Wissel

Ik zat midden in de nacht boven aan de trap, gehuld in een vest, te luisteren naar de geluiden van mijn huis. Er kraakt veel in mijn huis, ook ’s nachts. Er gorgelt iets in pijpen. Af en toe klinkt er geritsel vanaf het dakterras: meestal een kat, soms een vogel. Ik rilde, van moeheid en van de zeurende kiespijn die me wakker had gehouden. Uit de slaapkamer klonk nu ook het zachte snurken van mijn man. Terwijl ik in het schemerdonker wachtte tot de paracetamol zou werken, dacht ik aan slijtage en vergankelijkheid. Kiespijn helpt daarbij.

Ik moest ook aan Dennis denken, de ver­warmingsman. Hij was ’s morgens langs ge­komen omdat onze douche al een tijdje niet meer goed warm wordt. Dennis had een klep geopend en in het inwendige van de HR-ketel gekeken en daar wat gefrutseld. Het duurde niet lang voor hij de klep weer sloot. Toen schreef hij iets op een formulier en scheurde een doordruk voor me af. Er stond iets opgekrabbeld dat ik niet goed kon lezen. ‘En?’ vroeg ik. ‘Is hij stuk?’ Want zo denk ik toch meestal als het om apparaten gaat. Heel of stuk. ‘Nog niet’, zei Dennis, terwijl hij zijn jas weer aantrok. ‘Maar hij heeft zijn beste tijd gehad.’ Ik keek weer naar het formulier. ‘Dus er is niks meer aan te doen?’ vroeg ik. Dennis schudde zijn hoofd. ‘De wissel is verkalkt’, zei hij.

Dat vond ik mooi klinken. Het gaf het ondoorgrondelijke ineens iets uiterst menselijks. Je kunt je best voorstellen dat iemand zoiets over zijn bejaarde vader zegt. ‘Hij loopt nog best voor zijn leeftijd. Maar zijn wissel hè? Die is verkalkt.’ Dan zou je begripvol kunnen knikken. Ja, zou je denken. Die vader gaat stuk, dat is wel duidelijk. Ik stak een vinger in mijn mond en drukte zacht op de kies. Pijnlijk, maar minder pijnlijk dan een kwartier geleden. Vanuit de slaapkamer klonk een slaperig: ‘Doejedaar?’ Ik dacht: ik zit hier en ik verkalk. Jij verkalkt ook. Wij verkalken allemaal. ‘Ik kom zo’, zei ik. ‘Ga maar lekker slapen.’