Witte brieven

Ik wil het twitteren als ik op televisie La vie d’Adèle opnieuw zie: een van de absorberendste films ever.

En als ik de vertrouwde aanblik tussen het geboomte mis als ik op het Amstel Station af sjees en wil weten hoeveel tijd ik nog heb: waar is de grote klok op de gevel gebleven?

En ik wil twitteren als ik me erger aan iemands tweet: nou dat weer.

Of als ik me erger aan een verschijning: waarom gaat iemand in haar bh bij een praatprogramma zitten?

En ik wil twitteren dat de film 45 Years niets te maken heeft met een ‘white story’.

En vragen of degene die twittert dat 45 Years een ‘white story’ is, en dat die film haar dus ‘niet kan boeien’, dat soms ook durft te zeggen van La vie d’Adèle.

En wat een ‘black story’ dan wel mag zijn. Moet de maker zwart zijn, of de personages, of mogen de personages wit zijn als de maker zwart is? Of omgekeerd? Of moeten juist de personages zwart zijn? Is Great Expectations van Charles Dickens niet de ultieme ‘black story’?

Arme Charlotte Rampling, wil ik twitteren. Ze was altijd alles en nu is ze alleen nog maar wit.

Maar ik twitter dit allemaal niet, want dan is er geen houden meer aan.

Heb je er eenmaal oog voor, dan zie je alleen nog maar kleine zelfstandigen om je heen, jezelf incluis. Met de moed der wanhoop de hele dag doende hun zaakjes aan de man te brengen. Hun meningen, grappen, producten, verongelijktheid. Ik ben er ook nog! roepen ze. Bevestig mij in mijn bestaan!

Nanne Tepper kon er ook wat van, zij het dat hij zich nog met de briefvorm moest behelpen. In De kunst is mijn slagveld zijn ze verzameld, de brieven aan zijn kunstbroeders, en een enkele vrouw. Misschien moet ik er een recensie over schrijven, maar ik kan er niet toe besluiten. Het feit dat hij een eind aan zijn leven maakte, zet je als achterblijver voorgoed op de beklaagdenbank. Net kwam de postbode ook al de postume dichtbundel van Joost Zwagerman – door Tepper consequent aangeduid als Japie Zwelgerman – brengen, Wakend over God. Hoe nog te oordelen over deze laatste zwarte gedachtenwisselingen met God, in kennelijke nood geschreven?

‘(…) Ik ben/ alsnog voor Hem gezwicht. En/ alsnog door Hem vermoord. (…)’

De man die dit geraaskal had voortgebracht moest wel ernstig in de war zijn

Ja.

‘Zelfmoord is natuurlijk immer een optie’, schrijft Tepper veertien jaar voor zijn dood. ‘Ik heb zelf anderhalf decennium lang wikkend en wegend naar het plafond zitten staren.’

Oké.

De superlatieven duikelen in de boekenbijlagen over elkaar heen om Teppers positie in de Nederlandse letteren alsnog te consolideren, maar wat als hij nu nog schreef? Bij leven schreef hij twee romans en een novelle. Over zijn debuut, De eeuwige jachtvelden, was iedereen het wel eens, hij verdiende er de Anton Wachterprijs mee. Zijn tweede roman, De vaders van de gedachte, werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs, maar herinner ik me als een gedrocht. Boven mijn recensie destijds stond de kop ‘Hulptroepen naar Groningen’; de man die dit geraaskal had voortgebracht moest wel ernstig in de war zijn. De volgende dag – lees ik nu in het brievenboek – beklaagt hij zich in een brief aan Kees ’t Hart over ‘het theemutsje’ dat dit heeft geschreven.

Schrijven is de kunst, publiceren weerzinwekkend, vond Tepper.

Ik dacht inmiddels wel een vorm van immuniteit te hebben opgebouwd tegen de brieven van schrijvers-onder-elkaar, maar opeens komt het me allemaal zeer gedateerd voor. Het gelamenteer over geld, over gebrek aan erkenning, al die zogenaamd-grappige verbasteringen van namen van collega-schrijvers (Oek Boek, ome Adri, Basje Heintje), het gefulmineer over de talentloosheid van iedereen, de dromen over de ideale papegaaienkutjes, de uitgebreide beschrijvingen van die papegaaienkutjes, en het eerste kenmerk van die kutjes: dat ze maximaal zestien jaar oud zijn. In het licht van de literatuur mag het er niet toe doen, maar in het literaire universum van Tepper bestaan vrouwen (hij noemt ze liever ‘grietjes’) bij gratie van de leeftijd van hun geslachtsdeel.

Och Geerten Meijsing. Wanneer is voor het laatst iets van hem vernomen? Een groot deel van de brieven is aan hem gericht. Ik denk opeens aan de boeken van hem die ik mooi vond. In hoeverre ik dacht dat ik ze gewoon wel mooi móest vinden. Want dit was het ware schrijverschap: het afzien, het lijden, het verlangen naar de schoonheid, het geen genoegen nemen met het dagelijkse geneuzel om je heen.

White stories.

‘Het is dat ik hier, te Stad, ooit een standbeeld wil, anders was ik allang verhuisd’, schrijft Tepper op 7 april 1996 aan Meijsing.

O Groot en Veronachtzaamd Schrijverschap.

Moge je rusten in vrede.