Wit vel, zwarte ziel

DE KOMENDE week herdenkt de organisatie Freedom op tal van plaatsen in Nederland het heuglijke feit dat er op 1 juli 1863, precies 135 jaar geleden, een einde kwam aan de Hollandse tak van de slavernij. Op die dag werden te Suriname 33.000 slaven en op de Antillen 12.000 slaven van hogerhand tot vrije mensen verklaard.

Het is voor het eerst in die 135 jaar dat er in Nederland zo uitvoerig bij Emancipatiedag wordt stilgestaan. In Suriname is 1 juli allang een Nationale Feestdag. Midden in Paramaribo, rond het beeldje van het negerslaafje Kwakoe dat zijn ketenen verbreekt, ontsteken zijn nakomelingen vreugdevuurwerk en zingen zij dat Sranan hun kondre tru is.
Nu dus, eindelijk, ook wat aandacht in Nederland, voorheen het land van de slavenhalers en de slavenmeesters. Het werd tijd: in de grote steden van dit land worden dezer dagen meer kinderen geboren van Caribische makelij dan van Friese of Noord-Hollandse. Voor hen is ‘Freedom’ een roep om erkenning, een dringend verzoek om hún deel geschiedenis ook op te nemen in het grote verhaal van de vaderlandse historie. Niet langer is dit land alleen het vaderland van Truitje en Klaas wier overoverovergrootouders slaven gingen ophalen, maar ook dat van Roy en Ritsie wier overoverovergrootouders opgehaald werden.
ONDERTUSSEN is het ook verstandig om, met de Cariben-kenner Gert Oostindie, schrijver van Het paradijs van Oranje, lichtelijk beducht te zijn voor de schuld-en-boete-teneur die een respectvolle discussie over een gedeeld verleden gemakkelijk kan ombuigen naar een boze vraag om rekenschap. Al gauw wordt dan van iedere Nederlander anno 1998 de erkenning geëist van 'het feit’ dat zijn huidige welvaart, niet minder dan de uitzichtloze positie van het zwarte proletariaat in de Bijlmer, toe te schrijven valt aan het wrede onrecht dat de voorouder van de een de voorouder van de ander heeft aangedaan.
Al gauw verneemt men dan - volgens Oostindie ook van 'ingewijden’ - dat de Amsterdamse grachtengordel behalve op palen ook gebouwd werd op het bloed en het zweet van de West-Indische slaven. Voor de goede orde: de herenhuizen stonden al hoog en breed te pronk toen het eerste Hollandse slavenschip nog moest uitvaren. Ook het veelgehoorde verwijt dat de West in het algemeen en Suriname in het bijzonder louter geëxploiteerd zijn als wingewesten is door P.C. Emmer ontkracht toen hij in zijn proefschrift aantoonde dat er, van begin tot eind, voornamelijk geld bij heeft gemoeten.
Dat alles neemt natuurlijk niet weg dat er, de hele geschiedenis van de slavenvaart, de slavenhandel en de slavenhouderij door, gruwelijkheden hebben plaatsgevonden die met ogen van nu, maar ook met ogen van toen, niet anders gezien kunnen worden dan als misdaden tegen de menselijkheid - ook en volgens velen juist in de Nederlandse tak van het internationale slavenbedrijf. De Zeeuwen en de Hollanders zijn van oudsher als de meest wrede slavenhandelaren en -heersers beschreven.
Dit deel van het verhaal is grotelijks uit de vaderlandse geschiedenis weggeretoucheerd. Zeker: de vakhistorici voeren juist de laatste jaren een diepgaande discussie, vooral over de vraag waarom het zo verschrikkelijk lang geduurd heeft voordat Nederland de slavernij afschafte. Dertig jaar na Engeland, lang na Frankrijk. Die discussie, hoe boeiend op zichzelf ook, heeft een hoog wetenschappelijk en abstract karakter. Te abstract om de 'zwarte bladzij’ van de slavernij dezelfde vanzelfsprekende plaats in het geheugen te geven als de opstand tegen Filips II, de terugkeer van de Oranjes of de opkomst van de socialistische beweging.
135 JAAR NA dato hoeft de discussie rond de slavernij niet alleen maar in termen van goed of fout, van schuldig of onschuldig gevoerd te worden. Veel belangrijker is nu een antwoord op de uiteindelijke kernvraag: hoe is het in godsnaam mogelijk geweest dat er in de West drie eeuwen lang een systeem van menselijke verhoudingen, van vrijwel absolute horigheid van de een aan de ander, aanvaardbaar gevonden werd, terwijl zulke verhoudingen in Nederland zelf gezien werden als onderdeel van een barbaars en ver verleden?
Het gaat er, met andere woorden, niet om of de Nederlanders erger waren dan hun Europese buren - het gaat erom welke redenen en drogredenen ze gebruikten om zelf met die anomalie in het reine te komen.
Uit het werk van Gert Oostindie en uit dat van andere moderne historici blijkt dat de reputatie van uitzonderlijke Hollandse wreedheid niet geheel verdiend is. Het mag zo zijn dat de Hollandse planter die in Suriname per plantage over een slavenmacht van zo'n 150 dwangarbeiders heerste, in cultureel en intellectueel opzicht doorgaans tot het laagste van het laagste behoord heeft: de roep van bruut ontleent hij aan de waarnemingen van buitenlandse bezoekers die de schandelijke Hollander graag gebruikten om de schandelijke Engelsman een weinig uit het kwade daglicht te plaatsen. Het belangrijkste getuigenis, de Narrative van kapitein John Stedman uit 1813, in die tijd zeer veel gelezen en in diverse talen vertaald, is onlangs door Sally en Richard Price ontmaskerd als een falsificatie, een Britsgezinde latere inkleuring door een ideologisch geschoold redacteur.
Bovendien schuilt er in de beschuldiging van extreme hardvochtigheid een herkenbare antisemitische ondertoon: de Surinaamse planterswereld telde een groot aantal Sefardische en Azjkenazische joden.
WREDER DAN hun buren of niet - de essentie is dat de Hollandse slavenhouder, niet minder dan zijn Franse of Engelse buurman, in de woorden van Rudolf van Lier (Samenleving in een grensgebied) een welhaast 'psychopathologische’ kijk op hun uit Afrika aangevoerde werkkrachten ontwikkelde. 'Ook zonder dat het tot excessen kwam’, schrijft van Lier, 'was het lot der slaven uitzonderlijk hard.’
Het was niet zo, meent van Lier, dat de doorsnee planter als bruut in Suriname arriveerde. Het was zo dat hij, uitzonderingen daargelaten, ter plaatse in een bruut veranderde. In zijn hoofd voltrok zich een 'ziekelijk proces’, een verandering in zijn 'geestelijke structuur’ waarbij hij eerst de negers over wie hij heerste moest 'dehumaniseren’, moest 'verdierlijken’, zodat hij zich daarna van 'zijn eigen wreedheid niet meer volledig bewust’ was.
In deze transformatie schuilt de kern van de verhoudingen in de West-Indische slavenmaatschappij. Iedereen die er als scheepskapitein, als handelaar, als plantagehouder of hoe dan ook mee te maken kreeg, moest, om de eigenwaarde in stand te houden, willens en wetens een enorme stap terug doen in de eigen beschavingsgeschiedenis. Als gezegd: in het deel van de wereld dat hij zelf bewoonde werden horigheid en slavernij als barbaars gezien. Nu het om 'Moren uyt Africa’ ging kon de barbarij alleen gerechtvaardigd worden door hen een deel van hun menselijkheid te ontnemen.
Het is waar: pas in 1686, een halve eeuw na de eerste afvaart van het eerste met negers volgestouwde Hollandse zeilschip, werd de slaaf officieel tot mens verklaard. Maar ook uit de jaren daarvoor zijn er geen getuigenissen die hem zijn principiële menselijkheid ontzegden. Dat maakt het niet beter, dat maakt het erger. Juist omdat de slaaf een mens was, moest zijn meester hem eerst tot een inferieure variant ontmenselijken.
HET NEDERLANDSE aandeel in de transatlantische slavenvaart wordt algemeen geschat op zo'n half miljoen verscheepten: vijf procent van de tien miljoen negers die tussen de eerste afvaart in 1560 en de laatste die in 1866 op Cuba arriveerde de middle passage hebben gemaakt. Nog eens tien miljoen andere negers hebben er, nog voor ze aan de overkant aankwamen, het leven bij verloren. Scheepsjournalen spreken van gruwelijkheden aan de lopende band, zodat het 'weegens klaagen en jammeren benauwt int schip was te weesen’.
Op de Nederlandse - voornamelijk te Middelburg uitgerede - slavenschepen was het sterftecijfer onderweg relatief laag, maar dat was een kwestie van boekhouding. De Engelsen stouwden hun schepen tjokvol, zodat, volgens een tijdgenoot, 'de slaven er minder ruimte hadden om hun leden te strekken dan een dode in zijn kist’. Gemiddeld verloren ze onderweg dertig procent van hun stukgoed, maar met wat ze overhielden kwamen ze, volgens hun berekening, beter uit dan de Nederlanders. Die calculeerden een sterfte in van 15 procent - al is 75 procent ook voorgekomen.
De makkelijkste weg is het om de wreedheden op de plantages en de gruwelen tijdens de overtocht te beschouwen als 'nu eenmaal bij die tijd te horen’. Dezelfde weg dus die onlangs nog de geleerde Mannenbroeders van de VU bewandelden om zelf met de misdaden van Colijn in het reine te komen. Volgens hen is het 'onhistorisch’ om de zaken van toen te beoordelen met de ogen van nu.
Die redenering gaat, wat de slaventijd betreft, niet op. Opmerkelijk genoeg zijn er, van het begin af aan en al die eeuwen door, ook in dit deel van de wereld mensen geweest die hun stem tegen de 'goddeloze schurkachtigheid’ (G.A. Brederode, 1615) van het systeem verheven hebben. En niemand die erbij betrokken was kon zonder een rechtvaardiging. Ook in de eigen tijd werd de bedrijfstak door weinigen gezien als een door God gewilde, in de natuur der dingen besloten vorm van maatschappelijke ordening.
Het is zelfs zo dat, nog voor de slavenvaart goed en wel op gang kwam, het merendeel der Hollandse rechtzinnige dominees het bedrijf als onbijbels veroordeelde. Pas later, toen de handel lucratief beloofde te worden, veranderde ook de kansel van mening. Nu was het, volgens de godgeleerde Godfried Udemans (’t Geestelyck Roer van ’t Coopmanschap) zaak om de zwarte heidenen te redden uit de handen van het Iberische papisme. Maar nog altijd strooide een man als ds. Smijtegeld zijn banvloek uit over de slavenhandel - van de Vlissinger preekstoel en voor een gehoor van Zeeuwse kooplui. Die verlieten gesticht de kerk en zetten zich thuis aan het bijhouden van hun grootboeken.
UITEINDELIJK gaf de redenering van dokter D.H. Gallandat, arts te Middelburg, de doorslag. Hij schreef de Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaaren, een handleiding die aan boord van geen enkel slavenschip ontbrak. Daarin stond de curieuze rechtvaardiging, die blijkbaar zowel het calvinistisch geweten als de koopmannelijke portemonnee bevredigde. 'Alleenlyk zal ik hier aanmerken’, schreef de dokter, 'dat er vele bedryven plaats hebben welke ongeoorloofd zouden schynen, indien er geen byzonder voordeel in te vinden was. Getuige zij hier de slavenhandel, dien men alleen door het voordeel, ’t welke dezelve aan de kooplieden toebrengt, van onwettigheid kan vrijspreken.’
Uit onderzoek van A.N. Paasman blijkt dat er de hele zeventiende en achttiende eeuw door in reisverslagen, literatuur en theologische verhandelingen ruimschoots aandacht aan de slavernij werd besteed - en lang niet altijd geruststellend of goedpratend.
De godgeleerde schrijvers beriepen zich op de bijbel, zowel om het slavenbedrijf te rechtvaardigen als om het te veroordelen. De beste zet ooit door de voorstanders bedacht heette Jacobus Elisa Johannes Capitein, zelf een 'Moor uyt Africa’, zoals de titelpagina van zijn in 1742 te Leiden verdedigde proefschrift meldt. In enkele maanden beleefde zijn werk vier herdrukken - wie zou er beter de bijbelse fundering van de slavernij kunnen verdedigen dan een neger? In menige godvrezende huiskamer hing zijn beeltenis met als onderschrift de mededeling dat het hier om iemand ging die zwart van vel was, maar wit van ziel.
Dat paardemiddel heeft zeker gewerkt. Maar het feit alleen al dat er een dergelijk paardemiddel voor nodig was maakt duidelijk dat geen mens zonder meer een gerust geweten had over het slafelijk bedrijf.
Dat is de rode draad die door 350 jaar slavernij loopt: een ongemakkelijk schuldgevoel dat alleen maar bestreden kon worden door de slachtoffers als inferieure en in wezen slechte mensen af te schilderen. Zelfs de Europese reizigers die terugkwamen met verschrikkelijke verhalen over willekeurig geweld en hemeltergende misstanden gaven inktzwarte beschrijvingen van de 'Heidensche’ aard der 'Slaven uit den geslagte Chams’. Voor de een ging het om 'verraders, bloetdorstig van natuur’, volgens de ander was de doorsnee slaaf 'zeer luy, bedrieglyk, wreed en genegen tot Diefstal, den Drank en de Vrouwen’. En een derde noemde ze 'trots, hooghartig en wraakzuchtig.’
ZELFS TOEN de periode op zijn einde liep en er - in Engeland sterk, in Nederland zwak - pressiegroepen voor afschaffing van de slavernij werden opgericht, kon niemand, voor of tegen, over de zwarte spreken zonder hem als een goddeloos soort halfaap voor te stellen.
In het eerste kwart van de negentiende eeuw stonden de christenen in Nederland nog dicht bij Da Costa’s Bezwaren tegen de geest der eeuw: een pleidooi vóór de lijfstraf, tégen de vrije drukpers en tégen de afschaffing van de slavernij. Dat streven noemde Da Costa een 'hersenschimmige menschelijke wijsheid die de Almacht vooruit wil lopen’. Nog in 1816 scheef de christen-conservatief die Bilderdijk toen was dat de geest vóór afschaffing 'dezelfde geest was die, door ’t omstoten van alle wettige regering, het rijk des Satans wil vestigen.’
Pas rond 1840, en na een bezoek van Engelse Quakers, sloeg de stemming om. Een Da Costa-aanhanger als Gefken, die in 1838 'uit liefde tot onze naaste’ de slavernij nog wilde handhaven, stak nu plotseling de loftrompet van de emancipatie. Onder leiding van Groen van Prinsterer werd een 'Maatschappij ter bevordering van de afschaffing van de slavernij’ opgericht. De gelovige voorstanders baseerden zich sterk op het werk van mensen als Teenstra en Wolbers, van wie de laatste een kloeke en ook nu nog leesbare Geschiedenis van Suriname schreef. Maar zelfs toen nog spraken deze 'slavenvrienden’ in sterk afkeurende termen over hun zwarte medemens.
In wezen verschilde hun opvatting over de lage morele kwaliteit van de neger niet veel van die van hun tegenstrevers. Hooguit hadden ze een iets grotere neiging om de vele slechte negereigenschappen voor een deel aan de slavernij zelf toe te schrijven en niet alleen maar aan hun kwade inborst. Ook Teenstra meende dat de slaaf 'een hart van steen’ had en dat hij 'zeer ongevoelig was, onvatbaar voor de indrukken van het schone en het goede’. En zelfs Wolbers sprak van 'de hardheid hunner harten’, en de 'neiging tot lichtzinnigheid die zich nog zo dikwijls openbaart’.
Pas toen de calvinisten van Groen zich, op het punt van de emancipatie, met de liberalen van Thorbecke verbonden, was de weg vrij voor de parlementaire afkondiging van de vrijlating. De belangrijkste stoot daartoe werd gegeven door het Almelose liberale parlementslid baron W. van Hoëvell, die in 1854 zijn Slaven en vrijen onder de Nederlandse wet publiceerde. Hier stond, in twee delen en over 433 dichtbedrukte pagina’s, het Nederlandse wangedrag in de West voor het eerst en voor een groot publiek te schande. Plotseling verscheen er een stroom geschriften waarin de zeer ondeugdzame neger van zoëven de rol toebedeeld kreeg van de meest nobele der natuurkrachten. 'Hij, wien ’t lot den vloek der slavernij, den smaad der wereld toebedeelde, voelt zich aan ’t hart der schepping vrij’, dichtte Anna Amps in haar Schaduwbeelden uit Suriname.
En toch: zelfs de bewogen baron uit Almelo kon het niet laten om de voordelen die er van vrije arbeid te verwachten waren breed uit te meten. Het was alsof hij, helemaal aan het einde, een kleine correctie wilde toepassen op de these van dokter Gallandat waarmee het ooit begonnen was. De slavernij was niet schandelijk doch voordelig. De slavernij was schandelijk én nadelig.
Nogal onbeholpen gemanoeuvreer in de Tweede Kamer zorgde ervoor dat er tussen 1856 en 1862 maar liefst vijf wetsontwerpen moesten worden ingediend voordat de afschaffing van de slavernij met 47 stemmen voor en 11 tegen werd aangenomen.
Op 1 juli 1863 was het zover.
Voor iedere slaaf die de vrijheid kreeg werd aan de vroegere eigenaar driehonderd gulden schadevergoeding uitgekeerd.