2 juli 1923 - 1 februari 2012

Wislawa Szymborska

Geestdrift en vertwijfeling waren haar bijzondere kenmerken, schreef ze. De kern van Szymborska’s werk: de liefdevolle aandacht voor de uniciteit en onvervangbaarheid van ieder mens. Ondanks alle treurnis is er toch troost.

NIETTEGENSTAANDE de verschrikkingen van de wereldoorlogen en de langdurige repressie van een stompzinnig bewind zijn de Polen erin geslaagd een cultureel zelfvertrouwen te behouden en is de Poolse literatuur van de twintigste eeuw een monument van humaniteit geworden. Wisawa Szymborska, die vorige week op 88-jarige leeftijd in Krakau overleed, was een exponent van die beschaving. De Nobelprijs voor literatuur maakte haar in 1996 tot een internationale grootheid, wier gedichten overal ter wereld gekoesterd werden als bronnen van milde wijsheid. In Nederland werd haar werk vertaald door Gerard Rasch.
Szymborska woonde vanaf 1929 in Krakau, waar zij na de oorlog Pools en sociologie ging studeren. In 1945 verscheen haar eerste gedicht in een krant, maar het zou tot 1952 duren voor er een bundel uitkwam. Als veel Poolse intellectuelen sloot zij zich aanvankelijk vol overtuiging aan bij de communistische partij, waarvan ze pas in 1966 openlijk afstand nam. Toch staan er al in Roepen naar Yeti (1957) gedichten die pleiten voor compassie en tolerantie. In Rehabilitatie schrijft ze, naar aanleiding van de verkettering en executie van zogenaamde verraders:

Het oudste recht van de verbeelding hanterend
roep ik voor het eerst zolang ik leef de doden op,
en luister of ik stappen hoor, tuur naar hun gezichten,
hoewel ik weet: eenmaal gestorven is geheel gestorven.

Dat engagement, doorgaans op ingehouden toon geformuleerd, is een kenmerk van Szymborska’s werk gebleven. In 2002 publiceert ze Een foto van 11 september: ‘Ze sprongen uit de brandende etages naar beneden -/ een, twee, nog een paar/ hoger, lager.’ Er is tijd genoeg, zegt ze, 'voor het haar om los te waaien,/ voor de sleutels en het kleingeld/ om uit de zakken te vallen’. Wat kan de poëzie in zo'n geval uitrichten? Dit:

Ik kan maar twee dingen voor hen doen -
die vlucht beschrijven
en geen laatste zin toevoegen.

Szymborska wordt vaak geprezen om haar humor. Zeker heeft ze oog voor het ongerijmde, maar haar poëzie is verre van vrolijk. In de ontroerende documentaire die John Albert Jansen vorig jaar over haar maakte (uitgezonden in Het uur van de wolf, zie www.hollanddoc.nl) zien we haar weliswaar geregeld lachen, maar haar ogen lachen niet mee. Ook de beelden van de Nobelprijs-ceremonie en het diner in Stockholm zijn veelzeggend. Enerzijds straalt haar fragiele verschijning aristocratische distantie uit, anderzijds wekt ze een uitermate kwetsbare indruk, als voelt ze zich totaal ontheemd. Alleen wanneer ze in haar eigen huis, de onafscheidelijke sigaret binnen handbereik, haar gedichten voorleest, lijkt ze zich op haar gemak te voelen. 'Mijn bijzondere kenmerken zijn/ geestdrift en vertwijfeling’, aldus het eerste gedicht van de bundel Einde en begin (1993).
Het oeuvre dat Szymborska nalaat is niet omvangrijk, en een groot deel van haar gedichten zal de 21ste eeuw niet overleven. Daarvoor zijn ze te onnadrukkelijk en te transparant, zodat éénmaal lezen volstaat. Een veelgebruikte kunstgreep is de opsomming: in de eerste strofe wordt een idee gelanceerd, dat vervolgens in een te lange reeks voorbeelden of consequenties wordt uitgewerkt. Het schrijven van een c.v. draait om de gedachte dat een curriculum vitae alles wat essentieel in een mensenleven is buiten beschouwing laat. 'Ongeacht de lengte van het leven/ moet het c.v. kort zijn.’ Dan voegt de volgende regel weinig toe: 'Bondigheid en selectie zijn verplicht.’ Dit is een sterk detail:

Van alle liefdes volstaat de echtelijke,
en van de kinderen alleen die welke geboren zijn.

Minder pregnant is het advies zwijgend voorbij te gaan aan 'honden, katten, vogels,/ rommeltjes van vroeger, vrienden, dromen’. Dat het c.v. een afstandelijk genre is, behoeft geen nadere illustratie. Toch maakt juist die kalme overdaad aan sprekende details een aantal van Szymborska’s gedichten tot wondertjes van subtiliteit. Een klein meesterwerk is De vrouw van Lot (1976), waarin dit naamloze slachtoffer van mannelijke geschiedschrijving op sublieme wijze stem geeft aan de onuitputtelijke nuances van het denken, het zien en de emoties. 'Naar men zegt keek ik om uit nieuwsgierigheid’, zo begint ze, maar daarnaast 'kon ik andere redenen hebben’. Volgt een opsomming van mogelijke motieven voor haar impulsieve daad, die elkaar geenszins uitsluiten:

Ik keek om uit verdriet over een zilveren schaal.
Uit onoplettendheid, toen ik het riempje van mijn sandaal vastbond.
Om de rechtschapen nek van mijn echtgenoot Lot
niet steeds voor me te zien.

Na een tiental andere suggesties stelt ze vast:

Ik keek om alle hierboven opgegeven redenen.
Ik keek om buiten mijn wil.

Niet alleen maakt dit gedicht de complexiteit van het menselijk handelen aanschouwelijk, het kan ook gelezen worden als vertoog over de plaats van het individu in de geschiedenis. Dat is waarschijnlijk de kern van Szymborska’s werk: keer op keer schenkt ze liefdevol aandacht aan de uniciteit en onvervangbaarheid van ieder mens. Ondanks alle treurnis biedt deze dichter toch een vorm van troost:

Er is geen leven dat nooit,
al was het maar een ogenblik,
onsterfelijk is geweest.