Wisselwerking

Dante’s uitzonderlijke manier van vertellen raakt aan de geheimzinnige interactie van Giotto’s kleuren.

Giotto, De ontmoeting bij de Gouden Poort, Jeruzalem, ca. 1305. Fresco © Scrovegni (Arena) kapel, Padua, Italië

Schilders hebben kleuren die beeldende ruimte scheppen. Om in een relaas een vertelling teweeg te brengen beschikken dichters over de beweging van woorden. Ik bedoel: daar hebben we ze weer, de onvergetelijke tijdgenoten Dante en Giotto. In het derde canto van Inferno komen Dante en Vergilius eerst aan in het begin van de Hel. Vervolgens worden ze door de veerman Charon de rivier de Acheron overgezet naar het Limbo, een voorportaal. Bij de overtocht was Dante in slaap gevallen. Hij wordt wakker als bij een donderslag: zoals een mens die met geweld gewekt wordt. Hij is in het verhaal nu aangekomen in het vierde canto: ik bevond me boven ’n steilte/ die afdaalt in ’n ravijn van peilloos leed// ’t Was donker en vol nevel en zó diep/ dat, ook al tuurde ik nog zo ingespannen/ omlaag, ik ginds niets onderscheiden kon. Het wordt steeds donkerder in de Hel, zo vertelt Dante de lange lijdensweg. Het is donkerder, er is hellevuur, uiteindelijk wordt het heel erg koud. Voor een Italiaan, gewend aan warmte in de zon, was dat het tegendeel van leven.

We kijken naar de paarse en geelbruine ­dubbel-gestalte. De ontmoeting

Zonder daglicht kan de mens niet om zich heen kijken, noch de kleuren zien en alle andere schoonheid in de wereld. Duisternis is de hel. Toen Dante daar dan stond, net wakker, verward en radeloos, zei Vergilius: Laat ons nu dalen in de blinde wereld. Ik ga eerst, jij volgt. De tijd dringt, want de weg is lang. Eigenlijk lopen ze op de tast in het donker waar ze nog wel schimmen tegenkomen. Zo komt Dante’s uitzonderlijke manier van vertellen op gang. Onderweg komt hij mensen tegen en raakt in gesprek. Nog vandaag de dag komen in Italië mensen elkaar bij toeval op het stadsplein tegen en raken aan de praat. Soms geven ze elkaar de arm en lopen al keuvelend samen op, hun hoofden dicht bij elkaar. Zo stel ik me Dante voor. Intussen zijn we onderweg in het vierde canto. Hij komt aan het eind daarvan. De laatste regel is zwart en onbegrijpelijk mooi: E vegno in parte ove non è che luca – waar ik hier kwam is er niets dat nog licht gaf. Het zijn negen woorden, die laatste zin, waarin wordt gezegd dat het donkerder niet kan. De woorden zijn afgemeten en kort en strak van vorm. Wat gezegd wordt laat geen twijfel, is onverbiddelijk.

Nu een fresco. De beeldrichting in De ontmoeting bij de Gouden Poort is naar rechts. Joachim kwam die kant op. Hij kwam van ver, uit het blauw. Hij is blootsvoets als een pelgrim die is komen lopen. Anna kwam hem tegemoet. Hij komt thuis. Zij omarmen en kussen elkaar aan het begin van de brug. Zoals de twee elkaar vasthebben, vormen zij een enkele gestalte die links stevig op de voorgrond staat. Dat is waar de beeldbeweging even stilstaat. Zo heeft Giotto dat gearrangeerd, om aan hen en ook hun kleuren meer aandacht te geven. Over zijn blauwe onderkleding draagt Joachim de paarsroze mantel die hij in eerdere scènes al droeg. Anna heeft een wijdvallend geplooide jurk aan die geelbruin is.

Jan Dibbets, Colorstudy C1, 1976 (1 van 4). Kleurenfoto, 50 x 50 cm © Peter Cox, Eindhoven / Collectie Van Abbemuseum, Eindhoven

Voor een schilder zijn dat gewoon twee kleuren tegen elkaar. Dat stille contrast geeft een rustige energie. Tussen de twee kleuren, waar de kleren elkaar raken, zien we dunne schaduw. Er schijnt licht op die plooien van kleur. Daardoor kregen hun gestalten meer volume. Dat was een kunstige uitvinding van Giotto. Veel later zien we iets dergelijks gebeuren in een Colorstudy van Jan Dibbets. In dat paneel heeft hij de kleur, een helder rood, geabstraheerd van de figuratie. Dat was na Mondriaan. De Colorstudy laat zien hoe licht op kleur vorm op zich werd. Het was een strakke foto van een stuk gelakte carrosserie van een rode auto. We zien bewegende reflecties van schaduwrijk licht op buigzaam rood, wonderbaarlijk onbeweeglijk in een vierkant samengevat. Intussen bleef de kleur helder leven.

Zo zien we ook bij Giotto geheimzinnige wisselwerking tussen kleuren. Kleur krijgt meer luister die als vanzelf ontstaat. De kleine brug voor de Gouden Poort is wit. Iets minder wit zijn de hoge muren van de stad. Het daglicht komt van rechts. Zo ontstond er in de hoekige tekening van de muur wat schakering van lichtgrijs en mat wit. We kijken naar de paarse en geelbruine dubbelgestalte op de brug. De ontmoeting. Daarachter zien we, tegelijkertijd, het strak grijze wit van de muren. Dat is een volume heldere kleur waartegen andere kleuren zich aftekenen. Onder de poort staat een vrouw in een crèmewitte jurk, een warm wit dat stralender is dan het wit van de muren. Daarachter staat een statig meisje in een frisrode jurk. De werking van dat rood tegen het crèmewit is daarom zo levendig omdat er terzijde, in de poort, nog die raadselachtige vrouw staat in egaal zwart en de helft van haar gezicht zwart bedekt. Dat ensemble van de vrouwen en de subtiele wisseling van kleuren zijn zo licht als muziek. Misschien zongen ze wel. Ook wat betreft hun kleuren behoren Joachim en Anna tot die groep. Het zou zomaar kunnen: voor de regie van kleuren had Giotto misschien mannequins die hij voor zich liet bewegen.


PS. Voor Dante heb ik De Goddelijke Komedie in Rob Brouwers vertaling gebruikt, uitgave ook met Italiaanse tekst, Primavera Pers, Leiden, 2016