van de betreffende manager moeten daarin de doorslag geven. Binnen een bedrijf moet daarover een discussie op gang komen, en uiteindelijk moet er consensus zijn over wat geoorloofd is en wat niet.» Geeft de dominee het bedrijf hiermee geen excuus om vuile handen te maken, zolang het maar binnen de perken blijft? Smit: «Als je zegt: ik doe er nooit aan mee, kun je de tent wel opdoeken. Je kunt de wereld niet in je eentje verbeteren, maar je kunt wel stukje bij beetje veranderingen op gang brengen. Als je besluit in een corrupt land te opereren, heb je de mogelijkheid de situatie voor je lokale werknemers te verbeteren. Maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat hand in hand met maatregelen als het treffen van sociale voorzieningen voor je werknemers, zorgen voor goede arbeidsomstandigheden en medische verzorging, het uitdragen van democratische waarden — noem maar op. Al die mogelijkheden ontzeg je een samenleving door radicaal tegen corruptie te zijn.»

Toch is Smit er niet gerust op dat een gedragscode, ook al is die door het gehele bedrijf geaccepteerd, alle problemen oplost. Multinationals zijn machtiger dan overheden, de politiek heeft het primaat verloren aan het bedrijfsleven. Smit: «Het heilige geloof in de markt doet nog steeds opgang. Aan de andere kant groeit het moreel besef van klant, aandeelhouder en ondernemer. Langzaam beseffen we dat de ongebreidelde drang naar hogere winst en hogere aandelenkoersen een zware slag schaduw heeft. En ook klanten moeten bereid zijn meer voor hun gymschoenen of hun benzine te gaan betalen. Die spanning tussen winst en geweten, dat is de spanning van deze tijd.»