Witte parasols en plastic baby’s

Vooruitgang mag dan niet meer gezien worden als essentie van de geschiedenis, zo hier en daar wordt ze op kleine schaal geboekt. Neem de aanblik van des horeca’s terrassen: overal, zowel in Amsterdam als m'n vakantieoord Zuid-Drenthe, zie ik nieuwe parasols. Geen overbodige luxe nu de subtropen noordwaarts kruipen. Maar het verheugendst: in plaats van de hemel- en oogtergende kleuren die, vrolijk bedoeld, grote treurnis wekten, dicteert een geheimzinnige mode wit, creme of ecru. Daar rust het oog met welgevallen op. Bovendien gaat van de omslag van de uitbaters een beschavende werking op het grote publiek uit: van eengezinswoning te Ruinen tot boerderij te Nolde is het beige en Japansig geblazen. Wat vooral verbazing wekt door de bloemetjesjurk en de terlenka pantalon die er bescherming tegen de stralen onder zoeken. Er is dus hoop.

Andersoortige vooruitgang schuilt in terugkeer naar het verleden. Steeds vaker zie je koeien in de wei die hun kalf zogen. Ooit gewoon, nu bezienswaardigheid, maar toch. Al blijft het een schande voor Gods aangezicht dat moeder en kind zijn toegetakeld met gele oormerken die vooral de kalverkoppies gruwelijk deformeren. Zitten alle weigerboeren nu in het gevang of zijn ze failliet? Zelfs geen Van Zomeren meer om daarover te berichten. Al kon ik zijn koeienobsessie niet delen, ik mis Koos en zijn vermogen op de allerkortste baan en in het nietigste onderwerp te raken aan iets universeels. Wilde hij niet meer of was het zijn opdrachtgever? Hopen we het eerste. Uit veel van die stukjes, en uit zijn prachtige Een jaar in scherven, bleek een schrijverschap waarvan de lichte tragiek school in het feit dat hij zelf het daar niet zozeer in zocht alswel in romans die, althans mij, veel minder bekoorden. Het geluk is daar waar we het niet zoeken.
Zo zou ik nu het liefst het festival van Avignon of Aix-en-Provence bezoeken, maar omstandigheden kluisteren ons aan de nabije heide. Toch blijk ik ook hier geluksvogel: Zuidwolde bestaat 720 jaar en heeft zichzelf versierd met plastic vlaggetjes en, in een ‘buitenwijk’, de tekens van de dierenriem. Geen bewoner daar heeft zich onttrokken; hier heerst de gemeenschapszin waar wij soms naar snakken - al denken we liever niet aan de sociale controle die er de pendant van vormt. Bij de eerste boerderij van Fort staat een ereboog over de weg. Aan beide zijden een ooievaar met plastic baby in luier aan de snavel. 'Hoezee’ staat er, een woord dat ik verdwenen waande. En aan de andere kant: 'En Fort zal groeien en zal nooit vergaan.’ Dat eerste 'En’ geeft de tekst een mythologisch of bijbels gewicht die een wel erg grote hypotheek op de pasgeborene legt. Kraakheldere katoenen luiers wapperen ernaast. Gelukkig niet de Pampers waar de kleine waarschijnlijk in slaapt.
Dan zie ik, op weg naar De Wijk, zowaar vier ooievaars van veren en bloed. Nu nog leeuwerik en wielewaal.