Witte jas met blauwe pet

Ook tandartsen werpen zich nu op als bestrijder van kindermishandeling en huiselijk geweld. Vorige week presenteerde de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (NMT) een nieuwe richtlijn om bij een vermoeden van mishandeling melding te doen. Deze meldcode lijkt op die van het ambulancepersoneel: bij een ‘niet pluis gevoel’ ingrijpen. In een toelichting zei NMT-voorzitter Rob Barnasconi dat tandartsen vaak kunnen zien of een tand eruit is geslagen en dat een beschadiging aan een wang kan wijzen op een klap: ‘Ik vind dat we op dit gebied echt een taak hebben.’

Hoewel ongetwijfeld ingegeven door goede bedoelingen, is een meldcode voor deze beroepsgroep een brug te ver. Voelen de meeste mensen zich in de horizontale positie al niet comfortabel, de jaarlijkse gebitscontrole krijgt een echt pijnlijke lading als de tandarts straks niet meer puur technisch naar het gebit kijkt. Ieder kind met ‘vreemde’ losse tanden kan een geval zijn en iedere ouder is zo mogelijkerwijs verdacht.
Dat is niet alles. Barnasconi zegt ook dat de tandarts cliënten sneller gaat aanspreken op hun leefwijze. Als zij roken of ongezond eten, zie je dat aan het gebit en moeten tandartsen hen daarop wijzen. Aften duiden op weinig weerstand, tandenknarsen duidt op stress. Voor je het weet word je naar de psychiater gestuurd. Alsof dat geen trauma is. Je komt voor een gaatje en hoort dat je er maar belabberd op los leeft.
Deze vorm van bemoeizorg vertoont een glijdende schaal. Dat kindermishandeling hard aangepakt moet worden, is evident. Maar sinds het bekend worden van een aantal gevallen van mishandelde kleuters met dodelijke afloop is er een ontwikkeling in de zorgsector gaande die principiële weerstand oproept. In het belang van het hogere doel worden de wettelijke grenzen van privacy losgelaten en de beroepsmatige grenzen van verantwoordelijkheden opgerekt. De overheid eist van hulpverleners bemoeienis achter de voordeur. In navolging van artsen gaan ook andere (para)medische beroepen zich bemoeien met de sociaal-maatschappelijke context van patiënten.
De NMT vindt zichzelf de zorgverlener bij uitstek om te melden. Tandartsen zien 85 procent van de Nederlanders (inclusief kleine kinderen) één of meer keer per jaar. Die positie schenkt hun het dwingende gevoel zich bezig te houden met andere taken dan waarvoor zij zijn opgeleid. Het is een kwestie van afwachten tot fysiotherapeuten, bewegingstherapeuten of schoonheidsspecialisten zich ook melden als melder. Straks draagt iedere witte jas een blauwe pet.
Daarbij zijn de beweegredenen van de NMT twijfelachtig. Barnasconi zegt dat ‘mishandeling een belangrijk onderwerp is voor de tandarts om politiek en maatschappelijk een sterke positie te creëren’. Dat is volgens hem hard nodig, want het imago van de tandarts is niet altijd even goed, zo is gebleken uit een onderzoek van Motivaction. Kindermishandeling is een hot issue, daarmee kun je scoren, moet Barnasconi gedacht hebben. Maar hij vergeet dat dat maar op één manier kan: door goed te zijn in je vak en er bijvoorbeeld voor te zorgen dat de hulpplicht ook geldt tijdens een weekenddienst. Zolang mensen met moordende pijn door een assistente aan de telefoon worden afgescheept dat ‘het wel kan wachten tot maandagochtend’ gelden er andere prioriteiten. Schoenmaker, blijf bij uw leest!