Witgetulband en wildgewingerd

Hafid Bouazza, De voeten van Abdullah. Uitgeverij Arena, 140 blz., f24,90
DE EERSTE GEDACHTE die opkomt: de schrijver die zijn jeugd heeft doorgebracht in een ver land, keert in zijn verhalen daar naar terug. Hij leeft, om met Salman Rushdie te spreken, in twee vaderlanden, zit schrijlings op de rug van twee culturen en wordt in zijn verhalen heen en weer geslingerd tussen het vaderland van het verleden en zijn nieuwe vaderland. Het land in de verte bezet zijn geheugen - onvermijdelijk vliegt hij, van heimwee vervuld als hij is, in zijn werk terug naar zijn kindertijd.

Hafid Bouazza is geboren in Marokko en verhuisde naar Nederland toen hij zeven jaar oud was. De verhalen uit zijn debuutbundel De voeten van Abdullah lijken zich inderdaad grotendeels af te spelen in het Marokkaanse dorp van zijn vroege jeugd. Het is een klein dorp met stoffige wegen en olijfbomen, een rivier waar apebroodbomen overheen gebogen staan, en witte huizen die van binnen verrassend donker zijn. Er staat maar een waterpomp, gas en elektriciteit lijken er nog niet uitgevonden. De mannen lurken er onvermoeibaar aan waterpijpen, rijden hobbelend rond op ezels, en murmelen, als ze op leeftijd zijn, onverstaanbaar uit de koran. De vrouwen zitten gehurkt in de keuken, gehuld in jurkenvracht en sluier. De imam draagt een djellaba en witte tulband. Mannen en vrouwen moeten er zedig met elkaar omgaan, een blikwisseling is al taboe. Het is een land dat, zoals een Nederlandse vriendin van de ik-verteller zegt, op het eerste gezicht ‘teleurstellend weinig verschil vertoont met een ansichtkaart’.
In verschillende verhalen is, kenmerkend voor de schrijver met een dubbele culturele achtergrond, sprake van een geplaagd geheugen. 'De hoek van het geheugen waar het steeds drukker wordt’ heet het in 'Liefde onder de olijfboom’; 'Schimmen van traditionele schaamte plagen mij’ in het titelverhaal; 'Khadroen ruist nog in mijn geheugen’ in 'Apollien’.
De voeten van Abdullah lijkt zich kortom naar het uitgetekende patroon van migrantenliteratuur te schikken.
WELNU, DAT IS bedriegelijk. Uit de verhalen van Hafid Bouazza spreekt geen heimwee, het pijnlijke levensgevoel van de ballingschrijver, ze zijn niet nostalgisch en het is maar zeer de vraag of ze uberhaupt op herinneringen berusten. Al worden in de meeste verhalen de contouren van hetzelfde dorp, Bertollo, geschetst; al treden dezelfde personages op - de zwijgende vader sjeik Abdullah, de gesluierde moeder en zusjes, de bronstige vrienden Moehand en Zalanboer, dorpseigenaar Bertollo die elke maand op de brommer de huur komt innen - en al is er steeds een ik-verteller aan het woord die het dorp kent als zijn broekzak - Hafid Bouazza speelt in de eerste plaats een spel met het autobiografische migrantenverhaal.
Dat blijkt al uit de ik-verteller: in elk verhaal neemt die een andere gedaante aan. In het eerste verhaal is de ik een blinde ouderling van enkele eeuwen oud, in het tweede een vroegrijpe jongen van een jaar of elf, in 'Satanseieren’ een jongeman van zeventien. Daarnaast laat Bouazza met een sardonisch genoegen de achterkant van de idyllische ansichtkaartwereld zien. De oude mannen dragen geen ondergoed onder hun jurk en plengen gehurkt hun behoeften waar ze maar willen. De schoot van de imam is bovenal gevormd naar de jonge jongetjes aan wie hij zich tijdens de koranlessen vergrijpt. De jongens 'ledigen hun lendenen’ doorlopend, met de hand, op geit of ezel, of op een van hun zussen. De vrouwen verlichten hun 'ondraaglijke seksuele jeuk’ met komkommers en aubergines of ze spreiden wellustig hun kuise benen. De heilige wetten van de koran worden dus voortdurend met vuil en geilheid, sodomie en incest ondermijnd.
Boosaardige sprookjes, dat zijn de verhalen van Hafid Bouazza. In zijn verhalen gebeuren net als in sprookjes wonderbaarlijke dingen. Net als sprookjes hebben ze een niet te missen moraal: ze zijn een afrekening met een wereld van orthodoxie en benepen religie. In het titelverhaal bijvoorbeeld keert Abdullah, de oudste broer van de ik, terug uit de Heilige Oorlog. Althans, alleen zijn voeten keren terug - 'twee voeten, fraai boven de enkels geamputeerd, die uitliepen in wat op salamischijfjes leek’. De vreugde is er voor de moeder en het dorp niet minder om, de onvolledige Abdullah wordt als een held bejubeld: 'Als een trofee werden Abdullahs voeten op handen gedragen en de uitbundigheid van de drom, die steeds groter werd, grensde aan hysterie.’ Het verhaal, dat moge duidelijk zijn, maakt de godsdienstwaanzinnige oorlog belachelijk.
In 'Satanseieren’ is een nieuwe wet afgekondigd: er mogen geen komkommers en aubergines meer worden verkocht. De vader van de ik, een van de twee groen teboeren van het dorp, sterft en de ik neemt de zaak over. Onder een geheim luik vindt hij een kist met gave komkommers en aubergines en hij laat de vrouwen van het dorp zich, tegen betaling, aan hun 'flamoesbehoefte’ overgeven. De ik kijkt keurig werkloos toe hoe het 'komkommergroen tussen de beschaduwde en bestruweelde blankheid’ van de vrouwendijen verdwijnt. De inzet van de satire: de strenge seksuele moraal is hypocriet.
In 'De verloren zoon’, een van de twee verhalen die zich gedeeltelijk in Nederland afspelen, keert de zondige ik na zeven jaar terug naar zijn ouderlijk huis. Hij heeft zich, in de woorden van zijn moeder, 'te goed gedaan aan de vrouwen van dit ongelovige land’. Ze zoekt als tegengif een bruid voor hem, 'een meisje van je eigen klei en geloof’. Uitgebreid wordt het orthodoxe huwelijksfeest beschreven, uitgebreid wordt uit de doeken gedaan hoe de ik tijdens de huwelijksnacht zijn echtgenote leert kennen. Hij kleedt haar uit, maar aan de bonte reeks kledingstukken lijkt geen einde te komen: 'Ik werkte steeds sneller en koortsachtiger. Uiteindelijk besloot ik met een haal haar hoofdsluier af te rukken en, voor ik het wist, viel de rest van de kleren op de grond. In mijn hand hield ik nog de sluier vast en het andere deel van Fattuma bint Fatima bint Futayma bint Fattama lag voor mijn voeten.’ De moraal van het verhaal wordt letterlijk verwoord: de barmhartige islam verbiedt het levend begraven van meisjes alleen maar om ze in plaats daarvan onder textiel te bedelven.
In 'Vliegenheer’ hebben demonen zich in de put van het gezin van wijlen sjeik Abdullah genesteld. Het dorp wordt geplaagd door zwermen vliegen, de imam die de djins wil bezweren, valt in de put, de vrome oude inwoners sterven bij bosjes en de nieuwe imam wil in het goddeloze oord niet blijven. De straf van God wordt in het verhaal bespot.
HET IS natuurlijk mooi dat Hafid Bouazza niet de in nostalgie gedrenkte en van pijn vervulde verhalen vertelt die de lezer - allicht - verwacht, en dat hij baldadig de draak steekt met de vroomheid van zijn eerste vaderland. Helaas zijn het daarmee nog geen goede verhalen. Het satirische element ligt er nogal dik bovenop en de personages zijn - gevolg van het satirische en sprookjesachtige - niet meer dan sjablonen. Maar het ligt grotendeels aan Bouazza’s stijl, die nog het meest aan het artificiele middeleeuwse proza van de neoromanticus Arij Prins doet denken. Aan proza kortom dat rond de eeuwwisseling werd geschreven. Steeds weer struikel je over de meest curieuze en gekunstelde adjectieven: een ezel is 'nebbespitsorig’, een bordeel 'kleingedeurd’ en 'wildgewingerd’, kamers zijn 'begordijnd’, kinderen 'navelbloot’, 'grootogig’ en 'snotneuzig’, mannen 'witgetulband’ en 'ondergoedloos’, jongens 'holgerugd’ en 'bolbuikig’. Na de stoelgang volgt een 'papierloze, linkshandige, hodenbengelende reiniging’. Regelmatig klinkt er niet gejoel maar 'gejoejoel’; stokslagen worden ondergaan als 'stok-stok-stokken’. En Bouazza heeft een voorliefde voor archaische woorden als 'wanlust’, 'stuivelen’, 'gnokken’, 'schrepel’ en 'struilmijmeren’. Volgens de flaptekstschrijver is dat 'een lyrische stijl’.