Wist Dickinson wel hoe goed ze was?

WELK EEN WAAGSTUK IS EEN BRIEF: BRIEVEN VAN EMILY DICKINSON
Gekozen en vertaald door Bert Keizer
Ambo/Anthos, 328 blz., € 24,95

Toen de Duitse romantische dichteres Annette von Droste-Hülshoff (1797-1848) rond 1840 hevig verliefd werd op een man die zeventien jaar jonger was dan zijzelf probeerde ze iedereen, inclusief zichzelf, ervan te overtuigen dat zij niet meer dan een verheven soort genegenheid voor hem voelde. Dat deed ze niet alleen omdat ze als lid van een adellijke familie beducht was voor haar reputatie, maar ook omdat het hebben van seksuele gevoelens niet strookte met haar zelfbeeld van romantische dichter. Romantici mogen immers, net als genieën, per definitie alleen maar verlangen. Zodra ze consumeren, dalen ze af tot het niveau van aardse stervelingen en verliezen ze hun goddelijk aureool. Dat hoeft niet per se de opvatting te zijn van de kunstenaars zelf, maar de meeste literatuurwetenschappers hebben lange tijd wel zo gedacht. Sommigen menen nog steeds dat genieën op alle fronten in hogere sferen vertoeven.
Probeer zulke vooroordelen maar eens te ontkrachten. Toen de Amerikaanse dichteres Genevieve Taggard in 1930 een valentijnskaart ontdekte van Emily Dickinson (1830-1886) aan George Gould, de beste vriend van Emily’s broer, concludeerde ze dat Dickinson heel normale, menselijke verlangens had gehad. Daarop werd Taggard er onmiddellijk van beschuldigd dat ze Dickinsons leven tot een Hollywood-romance had willen verlagen. Dat Dickinsons schoonzus ooit aan een vriendin had geschreven dat ze Emily in de armen van een oudere man had aangetroffen en dat Emily en haar zus geen idee van moraal hadden, is algemeen bekend, maar wordt in de literatuur over Dickinson meestal verzwegen.
Nu is het beeld van Dickinson als kuise mystica wel bijzonder hardnekkig. Dat heeft te maken met haar bijna hermetisch aandoende gedichten en met een gebrek aan bronnen, maar vooral met haar status als negentiende-eeuwse kunstenares. Onlangs ontdekte de Amerikaanse wetenschapster Carol Damon Andrews een dagboek van de pianolerares van Dickinson. Daaruit blijkt dat Emily daadwerkelijk verloofd was geweest met Gould, maar dat haar vader haar had verboden met Gould te trouwen. Emily was volgens haar lerares ontroostbaar geweest over de beslissing van haar vader. Toen Andrews haar bevindingen deze zomer in het gerenommeerde tijdschrift New England Quarterly publiceerde, kwam daar geen enkel commentaar op. De enige die het nieuws oppikte was de essayist en criticus Christopher Benfey. In The Washington Post van 9 oktober schreef hij naar aanleiding van Andrews’ artikel dat het idee dat Dickinson er een normaal liefdesleven op nahield, met normale verleidingen en normale teleurstellingen, voor de meeste mensen nog steeds onacceptabel is. ‘Maar van mysterie en mystiek’, concludeert Benfey, ‘is hier geen sprake, behalve als het gaat om de manier waarop ze haar al te menselijke teleurstelling in buitengewone gedichten omzette.’
Bert Keizer, wiens vertaling van een deel van Dickinsons brieven dit jaar verscheen, houdt er eenzelfde mening op na als Benfey. In de biografische schets die hij aan de brieven vooraf laat gaan, schildert hij Dickinson als iemand met heel normale angsten en onzekerheden, maar ook met een buitengewoon talent; iemand die weliswaar na haar dood als genie werd beschouwd, maar zich er al te zeer van bewust was dat haar eigen omgeving haar talent niet waardeerde. Dat besef, schrijft Keizer, maakt niet alleen haar gedichten, maar ook haar brieven zo bijzonder. ‘Je kunt haar niet lezen zonder je af te vragen: wist ze wel hoe goed ze was? Ze wist het wel, denk ik, maar ze wist ook dat haar gave nooit op waarde geschat zou worden als ze ermee naar buiten zou komen in de steil calvinistische geloofsgemeenschap waarin zij opgroeide. Als lezer overvalt je een licht verdriet bij de gedachte dat ze zo subliem zong zonder zeker te weten of er iemand luisterde, of ooit zou luisteren.’ Van haar brieven wist ze dat wel. En omdat ze dan ‘voor een publiek van één ander mens stond’, durfde ze zich, zoals Keizer schrijft, daarin wel te laten gaan: ‘Ze nam dan zelfs gedichten mee, en niet als stiekem overhandigde smokkelwaar, maar als onmisbaar onderdeel, of als schitterende opsomming van het geschrevene.’
Wie Dickinson wil vertalen, heeft kennis nodig van de tijd waarin ze leefde, de mensen die ze kende en de boeken die ze las, en een behoorlijke dosis lef. Dat is niet alleen omdat je als vertaler het gevaar loopt van heiligschennis te worden beticht, maar ook omdat je in staat moet zijn Dickinsons speelsheid en haar dagelijkse ervaringen door de mysterieus klinkende regels heen te horen en weer te geven. Dat Keizer lef heeft, dat hij Dickinsons werk kent en respect heeft voor haar talent, maakt zijn vertaling duidelijk. Daarin blijft de mengeling van ernst, humor en passie die het werk van Dickinson kenmerkt stevig overeind. Waar sommige brieven al te mysterieus klinken, geeft Keizer korte toelichtingen, waardoor je begrijpt hoe Dickinson reageerde op gebeurtenissen als de dood van George Eliot, de moord op de Amerikaanse president James Garfield in 1881, of een afgezegde afspraak met vrienden. Ook onduidelijke citaten uit de literatuur identificeert hij, zonder daar al te uitvoerig op in te gaan.
Hoe goed Keizer erin is geslaagd Dickinson als een gewoon mens met een buitengewone begaafdheid te portretteren, blijkt uit zijn commentaar bij een korte brief uit 1886. ‘Lieve Nichtjes’, staat er in die brief: ‘Teruggeroepen. Emily.’ Eronder heeft Keizer geschreven: ‘Dit was haar laatste brief. Op 13 mei raakte ze in een coma. Emily Dickinson overleed op zaterdag 15 mei 1886 om zes uur in de namiddag. “Teruggeroepen” is wel de vertaling van “Called back”, maar Emily en de nichtjes kenden ook een boek met die titel dat ze alle drie met plezier gelezen hadden. Er schuilt dus een aardige knipoog in haar laatste groet.’ Het is jammer dat Benfey geen Nederlands leest.