Het ‘Indische gedoe’

Witte maskers

We worden ons steeds meer bewust van de racistische (onder)stromen in de overheersing door Nederland van Indonesië. Hoe lichten we het dikke tapijt op waaronder het koloniale racisme voortwoekert? Want het is nooit ver weg.

Indisch-Nederlandse spijtoptanten in Nederland, eind jaren vijftig © Theo van Houts / Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad

Lange tijd ben ik er ver vandaan gebleven. Maar sinds ik elf jaar geleden in Den Haag ben komen wonen en er bijna elke dag langs fiets, valt aan het zicht ervan moeilijk meer te ontkomen. Althans, ’s zomers gedurende anderhalve week.

Het megacomplex van witte tenten doet me denken aan een witgeschilderde reuzenschildpad. Op een halve kilometer afstand worden de rijen bezoekers zichtbaar die langzaam door de kleine entree verdwijnen in de buikholte van de schildpad, om daar los te gaan in het grote festijn. Dit is de Pasar Malam Besar, zo’n twintig jaar geleden omgedoopt tot Tong Tong Fair, het festival van Indische eetstandjes, exotische souvenirshops en vele podia waar verhalen uit de kolonie van vroeger worden verteld en traditionele Indonesische dans en muziek vertoond.

Toegegeven, tegenwoordig is het al lang niet meer enkel Indo-nostalgie wat er te zien is. Al meermalen heb ik aan de aansporing gehoor gegeven om me door de poorten van het festijn te bewegen, zij het altijd gericht op vooraf uitgezochte doelen: een interview met een hedendaagse Indonesische romancier, of een moderne Indonesische dansuitvoering, of verhalen door Indische en Molukse jongeren van hun ontmoetingen in het Indonesië van nu. Of een discussie met een kritische blik op de gebrekkige manier waarop Nederland afstand heeft gedaan van zijn voormalige kolonie in de Oost.

Hebben die bezoeken tot nog toe mij optimistisch gestemd? Nee, of beter gezegd, nog niet echt. Vooralsnog ervaar ik de nieuwe stemmen op het festival als niet meer dan zwakke sporadische tegengeluiden die onmiddellijk teloorgaan in de oorverdovende galmen van de naar tempo doeloe zwemende rockbandjes en traditionele gevechtskunst-acrobatiek.

Ik stel me voor dat het publiek hier bestaat uit drie generaties Indo’s, nazaten van de repatrianten en aangetrouwde familieleden, naast Nederlanders met een Indië-achtergrond, hun kinderen en kleinkinderen met aanhang die van Indonesië hun favoriete vakantieland hebben gemaakt. Wel twee miljoen mensen, las ik onlangs met enige verbazing in een krantenartikel. Een half miljoen, stond elders vermeld. Zelfs in orde van grootte blijkt de omvang van deze bevolkingsgroep moeilijk in te schatten.

Na afloop van mijn bezoek aan het festival glip ik gauw naar buiten, weg uit de wee makende atmosfeer daarbinnen. Met een zucht van bevrijding zuig ik de frisse buitenlucht op.

***

Wat staat me van het ‘Indische gedoe’ zo tegen? Dat gedoe is méér dan het door weemoed omgeven wankele antieke bureaukastje en de inmiddels vaal gekleurde scheepskist van mijn oma, méér dan het beeld van de sierlijk bewerkte maar slecht zittende djati-houten bank die ik bijna veertig jaar geleden als familiestuk had geërfd. Eerder is het mijn herinnering aan de vaak verbeten blik van mijn Indische opa die zijn woede over de levenskeuze van mijn moeder nooit heeft kunnen verkroppen. Zij had de familie in verlegenheid gebracht door te trouwen met mijn vader, een donkere Indo bij wie nagenoeg geen spoor van Europese afkomst meer zichtbaar was.

Erger nog, begin jaren vijftig van de vorige eeuw koos ze samen met haar echtgenoot voor een toekomst in het links-nationalistische Indonesië van Soekarno. Hoe haalde zij het in haar hoofd? Intens verdriet om de toorn van haar vader heeft mijn moeder altijd met zich mee moeten dragen.

Het Indische, dat is voor mij de geschoktheid van diezelfde opa toen hij vernam dat ik, meer dan twintig jaar later, hem en mijn oma wilde opzoeken met mijn Surinaams-Creoolse vriend van destijds. Vooruit, uiteindelijk mocht ik mijn grootouders wel bezoeken maar dan zonder die ‘neger’. Ik was verbijsterd.

Racisme ligt besloten in de mentaliteit waarmee de koloniale samenleving doordesemd was. Deze samenleving was er een van rangen en standen, en racisme was een probaat middel om deze in stand te houden. In haar Anton de Kom-lezing van 2018 karakteriseert Marion Bloem de koloniale mentaliteit als trapjesdenken: ‘… de Indo-Europeaan zag zichzelf ergens op een trede, accepteerde de mensen boven zich en keek neer op de mensen onder zich’. Of je boven of onder lag werd bepaald door je sociale stand of klasse en huidskleur. Die twee vielen in de koloniale samenleving grotendeels samen: hoe witter je huidskleur, hoe groter je kans op een redelijke opleiding, baan en inkomen.

De tragiek van de Indo is die van het behoren tot de tussenlaag in de koloniale maatschappij van toen, als buffer tussen de witte koloniale elite en de gekoloniseerde massa. Die tussenlaag waande zich graag gelijk aan de elite boven zich, maar stuitte daar op discriminatie en vernedering. Met de ‘inlandse’ bevolking had die tussenlaag niets, daar voelde ze zich ver boven verheven. Reden voor die grote massa om de Indo te wantrouwen. Tot overmaat van ramp werd de Indische gemeenschap, of beter gezegd het deel van deze gemeenschap dat het geluk had na de Indonesische onafhankelijkheid tot het ‘oude moederland’ te worden toegelaten, ook nog eens behandeld als ongewenste gast. Opnieuw vernedering, vooral omdat die vrekkige Nederlanders ook nog terugbetaling eisten van gemaakte kosten voor de overtocht, de geleverde bijstand en opvangfaciliteiten.

Wat moet deze geschiedenis wel niet voor impact hebben gehad op de identiteit van de Indo in Nederland? Marion Bloem vat het een en ander kort samen in het antwoord dat haar oude dementerende moeder haar gaf op de vraag wat zij van het Indische zou willen behouden. Ik citeer, opnieuw uit Bloems Anton de Kom-lezing van 2018: ‘Dat je je niet hoeft te schamen omdat je Indisch bent.’

Schaamte. Mijn moeder sprak vaak over de verwrongen Indische geest als zij mij uitlegde waar de verbittering en het racisme van mijn opa vandaan kwamen. Ook hij behoorde in het toenmalige Nederlands-Indië tot de Indische sociale tussenlaag. Hij had het voorrecht genoten een opleiding te volgen in Nederland, nadat zijn witte vader hem had erkend.

Mijn moeder had de familie in verlegenheid gebracht: ze trouwde met mijn vader, een donkere Indo

Van zijn moeder heeft altijd elk spoor ontbroken. Ongetwijfeld was zij zijn vaders lokale concubine, zijn njai, die nadat zij hun twee zoons had gebaard en grootgebracht naar haar dorp was teruggestuurd. Op school gepest als bruin jongetje had mijn opa zich niettemin opgewerkt tot hoge stafmedewerker bij verschillende suikerplantages op Java. Ondanks zijn lichtbruine tint was hij succesvol genoeg om zichzelf en zijn gezin te kunnen rekenen tot het milieu dat profiteerde van wat wij nu white privilege noemen. Maar hij was ook altijd beducht voor het verlies van deze status, voor een afglijden naar de donkere segmenten op de bodem van de koloniale rangen-en-standenmaatschappij.

***

Vlieg uit als een jonge vogel, reik uit naar je nieuwe vrijheid – zo stond ik, als twintigjarige student, op de drempel van een nieuw bestaan in Delft. Ik was met mijn ouders zojuist naar Nederland gevlucht uit het Indonesië van na de bloedige machtsgreep van Soeharto. Het nieuwe bestaan dat mij toelachte lag bezaaid met boeken. Ik kwam in aanraking met onbekende filosofieën, culturen, nieuwe vrienden uit verschillende windstreken. Alle nieuwigheden omarmde ik meteen. Niets stond me in de weg, ook geen taalbarrière want met vooruitziende blik had mijn moeder mijn kennis van het Nederlands regulier bijgespijkerd. De wereld scheen mij des te spannender toe door de geest van de studentenrevolte van 1968 die er als een fikse wind doorheen waaide. Ik haakte al gauw aan bij de meest actievaardige medestudenten in mijn omgeving, liep vol overtuiging op straat mee met demonstraties tegen de macht van wat wij toen de burgerlijk-kapitalistische instituties noemden en voor solidariteit met slachtoffers van oorlog en onrecht elders op de aardbol.

Moeiteloos haal ik nu nog beelden uit mijn herinnering over protestacties tegen de oorlog in Vietnam, tegen de apartheid in Zuid-Afrika en voor vrijlating van de zwarte Amerikaanse burgerrechtenactiviste Angela Davis. Tegen racisme, tegen het (neo)kolonialisme. Het leven in de jaren zeventig voelde voor mij als reizen in een sneltrein die op elk station weer verse lading binnenhaalt: mensen bepakt met koffers vol nieuwe inzichten en gereedschap met wie en waarmee je verder de tocht onderneemt. Een spannende en blik verwijdende tocht, de toekomst in.

Voor het gemak noem ik de sociale en culturele denkbeelden die de gelaagde koloniale maatschappij en dito beleid mede vormgaven hier ‘het koloniale denken’. Dat denken is niet meteen verdwenen met de onafhankelijkheid van de kolonie, daarvoor zit het te krachtig tussen de oren vastgeklonken. Zoveel weet ik nu, maar ook destijds had ik daar al een vaag vermoeden van, toen ik op school dagelijks blokte op de nationalistische retoriek in de Indonesische geschiedenisboeken. Die boeken, en ook stripverhalen en heldenfilms, vertellen het verhaal van de overheersing door de witte wrede Belanda (Nederlander) waarmee, dankzij de heldhaftige strijd van de nationalisten, al lang is afgerekend. Het kolonialisme is bestreden, de kolonisator verjaagd. De kleurrijke en multi-etnische samenleving die het onafhankelijke Indonesië is, belichaamt een natie waar raciale gelijkheid heerst en racisme is uitgebannen.

Racisme uitgebannen? De leerstof op school kon ik maar moeilijk rijmen met de alomtegenwoordige neiging om op te kijken naar mensen die witter waren dan jijzelf. Als wit de brute kolonisator vertegenwoordigt, hoe kun je witte mensen dan zo bewieroken? Ook naar het lichtgekleurde schoolmeisje dat ik was werd opgekeken. Als Indo was je op z’n minst toch een halve bulé (blank) en daarom per definitie mooier dan de rest. Altijd weer die steelse bewonderende blikken te moeten opvangen, en opmerkingen als: ‘Ach, bij jouw blanke huid staat deze jurk toch veel beter.’ Het voelde als puur bedrog.

De evidente keerzijde van dat adoreren van blank of wit is de afkeer van een donkere huidskleur. Er dringt zich een veelvuldig gebezigd scheldwoord uit mijn jeugdjaren op: keling, de benaming voor de donkere Indiase Tamils, die vanaf de negentiende eeuw in de Indonesische archipel zijn neergestreken. ‘Vergeet je parasol niet in die blakende zon, anders word je zo zwart als een keling.’

En wat te denken van de term hitam manis (zoet of lief zwart). Een donkergekleurd iemand, meestal een vrouw, kan nog wel door de beugel mits al haar andere uiterlijke eigenschappen voldoen aan de geldende schoonheidseisen die geassocieerd worden met de westerse mens: een verfijnde spitse neus, dunne tot matig volle lippen, sluik of licht golvend haar. Zij mag dan wel zwart zijn, maar zie hoe perfect die vrouw er verder uitziet! Zoet oogde mijn Creoolse vriend (dezelfde die niet bij mijn opa in huis mocht) allerminst toen ik in de jaren zeventig met hem door Java rondreisde. Zijn zwarte huid en indrukwekkende afro-kapsel zorgden voor priemende blikken en luid gehoon op straat.

In het Indonesië van nu hoor je het woord keling nog maar zelden. Even ben ik op zoek geweest naar informatie over het lot van Tamils in Indonesië. Zouden ze inmiddels weggetrokken zijn, verhuisd naar buurland Maleisië? In een tijdschriftartikel uit 2018 lees ik, onder de rubriek ‘vergeten bevolkingsgroepen’, dat Tamils een teruggetrokken leven leiden in enclaves op vooral Noord-Sumatra.

Een speelplaats, locatie onbekend, in 1958 © Nationaal Archief / NFP / Collectie Spaarnestad
***

Als ik dit schrijf, is er opnieuw een geweldsgolf uitgebarsten in Papoea. Wat begon met bruut politiegeweld tegen Papoea-studenten op Java is uitgemond in een even hardhandig optreden tegen acties ter plekke. Er wordt bericht over arrestaties, opsluitingen, moorden en het zenden van nog meer militaire troepen naar het gebied. Dit gaat over alles wat bij de territoriale inbezitneming van Papoea hoort, bij het naakte soort kolonialisme waar het land al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw aan is onderworpen. Deze meest recente geweldsgolf is er een van de vele die de Papoea’s al ruim een halve eeuw hebben moeten ondergaan, een halve eeuw nadat dit gebied zo groot als een half continent door middel van een frauduleuze volksstemming werd ingelijfd. Er bestaat daarom geen juistere term voor deze inlijving dan die van koloniale bezetting. Het is bij uitstek in het bezette Papoea-land waar het racisme van de overheersers tot op het bot is ingesleten. Eerlijk gezegd, het woord racisme klinkt me in dit verband zelfs wat bleek en afgezwakt in de oren. Hiermee stuiten we zelfs op de grens waar de mens niet meer als mens wordt gezien maar als gelijk aan een dier. Mishandeling van de Papoea’s gaat bijna altijd gepaard met scheldwoorden die daar onmiskenbaar lucht aan geven.

Met hun acties ‘Ik ben geen aap’ protesteren Papoea’s – overigens samen met solidaire jonge Indonesiërs – tegen het systematisch raciale geweld dat hun elke dag weer wordt aangedaan. Voor het eerst, zo lijkt het, dringt het tot een groter publiek door dat onder het racisme tegen de Papoea’s de intentie tot ontmenselijking ligt, tot het hen ontnemen van ieder stuk menselijke waardigheid.

Racisme is het de Papoea’s beroven van hun duurzame middelen van bestaan en tegelijkertijd zeggen dat ze lui en primitief zijn. Racisme is het negeren van de stem van Papoea’s en hen blindelings als provocateurs en separatisten bestempelen. Het is de afwezigheid van scholen en klinieken op vele plekken en tegelijkertijd zeggen dat Papoea’s dom zijn, dat ze stinken en niet voor zichzelf kunnen zorgen.

Het is niet moeilijk deze schizofrenie in de ontwikkelingsretoriek van de Indonesische bestuurders voor Papoea te ontdekken. De vooruitgang die de bestuurders zeggen na te streven gaat hand in hand met, inderdaad, niet meer en niet minder dan paternalisme, arrogantie en diepe minachting. En dan hebben we het nog niet over de praktijk. Hoe ziet die vooruitgang eruit, en voor wie is het bedoeld? We slaan er de vele berichten en artikelen door de jaren heen op na, maar zien vooral leegroof van Papoea’s overvloedige grondstoffen. We lezen hoe de bouw van de trans-Papoea-snelweg als giga-project ter acceleratie van de ontwikkeling van het gebied wordt aangeprezen, maar worden ook overspoeld met beelden van dubbele vrachtwagens met hoog opgestapelde boomstammen, oliepalmvruchten en containers die over de verharde wegen nog sneller dan voorheen hun vracht naar de uitvoerhavens kunnen vervoeren. We worden steeds weer overrompeld door berichten over gewapende schermutselingen, over dorpen die worden uitgebrand nadat hun inwoners zijn gemarteld. We lezen over een district in de hooglanden waar de Papoea-bevolking stelselmatig is verwaarloosd en in armoede ten onder gaat. We lezen dat deze aan grondstoffen rijkste regio statistisch tot de armste gebieden in Indonesië behoort. En een onderzoeker vertelt ons dat de Papoea’s sinds het begin van dit millennium van een meerderheid tot een minderheid in eigen land zijn geworden. Ik vraag me af of hier nog sprake is van schizofrenie tussen beschaving en barbaarsheid, en of we het niet beter kunnen houden op het laatste.

Bij uitstek in het bezette Papoea-land is het racisme van de overheersers tot op het bot ingesleten

Het oude kolonialisme is bestreden, de oude kolonisator verjaagd. De postkoloniale natie is er een van een kleurrijke en multi-etnische samenleving waar raciale gelijkheid heerst en racisme is uitgebannen. Maar is deze mooie voorstelling eigenlijk niet meer dan een slogan, een fluwelen dekmantel waaronder nieuw-koloniale wandaden worden gepleegd, waaronder nieuwe valse mythes zijn geschapen en delen van de geschiedenis worden verdonkeremaand?

***

Pendelend tussen twee werelddelen, tussen het land van de ex-kolonisator en dat van de ex-gekoloniseerden, zoek ik naar ervaringen van anderen. Anderen aan beide knooppunten van de lijn waarop ik loop, maar vooral daarginds, in Indonesië. Hoe lichten we het dikke tapijt op waaronder het koloniale denken voortwoekert, hoe maken we de diepe sporen van het koloniale racisme die in de vloer gekerfd liggen zichtbaar?

Decolonizing the mind is geen nieuwe kreet. De Brits-Palestijnse cultuurcriticus Edward Said vermeldt dat dit begrip al in de jaren tachtig van de vorige eeuw door enkele schrijvers uit ex-gekoloniseerde werelddelen in verband werd gebracht met culturele emancipatie van voorheen onderworpen gemeenschappen. Een dergelijke emancipatie zou kunnen worden bereikt via een terugkeer naar de eigen inheemse taal en cultuur en een radicaal ander perspectief op de geschiedenis.

Mijn zoektocht in de stroom publicaties over dekolonisering van de geest naar artikelen die verwijzen naar Indonesië heeft me voorlopig alleen één kort essay opgeleverd. Het is geschreven door de Indonesische historicus Aria Danaparamita en verschenen op het in Nederland opgerichte online discussieplatform Counter/Narratives. Zij noemt de beeldvorming in de Indonesische media die de lichtgekleurde mens aanprijst als aantrekkelijk en moreel hoogstaand een indirecte weerslag van het minderwaardigheidscomplex van de meer donkergekleurde inwoners van het land, het complex dat zijn wortels heeft in de raciale politiek van de toenmalige Nederlandse overheerser.

Je minderwaardig voelen is niet veel anders dan je schamen. Het is dezelfde schaamte als die van Marion Bloems moeder. En die van mijn opa. Het is de schaamte waarover Frantz Fanon in zijn Peau noir, masques blancs al in 1952 schreef – in 1971 voor het eerst vertaald als Zwarte huid blanke maskers en voorzien van een epiloog waarin ook het latere werk van de in 1962 overleden schrijver onder de loep wordt genomen. Dat Fanons traktaat uit de ervaring van het Franse kolonialisme in de Cariben en Algerije voortspruit maakt het niet minder waar voor de ervaring van de (voormalig) gekoloniseerden elders in de wereld. Het is het verhaal over een van generatie op generatie overgedragen en geïnternaliseerd raciaal denken: ‘De blanke is ingekapseld in zijn blank-zijn. De neger in zijn zwart-zijn.’ Dit statement lijkt het fenomeen in de kern te vatten. Het is die wirwar van vele gedaanten die het zicht op het wat en hoe van het dekoloniseren van de geest zo vertroebelt. De verwonde ziel is degene die zich schaamt en degene die zijn of haar huid probeert te bleken. Maar het is ook degene die zijn afkomst verloochent, degene die naar beneden schopt, degene die de nieuwe koloniaal uithangt.

***

Wat waren die nieuwe geluiden ook al weer waar ik op de Tong Tong Fair naar op zoek was? Noemde ik ze niet tegenstemmen?

Ik bedoel de stemmen die op de golven van het antiracismedebat in Nederland het koloniale denken in ook de Indo-gemeenschap trachten te ontrafelen en af te breken. De stemmen van de jonge, derdegeneratie-Indo’s. Jonge Indo’s die de racistische vooroordelen van hun (groot)ouders moe zijn. In de voetstappen van enkele tweedegeneratie-Indo’s – dit mag ik niet vergeten te vermelden – gaan zij op stap naar Indonesië, zij smeden vriendschappen met gelijkgestemden aldaar in een speurtocht naar een gezamenlijke geschiedenis, vaak in literaire en kunstzinnige initiatieven.

Deze nieuwe Indo-Indonesische co-creaties landen allerminst op droge bodem. Die bodem is vruchtbaar met een scala aan vernieuwende kunsten en literatuur die overigens maar nauwelijks een internationaal podium bereiken. Ook het koloniale denken komt aan bod. Er zullen meerdere Aria Danaparamita’s rondlopen, in hun creaties zal het lichaam van dit denken worden gevild, in repen en slierten uiteengetrokken en verdelgd. Vrienden zullen mij ook wijzen op de hernieuwde aandacht voor het werk van de bekende Indonesische auteur Pramoedya Ananta Toer, dat lang werd verboden onder het bewind van Soeharto. Zijn magistrale roman Bumi Manusia (Aarde der mensen), onderdeel van zijn in politieke gevangenschap geschreven tetralogie over de koloniale geschiedenis, beleeft op dit moment zijn eerste verfilming.

In de laatste aflevering van het vierluik, Rumah Kaca (Het glazen huis), voert de schrijver een Javaanse edele met ‘gebleekte ziel’ als personage op, een prototype van de feodale aristocraat die zich met de kolonisator identificeert en daarmee de nationalistische strijd verraadt. De antikoloniale literatuur van het kaliber Pramoedya heeft niets van doen met de platte nationalistische retoriek over brute onderdrukkers en moedige vrijheidsstrijders, maar dringt door tot de geest van hen die door het kolonialisme zijn gekneed.

Begin 2018 werd in Lebak, West-Java, het Multatuli Museum geopend. In een interview in de Volkskrant zegt historicus Bonnie Triyana dat het hoog tijd is voor een museum als dit om te laten zien dat de koloniale geschiedenis veel ingewikkelder is dan mensen in Indonesië denken: ‘Voor veel Indonesiërs is het simpelweg een geschiedenis van een blanke overheersing. Die was er natuurlijk, maar in werkelijkheid was er toch een grijs gebied waarin de lokale adel bijvoorbeeld een grote rol speelde.’

De geschiedschrijving lijdt kennelijk nog steeds aan dezelfde versimpeling zoals ik mij die van de schoolboeken uit mijn jeugd herinner. Multatuli’s Max Havelaar is een aanklacht tegen het koloniale bestel, maar ook tegen de onderdrukking van plattelandsbewoners door de lokale regentenklasse die ten behoeve van de kolonisator land vrijmaakte en slaven voor allerhande dwangarbeid ronselde. In het afgelopen jaar is er intensieve public relations gevoerd voor het kersverse museum. Een discussieprogramma over koloniale geschiedenis voor vooral jongeren gaat van start waarin kunst en literatuur een belangrijke plaats hebben.

Het museum vaart op dezelfde nieuwe bewustwordingsstroom als de heropleving van Pramoedyas boeken. Die stroom moet het begin inluiden van een geschiedenisdebat in Indonesië. Veel is in beweging in de richting van zo’n debat, en waar beweging is, is hoop. Het ligt besloten in de protestacties voor solidariteit met slachtoffers van mensenrechtenschendingen overal in het land, waaronder ook in Papoea. Het ligt verscholen in de onoverzienbare bewegingen op de sociale media. En in de wereld van hyperactieve millennials die hun eigen pad volgen naar verandering. Zoals heel recent blijkt in de Papuan Lives Matter-beweging die onder Indonesische studenten in Bandung ontstond in navolging van de wereldwijde blm-beweging.

***

Racisme, daar is het me in dit essay om begonnen. Racisme zoals dat ook al aanwezig was in prekoloniale tijden maar in ieder geval door het kolonialisme gretig is gebruikt en al naar gelang zijn behoefte is geïnstitutionaliseerd en omgesmeed tot instrument voor onderdrukking.

Racisme is van alle tijden, waar maak je je druk om, krijg ik weleens te horen. Dat er in de geschiedenis moeilijk tijdperken te vinden zijn waar racisme als sociaal verschijnsel afwezig is lijdt geen twijfel. Bovendien, niemand is ervan gevrijwaard, kiemen ervan schuilen ook in jou en mij. Alle reden om me er juist heel erg druk om te maken. Hoe zou de wereld eruitzien als niemand ooit tegen racisme was opgestaan? Racisme staat niet op zichzelf, want waar mensen er tegen in verzet komen doen ze dat ook tegen alle andere misstanden die hun leven ondraaglijk maken.

Het telkens weer aan de kaak stellen van racisme loont, ook al lijkt een wereld zonder deze verwoestende kwaal op een andere planeet te liggen. In een publieke toespraak begin 2013 blikt Angela Davis, inmiddels in de zeventig, terug op vijftig jaar politiek activisme en roept alle veranderingsgezinde burgers op de verbeelding van een ‘ander universum’ niet los te laten. Verandering is geen rechte opgaande lijn, en bovendien een kwestie van lange adem. Soms moet je onrecht dat je denkt te hebben overwonnen opnieuw aan de kaak stellen. ‘… we have to learn how to imagine the future in terms that are not restricted to our own lifetimes’.


Artien Utrecht zet zich in voor mensenrechtenkwesties. Ze werkte lange tijd bij de internationale ontwikkelingsorganisatie Hivos. Essays van haar hand werden gepubliceerd in het literaire tijdschrift Extaze