Barbara Ehrenreich reportage-wedstrijd – Het Gulle Goed

Winterjas: drie euro

Bij kringloopwinkel Het Gulle Goed in Almelo helpen ze mensen van harte op weg. Ze voorzien ze van luiers, kattenbrokjes of kleding. Daarna moet iedereen die dat kan weer op eigen kracht verder. Het gaat ze om het versterken van zelfrespect. Wat je zelf kunt, moet je zelf doen, ook al is dat eerst nog even moeilijk.

Kunnen jullie het vinden?’ roept Marja Bussink door de loods. De twee vrouwen die al een tijdje stilletjes rondscharrelen bij het sinterklaashoekje glimlachen en knikken. Het maakt Marja niet uit hoe lang ze er zijn, ook niet of ze iets kopen. Haar gaat het om het contact, een signaal dat ze gezien worden.

De vrouwen, een moeder en haar volwassen dochter die een paar straten van hier tegenover elkaar wonen, bezoeken Het Gulle Goed regelmatig. De ene keer komen ze samen, dan weer zijn ze er los van elkaar. Dit is een uitje voor hen, hun winkelmoment, een aanleiding om de deur uit te gaan. Ze bekijken puzzeldozen, keuren een knisperboekje, schuifelen door naar een kast met serviesgoed en pannen. Uiteindelijk komen ze een roze meisjestrui afrekenen. Vijftig cent in muntjes van vijf en tien. ‘Hoe is het nu?’ vraagt Marja. ‘Hoe gaat het met de kinderen?’

Kringloop Het Gulle Goed is gevestigd in een naamloze loods aan de Boomshoeksstraat in Almelo, een straatje met vage bedrijfspanden midden in volkswijk De Riet. Dit dorps ogende deel van de stad is gebouwd in de jaren dertig en geldt als een van Almelo’s hardnekkige achterstandsgebieden. De lage roodbakstenen rijtjeshuizen herbergen een trits van sociale problemen. Armoede is daarvan vrijwel altijd een onderdeel.

Volgens de jongste cijfers van het cbs telt Almelo zo’n 3400 huishoudens met een inkomen onder de armoedegrens, oftewel 10,9 procent van het totale aantal huishoudens in de gemeente. Het landelijk gemiddelde ligt op 8,2 procent – zestig gemeenten in Nederland scoren daarboven. Op de landelijke ranglijst van gemeenten met de meeste armoede bezet Almelo de dertiende plek, tussen Maastricht en Schiedam.

Een beetje verraderlijk zijn dit soort statistieken wel: ze zeggen niets over de diepte van de daadwerkelijke dagelijkse problematiek van deze huishoudens. Bovendien is er een onbekend aantal huishoudens dat weliswaar op papier een hoger inkomen heeft, maar in de praktijk vanwege grote schulden op diezelfde armoedegrens uitkomt, of misschien nog wel daaronder.

De arme Almeloër is de voornaamste doelgroep van Het Gulle Goed. Het project groeit gestaag en trekt niet alleen inwoners uit De Riet maar ook mensen uit de andere buurten die bekend staan om hun sociale problematiek. Een deel van de clientèle komt zelfs van buiten de stad. Net zo goed trouwens lopen er kopers naar binnen die een prima inkomen hebben en hebben ontdekt dat je hier voor minder dan een prikkie de leukste dingen kunt scoren – ouderwetse beschuitbussen, gereedschappen uit grootvaders tijd, hippe kinderbodywarmers van Salty Dog.

Om de ingang van Het Gulle Goed te bereiken moet je eerst een hek door en dan nog een stukje over een soort binnenplaats. Op deze dinsdagochtend komt een vrouw juist de loods uit gelopen met een grote baal hondenvoer. Ze zet hem tussen haar benen op haar scootmobiel en rijdt er met een rotgang vandoor.

Een man parkeert zijn brommer naast de altijd open staande deur en gaat naar binnen. Een beetje verwonderd kijkt hij naar de twee tegen elkaar geschoven eettafels waarop een enorm ensemble kerstballen, pieken en ander versiergrut ligt dat klaarblijkelijk aan Het Gulle Goed van de hand is gedaan. Het is oktober, iets te vroeg misschien voor kerstsferen, maar het leek de vrijwilligers leuk de klanten de feestdagen alvast in het vooruitzicht te stellen.

Vroeger was de loods in gebruik als opslag van een vishandel, nog steeds zijn het plafond en de wanden bedekt met isolerend piepschuim. Onder het tl-licht strekt zich ruim honderd vierkante meter vloeroppervlak uit waar het duidelijk woekeren is met de ruimte. Je moet om dozen heen lopen, oppassen dat je je knie niet stoot aan een rollator die maar niet wordt verkocht en iedereen dusdanig in de weg staat dat hij continu wordt verplaatst. Door de komst van een aantal extra vrijwilligers, mensen die door ziekte en andere tegenslag aan de zijlijn zijn beland en hier met plezier een of meer dagdelen in de week komen meehelpen, is het al wel in rap tempo overzichtelijker geworden. Gezamenlijk krijgen ze steeds meer greep op de enorme instroom van goederen. De kledingafdeling, die ruim een derde van de loods beslaat, is er flink op vooruit gegaan.

Om toegankelijk te zijn voor mensen met weinig geld houdt Het Gulle Goed de prijzen doelbewust klein. Met name de kleding is aanmerkelijk goedkoper dan in een reguliere kringloopwinkel. Een goede winterjas bijvoorbeeld kost standaard drie euro. Voor wie zelfs dat niet kan betalen wordt ook nog wel eens over het hart gestreken. Het geld dat na aftrek van de vaste lasten en de vrijwilligersvergoedingen overblijft van de opbrengsten gaat in de pot waaruit een andere, minstens even belangrijke activiteit van Het Gulle Goed wordt gefinancierd: het bieden van hulp aan mensen bij wie het water tot boven de lippen dreigt te stijgen.

Midden in de ruimte staat een tafel met stoelen eromheen. Tussen de koffiebekertjes, de aangebroken doosjes Turks fruit en allerhande dingetjes die om onduidelijke reden daar moeten liggen is een hoekje uitgeruimd voor het geldkistje en een kasboek waarin elke betaling wordt genoteerd. De bureaustoel die er staat is gereserveerd voor de caissière van dienst. Meestal is dat Marja. Ze zit er ook vaak omdat ze enorme last heeft van haar rug, maar tussendoor kan ze het niet laten om met spullen te sjouwen.

‘Goedemorgen, Willem. Alles goed?’ roept ze naar de man die toch even bij de kersttafel is blijven hangen.

Marja Bussink (49) is het markante gezicht van Het Gulle Goed. Ze woont om de hoek, als de loods is geopend is ze altijd aanwezig. Met haar gedrongen figuur, haar vaak wat slonzige uiterlijk – ongekamde lange haren, oude fleecetrui, vale joggingbroek – houd je haar gemakkelijk voor een klant uit de kwetsbare doelgroep die ze zo graag wil bedienen. Ze heeft drie zoons met haar vriend die als lasser werkt. Zelf heeft ze een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Ze begroet iedereen die de loods binnenkomt, als het even kan ook bij hun naam. Sommige klanten klaren daar meteen al van op. Vaak weet Marja ook nog iets van iemands privésituatie – een kleinkind dat op komst was, problemen met de sociale dienst. Op een gepast moment informeert ze hoe het ervoor staat.

Willem, een tengere vijftiger met een grauw gezicht en een veel te ruim vallend spijkerjack heeft geantwoord dat alles goed was. Inmiddels heeft hij een dinky toy gevonden. Als hij hoort dat ze twintig cent kosten, zoekt hij er nog eentje uit. Na het afrekenen vraagt hij op fluistertoon of Marja misschien weet hoe het werkt met een bewindvoerder. Hij heeft problemen met de zijne maar heeft geen idee hoe hij ze kan oplossen.

Marja begroet iedereen die de loods binnenkomt. Sommige klanten klaren daar meteen al van op

Na een blik op de andere klanten stelt Marja voor om samen even lekker in het zonnetje te gaan staan. Het gesprek heeft tijd nodig, blijkbaar. Een vrouw schuifelt de loods rond met twee XXL-truien over haar arm. Voortdurend let ze op of Marja al terugkomt. Ze weet dat ze ook bij iemand anders kan afrekenen – er is net een klant vertrokken met een broekriem – maar ze heeft duidelijk iets op haar lever.

Nog voor Marja weer kan gaan zitten steekt de vrouw van wal. Ze vertelt dat het nog steeds goed gaat met haar schuldsanering, maar dat er plotseling een probleem bij is gekomen. De ex-vriend van haar zus is sinds hij een ex werd moeilijk gaan doen over het geld dat hij aan haar heeft geleend. Hij heeft al eens stampij gemaakt voor de deur, stond laat op de avond op de ruiten te bonken. Om achthonderd euro gaat het. Ze heeft het niet. Ze heeft niet eens budget om hem een afbetalingsregeling voor te stellen.

Naar de politie gaan durft ze niet omdat ze bang is dat er dan een veiligheidsmelding naar de gezinsvoogd gaat terwijl het met Jeugdzorg nou eindelijk net een tijdje lekker loopt. Zal ze een poosje gaan zwartwerken? Maar wat als de sociale dienst daar achter komt? Ze weet het niet meer, kan er niet meer van slapen. Bevreesd voor het geklikspaan tussen instanties durft ze alleen nog aan Marja advies te vragen. De truien heeft ze bij nader inzien niet nodig. ‘We hangen ze straks wel voor je terug’, zegt Marja rustig.

Marja Bussink, het gezicht van Het Gulle Goed

Dat mensen zo graag met Marja praten is mede omdat ze weet hoe het is om in de penarie te zitten. Tegenover bezoekers steekt ze dat ook niet onder stoelen of banken. Ze weet hoe het is om in de schulden te zitten, als je gas en licht worden afgesloten, als je je zoontjes moet wassen in een speciekuip die je vult met water dat je pannetje voor pannetje hebt verwarmd op een campinggasstelletje.

Marja’s financiële ellende was rond 2007 begonnen toen zij en haar vriend waren opgelicht door een kennis. De schulden waarmee ze door zijn toedoen werden opgezadeld bleken ze niet te kunnen afwentelen. Op een zeker moment sloeg de wanhoop toe. Een aanbod om wat bij te verdienen met een kleine wietplantage leek opeens aanlokkelijk. We doen het alleen voor die schulden, dachten Marja en haar vriend. Als we die eruit hebben, kappen we er meteen weer mee. Voordat het zo ver was stond de politie op de stoep en werden ze hun woning uitgezet.

Het was winter, 2013 inmiddels. Het gezin belandde op een camping voorbij Wierden. Een klotetijd was het, maar ze zijn hem te boven gekomen. De schulden zijn zo goed als afgelost en ze wonen al weer een jaar of wat in een gewoon huis hier op De Riet. Ze wil er maar mee zeggen – en die boodschap geeft ze er in de loods soms letterlijk bij: het is heel ellendig om in de shit te zitten, maar je kunt er ook weer bovenop komen.

Ze kan maar moeilijk tegen het slachtofferschap dat een deel van de bezoekers van Het Gulle Goed tentoonspreidt. Ze wordt kriegel van hun gelatenheid, maar probeert dat niet te laten merken. ‘Kom een keer een paar uurtjes meehelpen’, moedigt ze op haar monterst soms iemand aan die alleen maar kan klagen. Die mensen zeggen dan een soort van ja, maar komen er nooit meer op terug. Zelf móet ze bezig zijn. De depressie op afstand zien te houden. Ze weet hoe zwart het kan worden als ze zich door haar altijd ergens sluimerende levensverdriet in de diepte laat trekken. Zoals dat toen voelde, daar wil ze nooit meer naar terug.

Met de deprimerende verhalen over armoede kan ze goed omgaan. Ze gaan haar nog steeds onder de huid zitten, maar zijn inmiddels ook min of meer vertrouwd geworden. In de gezinnen waar het misgaat is armoede nooit het enige probleem. De mensen zijn altijd op meerdere manieren in hun weerbaarheid aangetast. Ze hebben problemen met hun gezondheid, lijden onder vergiftigde (familie)relaties, beschikken dikwijls niet over een netwerk waarop ze veilig kunnen terugvallen, laat staan een dat hen vooruit kan helpen. Heel vaak speelt er een licht verstandelijke beperking mee. Deze mensen zijn niet in staat om hun verantwoordelijkheden als burger en consument op een volwaardige manier te dragen. De ellende daarbij is dat zij dit zelf niet onderkennen en de maatschappij net zo min. Met de kinderen in dit soort gezinnen heeft Marja nog het meest te doen.

Van sommige van haar klanten kent ze de grootouders nog. Hen leerde ze kennen toen ze dertig jaar geleden met haar vriend ging samenwonen in Almelo, op een flatje in de volkse wijk Goossenmaat. Ze was negentien, wist tot dan toe alleen hoe het leven was in Delden. In dat welvarende stadje in de buurt van Hengelo groeide ze op in een middenstandsgezin. Haar jeugd was niet bijzonder gelukkig – ze werd veel gepest en had een vader die haar leek te kleineren om het simpele feit dat ze een meisje was – maar wel volledig vrij van financiële zorgen. De mensen in haar omgeving leken helemaal in weelde te leven.

In Almelo ontdekte ze een andere wereld. Ze was de hbo-opleiding jeugdwelzijnswerk begonnen en kwam eind jaren tachtig voor haar eerste stage op de Kerkelanden terecht, destijds een van Almelo’s meest beruchte wijken. Een groot deel van de bewoners was laaggeschoold en werkloos. Men zat collectief in de uitkering, er werd veel gedronken, de omgangsvormen waren ruw. Voor de kinderactiviteiten die de jonge stagiaire Marja mede-organiseerde bleek weinig belangstelling. De eigen bijdrage van vijftig cent wierp nog een extra barrière op. Marja was geschokt door de uitzichtloosheid waarin de kinderen leken op te groeien. Tegelijk was ze er nu echt van overtuigd dat ze de juiste opleiding had gekozen.

Ze zou haar diploma niet behalen. Op haar 21ste moest ze noodgedwongen met haar opleiding stoppen vanwege een zware depressie. Toen ze daarna de draad probeerde op te pakken met werk in een fabriek raakte haar linkerarm verbrijzeld bij een gruwelijk ongeluk met een machine. Vanuit de wao probeerde ze weer op te krabbelen, bokste ze een uitzendcarrière in de bedrijfsadministratie voor elkaar, maar ook deze bleek van korte duur. Persoonlijk leed dreef haar opnieuw naar een depressie, nog zwaarder deze keer. Bijkomende fysieke ongemakken bezegelden vervolgens haar lot als volledig arbeidsongeschikte.

Ondanks de diepe persoonlijke dalen bleef Marja zich inzetten voor haar kwetsbare stadgenoten. Ze was betrokken bij de oprichting van de eerste voedselbank in de stad, ontwikkelde daarna een initiatief waarbij ze Facebook inzette als platform voor een grootschalige uitwisseling van boodschappen, goederen en kleding. Samen met Trudy en Gerrie, twee vrouwen die ze via Facebook had leren kennen, bouwde ze vervolgens aan wat Het Gulle Goed nu is.

Gedrieën houden Marja, Trudy en Gerrie de twee zeer actieve Facebook-pagina’s van Het Gulle Goed in de lucht. De ene pagina, die nu 3700 leden telt, is gericht op het etaleren van het assortiment en het veilen van spulletjes. Met een flinke omloopsnelheid worden kledingstukken, woonaccessoires, huishoudelijke artikelen, speelgoed en wat niet al aangeboden. Iedereen kan er een openbaar bod uitbrengen vanaf een bepaald bodemprijsje.

De andere pagina, met 2200 leden, is specifiek gericht op mensen met weinig geld. Hier staan aankondigingen over gratis op te halen brood of de aankomst van een nieuwe partij hondenbrokken die voor niets vanuit de loods wordt weggegeven. Met vrolijke acties en simpele raadspelletjes worden er prijzen weggeven, meestal tegoedbonnen die Het Gulle Goed zelf op de kop heeft getikt of gekregen van sympathisanten die hebben meegedaan aan een spaaractie van de supermarkt of een cadeautje hebben gekregen van de Postcodeloterij. Om de zoveel tijd wordt er een beautypakket verloot, waar steevast grif op wordt gereageerd.

‘Ronny, je kunt nu al niet zorgen voor je eerste vier kinderen. En hoe moet het als ze ouder worden?’

De Facebook-activiteiten dragen uiteindelijk bij aan de aanloop naar de Boomshoeksstraat: geveilde spulletjes en gewonnen prijzen moeten worden afgehaald in de loods.

Het is zaterdagochtend, een stralende dag. Door de open deur klinkt het geluid van over trekkende ganzen. Marja bemant de loods in haar eentje, tot een uur of elf, speciaal voor de uitgifte van het brood. Zo’n anderhalve maand geleden was dat er opeens. Een man uit de omgeving van Almelo, ze kende hem niet, meldde zich met het aanbod om iedere week een partij brood af te leveren bij Het Gulle Goed. Hij is vrachtwagenchauffeur, rijdt beneden de rivieren op supermarkten die aan het einde van de dag het brood uit de schappen hebben gehaald. Prima brood is het nog, in een verbluffende hoeveelheid. Het wordt verwerkt tot paneermeel en veevoer – op de kadetjes, krentenbollen en meergranen vloerbroden na die dus op zaterdagochtend voortaan via Het Gulle Goed hun weg vinden naar allerlei Almelose voorraadkasten en vriezers.

Een vrouw, Ilse heet ze, loopt te stuiteren van de stress. Ze wacht tot Marja de loods heeft afgesloten en ze met haar mee kan lopen. ‘Ik kan nog niet rustig doen’, verontschuldigt ze zich. Ilse is een lange, stevige vrouw van begin veertig. Ze kampt met een borderlinestoornis en lijdt aan ptss. Als alleenstaande moeder van een dochter van twaalf kan ze het krap aan redden van haar bijstandsuitkering als er niets misgaat. Maar nu is er dus iets mis. De accu van haar oude autootje is stuk – en als haar auto het niet doet wordt ze gek.

Ze heeft hem nodig om op ieder moment, bij nacht en ontij, naar de Randstad te kunnen racen. Daar wonen haar twee oudste, net meerderjarige kinderen met wie het psychisch bepaald niet goed gaat. In geval van een crisis wil ze direct bij hen kunnen zijn, en als dat niet kan, zoals nu, slaat bij haar de paniek toe. Ze wil dat niet voelen, maar vooral wil ze niet dat haar dochter van twaalf lijdt onder de toestand.

Het geld dat ze bij elkaar kan schrapen is niet genoeg om de garage te betalen. Ze kent niemand in haar omgeving aan wie ze geld zou durven of kunnen vragen. Ook aan Marja was ze niet van plan geweest iets te vragen, ze kwam alleen voor het brood, maar toen Marja vroeg wat er scheelde had ze het er met zoveel emotie uitgegooid dat ze er nog kortademig van was.

‘Ga je mee?’ vraagt Marja als ze de loods heeft afgesloten. Na een korte wandeling van twee keer rechtsaf opent ze de deur van de andere opslag. In keurige stellingkasten staat een voorraad levensmiddelen uitgestald. Conserven, rijst en deegwaar, aardappelpuree, koffie en thee, tandpasta, shampoo, wc-papier, schoonmaakmiddelen, enzovoort. De goederen zijn gekocht van de inkomsten van de kringloopverkoop, aangevuld met de opbrengsten van zegelacties of giften van sympathisanten.

Marja laat Ilse een tas vullen met wat ze op dit moment het hardst nodig heeft. Daar bovenop geeft ze haar een cadeaucheque van een supermarkt ter waarde van twintig euro. Dolblij neemt Ilse afscheid. Het geld dat ze gereserveerd had voor de boodschappen van volgende week kan ze nu alsnog pinnen om bij het bedrag voor de garage te doen. Meteen vanmiddag nog haalt ze haar Peugeootje weer op. Misschien wordt het nu toch nog een rustig, doodnormaal weekend.

Dit zijn de acties waar Marja stiekem het meest van geniet. Ze is een doordenker en beredeneert wat voor potentiële drama’s hiermee misschien wel zijn voorkomen – voor Ilse, voor haar dochtertje, haar twee oudere kinderen, en uiteindelijk dus ook voor de maatschappij. Het directe helpen op maat, meteen één op één, is waarin Het Gulle Goed zich in alle stilte het meest onderscheidt. Regeltjes of procedures zijn er niet. Het gaat alleen om vertrouwen, en om de verwachting dat de steun iets zinvols oplevert voor de persoon in kwestie.

Bij twijfel consulteren Marja, Trudy en Gerrie elkaar vlug via de groepsapp en hakken dan gezamenlijk de knoop door of en in welke mate iemand door hen wordt geholpen. Soms betalen ze de ID-kaart voor iemand die platzak is maar wel eerst die ID-kaart moet hebben voordat hij een uitkering kan aanvragen en die door geen enkele instantie uit deze patstelling wordt gered. Een poosje geleden kocht Marja een tweedehands fiets voor een vrouw die zo meteen al de volgende dag kon beginnen met haar uitzendbaan op een afgelegen industrieterrein.

Sowieso springt Het Gulle Goed iedere week wel een paar keer bij voor mensen die in broodnood zitten. Meestal zijn het mensen die in een bureaucratisch gat zijn gevallen, een periode zonder inkomen tegemoet gaan en geen financiële reserves hebben om die te overbruggen. Mensen bijvoorbeeld die een gezin draaiende hielden met laagbetaald, laaggeschoold werk, door hun baas werden wegbezuinigd en het niet konden bolwerken met de tijdelijke baantjes die ze daarna bemachtigden. Ze kunnen wel een uitkering aanvragen, maar voordat ze die na zes weken voor het eerst krijgen uitbetaald zijn ze al kopje onder gegaan.

Regelmatig ook zitten er mensen tussen die onder beschermingsbewind staan maar om wat voor reden dan ook geen leefgeld kunnen pinnen voor de wekelijkse boodschappen. En – schrijnend en traditioneel – vrouwen met kleine kinderen die plotseling zijn verlaten door hun partner die kostwinner was. Laatst nog meldde zich zo’n vrouw, hoogzwanger was zij zelfs. Ze had geen rooie cent meer, maar moest nog wel twee maanden geduld hebben voor de toekenning van haar bijstandsuitkering was afgerond.

In alles wat op dat moment essentieel is, wordt voorzien. Luiers, kattenbrokjes, suikervrije producten? Geen probleem. Zo nodig kunnen mensen ook gratis kleding uitzoeken in de kringlooploods. Aan overdaad doen ze echter niet bij Het Gulle Goed. Mensen worden van harte op weg geholpen, maar dat is dan ook precies wat het is: daarna moet iedereen die dat kan die weg zo snel mogelijk weer op eigen kracht zien te vervolgen.

Met hardvochtigheid heeft die kortstondige en afgemeten hulp niets van doen. De drie vrouwen achter Het Gulle Goed gaat het uiteindelijk om het versterken van het zelfrespect van hun klanten. Wat je zelf kunt, moet je zelf doen, ook al is dat eerst nog even moeilijk.

Die houding wordt hun niet altijd in dank afgenomen. Zeker Marja niet, die in haar positieve drang om mensen te prikkelen nogal eens bot uit de hoek kan komen. Mensen die klagen over wat hun nu weer is overkomen wrijft ze als het even kan hun eigen rol onder de neus. Aan een man van 34 die hoewel hij werkt structureel rond de armoedegrens bivakkeert, vroeg ze wat hem bezielde om zijn vrouw voor de vijfde keer binnen zeven jaar zwanger te maken. ‘Je kunt nu al niet zorgen voor die eerste vier, Ronny. Denk je er wel eens aan hoe het moet als je kinderen ouder worden? Of dacht je dat een opleiding gratis is?’

Ronny was boos vertrokken. Maanden geleden was dat. Zaterdag stond hij opeens weer voor haar. Hij had op Facebook gezien dat er brood werd uitgedeeld. En niet omdat Marja hem iets had gezegd, nee echt niet, maar hij wilde toch wel even vertellen dat hij voor zichzelf een afspraak had gemaakt in het ziekenhuis.

‘Zou je dat nou wel doen?’ vraagt Marja. Een vrouw van wie zij weet dat ze een lichte verstandelijke beperking heeft meldt zich bij haar aan tafel om een aantal spullen af te rekenen. ‘Je moet het helemaal zelf weten’, zegt Marja, ‘maar de vorige keer zei je dat je een tijdje niets zou kopen omdat je niet uitkomt met je weekgeld.’ Hevig in dubio kijkt de vrouw naar het afdruiprekje, een beeldje van een kat, een helft van het knuffelbeestenduo Woezel en Pip en een fotolijst met antiekachtige ornamenten. Ze kiest het afdruiprekje. Ze betaalt vijftig cent, mompelt een groet en gaat op weg naar haar scooter. ‘Samantha, wacht even!’ Marja snelt haar achterna met Woezel in de hand. ‘Deze krijg je van mij.’


Mirjam Pool publiceerde bij Atlas Contact Alle dagen schuld (2007) en Procedures en pistolen (2013)