De koloniale leeslijst

Witte man zoekt zwarte vrouw

Cola Debrot schreef met Mijn zuster de negerin een novelle die de raciale grensoverschrijding tot kunst verheft. Dat begint al met de ‘negerin’ uit de titel.

Nicolaas (Cola) Debrot wordt door koningin Juliana beëdigd tot gouverneur van de Nederlandse Antillen, 11 september 1962 © Anefo / Nationaal Archief

Tot twee keer toe heeft deze kleine, fijne en verschrikkelijke novelle ‘de tand des tijds’ niet doorstaan. Ik bedoel niet de sleet van de ouderdom, maar letterlijk: de bijtgrage tanden waarmee de tijd een werk kan vermalen en verscheuren.

Bij verschijning, in 1935, waren de meeste literaire kritieken weliswaar prijzend, maar het boek werd ook met een zekere bevreemding ontvangen: hoe kon een blanke Europeaan, eentje zelfs met een duidelijke koloniale achtergrond als zoon van een plantagehouder op Bonaire, zo verslingerd raken aan de ‘negercultuur’, dat hij die meer liefhad dan de Europese?

Hoofdpersonage Frits Ruprecht keert, na een tropische jeugd en een adolescentie in Europa, ‘terug op dit eiland, waar ik geboren ben (…) misschien ook omdat ik genoeg heb van Europa, waar men veel te weinig negers ziet. Bij een negerin wil ik leven. Ik zal haar noemen: mijn zuster de negerin.’

Deze zinnen waren meteen bij de eerste druk ook explosief. Om het hedendaags te zeggen: vanwaar deze zelfhaat, of nog actueler en ideologischer: vanwaar deze ‘oikofobie’? (Hou voor ogen dat het laatste begrip weinig met de historische praktijk van het oud-Grieks uitstaande heeft.) Want niet alleen schildert Debrot in een paar krachtige zinnen zijn voorliefde voor de Caribische tropen; aanstootgevender zal zijn verachting zijn geweest voor zijn eigen ‘rasgenoten’, zijn eigen cultuur: ‘Ik haatte in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie.’

Hier spreekt een jongeman, die in naam een Europeaan is, maar in werkelijkheid een kind van tropisch Nederland. En het blijft niet bij deze algemene, culturele vervreemding. Hoofdpersoon Frits Ruprecht wil het heel precies gezegd hebben, hij verdraagt de seksuele omgang niet meer met vrouwen van zijn ‘eigen soort’: ‘Ik slaap hier in de armen van vissen, hun vinarmen klappen spottend tegen mijn lijf, een negerin zal ik hebben…’

Dit is geen spleen. Dit is een expliciete, seksuele oriëntatie. We kennen inmiddels de ‘acrotomofilie’, mensen met een seksuele aantrekkingskracht tot personen met een amputatie. In het werkelijke oud-Grieks betekent ‘tomein’ zoveel als snijden, en ‘akron’ zoiets als ‘uiteinde’ of ‘ledemaat’. Zo iemand houdt van het afgesnedene, van de verdwenen arm, het verloren been, en de persoon die daar niet meer aan vastzit.

Maar deze Frits Ruprecht houdt van het ‘afgesneden zijn’ van zijn ‘eigen mensen’: als blanke man moet en zal voor hem het beminde lichaam zwart zijn. Wat een shock voor het Nederland van de jaren dertig. Wat een shock voor het Nederland van nu, waar culturele toe-eigening al heel problematisch ligt, laat staan de seksuele annexatie van het Afro-Caribische lichaam.

Ik heb in mijn leven behoorlijk wat mensen ontmoet die bekenden het als ‘witte’ vooral met ‘zwarte lichamen‘ te willen doen (m/v), evengoed als zwarte mensen (m/v) die dorsten naar witte sekspartners. Het verlangen van Frits Ruprecht komt me niet exotisch voor, om het dubbelzinnig te zeggen, maar redelijk bekend, juist nu Nederland al een halve eeuw multiraciaal aan het worden is. Wat ooit een freaky trekje moet zijn geweest, is door de multiculturele praktijk een niet-uitzonderlijke praxis geworden. Maar hou de politiek erbuiten. Of beter gezegd: hou het politiseren erbuiten. Want juist in deze postkoloniale tijden is het beter te fluisteren over die seksuele voorkeur: voor je het weet loopt zo iemand de kans versleten te worden voor een seksuele koloniaal, een seksueel gekoloniseerde. Kortom: iemand van wie niet alleen de geest, maar ook het lichaam en het libido gedekoloniseerd dienen te worden.

Want die zwarte vrouw met die witte man, zoekt die eigenlijk niet gewoon haar oude ‘Massa’? En die witte man, met altijd zwarte vrouwen, wordt het onderhand geen tijd daar eens een rechter op te zetten, of ten minste toch een team van de zedenpolitie? En de queer, die transraciaal liefhebbert: dat is wat de Black Panthers altijd al noemden: a faggot for the white ass – ook als die kont toevallig zwart is of was.

Ga met het zogenoemde ‘intersectionalisme’ dit boekje te lijf, en er blijft weinig anders over dan: een wit koloniaal lichaam, een eeuwig ‘white privilege’, een klassenbewustzijn van de ‘verkeerde’, want overheersende kant, en een onvoorstelbaar vanzelfsprekende mannelijkheid.

De zinnen die Debrot gebruikt zijn overvloedig Frans geïnspireerd: u weet wel, die taal die vóór de oorlog de taal van de elite was, de francofone cultuur die per definitie schuldig is als geheel, omdat het geen synoniem kent voor ‘blanc’ – geen ‘white’ of ‘wit’.Een ‘gekke streek’ of een ‘bevlieging’ heet een ‘caprice’. Een vrouw van een jaar of dertig is een ‘femme de trente ans’. ‘Je m’en fous et je m’en fous pas mal’, laat Ruprecht nog eens weten.

En dan is er de titel, met daarin de ‘negerin’, het woord dat we tegenwoordig als N*** schrijven, zeker als een witte mond het bezigt. En het wemelt van de N***’s in deze 78 pagina’s tellende novelle, ook al omdat de Afro-Caribiër in 1935 nog niet was uitgevonden.

Maar dit hartstochtelijk verlangen, van een blanke Europese man naar de zwarte cultuur en de zwarte vrouwen die hij kende uit zijn jeugd, laat zich niet in één woord afserveren als koloniaal. Het werk is eerder doortrokken van het vergeefse van het koloniale project, dat bezig is op zijn einde te lopen. Ruprecht merkt bij terugkeer naar het tropische eiland – een kruising van Bonaire en Curaçao – dat alles waar zijn vader aan gewerkt heeft nu aan verval ten prooi is.

Wie wil kan rode streep na rode streep trekken, maar waarom zou je de literaire crea­tie van een oud-koloniaal willen censureren?

Over het ‘grote huis in de stad’ waar zijn ouders woonden als ze niet op de plantage, de koenoekoe, verbleven lezen we: ‘Dit witte, vierkante huis met overal dichte jaloezieën, waaraan de licht-groene verf bladderde, deed denken aan een mausoleum.’ Of: ‘Dit koetshuis was vreselijk vervallen, zijn vader moest het jarenlang hebben verwaarloosd.’

De vitale cultuur, zoals die bestaat in Ruprechts herinneringen, blijkt bij terugkomst zieltogend, en hijzelf is er misplaatst. Zelf merkt hij op dat hij in de ogen van de eilandbewoners een ‘voor de tropen te snel bewegende jongeman’ moet zijn. Hij is niet langer een kind van het eiland, hij is een toerist geworden.

In deze ‘kleine, fijne en verschrikkelijke novelle’ wemelt het van de zinnen waar de hedendaagse lezer aanstoot aan kan nemen. Als Ruprecht twee blikken benzine wil kopen, vraagt de verkoper: ‘Neemt u dat zelf mee?’ ‘Neen. U heeft toch zeker wel een bediende.’

Vanzelfsprekend is er altijd en overal bedienend personeel bij de hand. (Vraag: was het er beter op geworden als Debrot het bestaan van al die dienstmeisjes, tuinmannen, huisbewaarders en chauffeurs verzwegen had?) Ruprecht rijdt met de oude auto van zijn vader over het eiland en wordt nagekeken ‘door de kleine negerjongens met hun gezwollen armoe-pensjes’. Of deze: ‘In het smalle voor- en achterhuis zweefde steeds lichtelijk de geur van kleurlingen.’ (Vraag: is die geur weer anders dan die van de zwarte eilandbewoners?)

Over de vrouw, die Ruprecht vanaf zijn jeugd bemint, ene Maria, die eigenlijk de eerste en belangrijkste reden is om terug te keren naar het eiland: ‘Maria maakte niet den indruk van een mullatin, maar van een ras-echte negerin.’

Wie wil kan rode streep na rode streep trekken door het proza, waarna het boekje onleesbaar wordt. Maar waarom zou je de literaire creatie van een oud-koloniaal willen censureren? Hier spreekt een auteur die zijn idee geeft van ‘wie es wirklich gewesen ist’, de klassieke slagzin van de Duitse historicus Leopold von Ranke (1795-1886).

Uiteraard is deze novelle het waard om bekritiseerd te worden, ook naar hedendaagse maatstaven. Maar anders dan bij oude standbeelden, die je kunt voorzien van bijschriften, tegenbeelden en correcties, blijf je van oude boeken af. Want alles wat daarin staat, of niet staat, alles wat volkomen te goeder of kwader trouw wordt verteld, verhaalt van een verleden dat het onze niet meer is. En een boek kun je ook dichtslaan.

De koloniale leeslijst
Nu standbeelden sneuvelen en ons koloniale verleden opnieuw tegen het licht wordt gehouden, is het interessant om te kijken hoe dat koloniale bestaan eruitzag in de Nederlandse literatuur. Deze zomer herleest De Groene schrijvers als Albert Helman, Pramoedya Ananta Toer, Cola Debrot en Multatuli.

Cola Debrot (1902-1981) geldt als de grondlegger van de Nederlands-Antilliaanse literatuur. De cultuurprijs van Curaçao is naar hem vernoemd, en in Nederland wordt sinds 2008 de Cola Debrot-lezing gegeven. Zijn oeuvre is klein, maar doortrokken van zoals hijzelf schreef ‘een half-somnambulistische dronkenschap waardoor het leven iets fataals krijgt’. Helpt het als we weten dat de auteur tijdens zijn leven leed aan zware depressies? Dat zijn hele werk doortrokken is van zwaarmoedigheid en noodlot?

Ik heb een enorm zwak voor deze man ontwikkeld. Alleen al zijn professionele bezigheden spreken tot de verbeelding: de man was dus een schrijver, maar ook arts, diplomaat, jurist, filosoof, gouverneur van de Nederlandse Antillen en ten slotte balletcriticus. Ik kan niet anders dan zwichten.

Zijn stijl is verfijnd, op het precieuze af, en wat mij betreft hoort hij thuis in het rijtje der decadenten van L. Couperus, L. van Deyssel, J. Israël de Haan en, later, G. Reve. Maar vooral is er ook zijn politiek-filosofische boodschap die me treft. Ook in de rest van zijn prozawerk beschrijft Debrot telkens de positie van de eenling, die zich losmaakt van de groep waartoe zo iemand geacht wordt te behoren. De blanke Ruprecht wenst zich een zwart, tropisch leven.

In de novelle Bid voor Camille Willocq (1946) maakt een jongeman die is voorbestemd voor het rooms-katholieke priesterschap zich los van de verwachtingen van zijn omgeving en eindigt als een gemankeerd kunstenaar, een gemankeerd religieus in het wereldse Parijs.

Telkens bevraagt Debrot de zogenaamde ‘stamverbanden’: hoor ik ergens bij vanwege een zekere achtergrond, geschiedenis, kleur, verwantschap of is het aan het individu om door al die barrières heen te breken en datgene op te zoeken wat niet vanzelf spreekt? Debrot kiest altijd voor die eenling, ook als dat betekent dat zo iemand strandt in eenzaamheid. Weinig mensen verbazen zich er inmiddels bijvoorbeeld over dat een homoseksueel jongmens niet de paden van zijn vader of moeder volgt in sexualis.

Voor Debrot is in deze novelle de raciale grensoverschrijding even vanzelfsprekend als dwingend. En dat klinkt dan weer heel erg woke, zogezegd.