Groen

Winterzingen

Er woont hier, in de wilgenrij langs de zijtak van het IJ, een merel. Dat is helemaal niet raar, het barst natuurlijk van de merels, waarover Petersons Vogelgids verrassend genoeg zo begint: ‘Algemeenste en wijdverspreide lijster’. Wel raar aan deze merel, tenminste, dat vind ik, is dat-ie wakker wordt van allerlei geluiden – brommers, zingende nachtbrakers op de fiets, door de wind over klinkers voortgeblazen lege colablikjes – en het dan meteen op een zingen zet. Midden in de nacht dus. Er zijn ook nachten dat hij niet eens verstoorders nodig heeft. Hij zingt erg mooi, dat moet ik hem nageven, toch heb ik liever dat hij het laat. Ik wil nog wel eens wakker zijn, midden in de nacht, of nog niet slapen. Zijn zang, ‘zeer melodieus’, doet me denken dat het zomer is en dat het, als hij begint, over een kwartier licht wordt. Dat wordt het dan nog vijf uur lang niet, wat me ook weer van de rel maakt, waardoor ik het slapen helemaal kan vergeten. Soms raak ik zo van de wijs dat ik uit bed moet, om door de ramen naar buiten te kijken, me ervan te overtuigen dat de bomen toch werkelijk kaal zijn. Ik doe niet het raam open om de merel iets toe te roepen, ik ken hem zo langzamerhand: dat zou hem alleen maar opwinden, waardoor hij helemaal zijn bek niet meer houdt. Hij zingt om het zingen, want wie gaat er nou halverwege december om een vrouwtje roepen?
Als ik daar dan zo sta, voor de ramen, zou ik graag weer een jongen zien lopen als een rendier. Niet in Londen, maar in Amsterdam. Met die zingende merel als achtergrondmuziek. Voor mijn woongebouw is een groot plein, daaroverheen zou hij kunnen rennen, springen, ontwijken, snellen, en voor je het weet – het is immers nacht, iedereen slaapt – zou hij oneindig snel en oneindig ver gaan, straten, velden, wouden door. Zeeën, bergen, beken over. Hij zou razen, stuiven, jagen. Het plein blijft leeg en koud. Dan ga ik weer naar bed. En denk: winter, het is winter. De merel zingt. Bijna kerst.