Wittgenstein

Ieder nummer van De Groene waarin een artikel over een filosoof of de filosofie in het algemeen voorkomt kan rekenen op mijn warme belangstelling. Dat is zo mogelijk nog meer het geval als het Wittgenstein betreft. Maar wat een deceptie was het nummer van 19 augustus.

Dan heb ik het vooral over het artikel van Ger Groot. Uit niets in zijn essay blijkt dat hij van Wittgensteins teksten kennis heeft genomen. Hij put voor zijn artikel voornamelijk uit twee boeken uit 1973. Dat is niet erg als er in de tussentijd op het Wittgensteinfront niets gebeurd zou zijn. Maar er zijn sindsdien vier biografieën verschenen en een vloed van boeken en artikelen over Wittgenstein. Als Groot iets van deze, meer recente literatuur had gelezen had hij het uit zijn hoofd gelaten van Wittgenstein een ‘mysticus’, een 'goeroe’, een 'sekteleider’ te maken.
Het door Groot geraadpleegde boek van William Bartley III leek een poging van een filosoof uit het kleinburgerlijk-puriteinse Amerika om de gehate en/of gevreesde Wittgenstein in Amerika uit de markt te prijzen. Dat deed hij door omstandig uit de doeken te doen dat Wittgensein een praktiserend homoseksueel was. In Europa werd deze verbazingwekkende onthulling met ijzige stilte ontvangen. Dat is geen wonder want in de kringen van Cambridge en Oxford die van Wittgensteins handel en wandel op de hoogte waren, was zijn homoseksualieit een bekend feit. Dat was in die kringen ook geen punt, aangezien zo veel leden van de culturele elite uit die dagen de Griekse beginselen omhelsden. Bartleys boek kan ook niet gezien worden als een bijdrage aan de exegese van Wittgensteins filosofie, want alles wat hij erover te zeggen heeft is dat hij het niet met die filosofie eens is.
Ger Groot ontleent aan Bartleys boek het beeld van Wittgenstein als een getourmenteerde jongeman, die graag een goed mens wilde zijn en daarvoor te rade ging bij de bijbel, Tolstoj en Tagore. Als hij een van de bovengenoemde biografieën had gelezen, had hij kunnen weten dat de genoemde strevingen kunnen worden gezien als een tussenfase in het leven van een gevoelig en geniaal, zich nog ontwikkelend mens. In zijn latere leven is daar niets meer van terug te vinden.
Het boek van Janik en Toulmin, waar Groot uitgebreid aan refereert, is interessanter. Het is een redelijk geslaagde reconstructie van het culturele klimaat in het Wenen van rond de eeuwwisseling. Er zijn bij Wittgenstein inderdaad invloeden van dat klimaat aan te wijzen. Mijn punt is dat Wittgenstein dat klimaat al op zijn negentiende jaar is ontvlucht, dat dat Weense klimaat daarom veel minder dominant was voor zijn ontwikkeling dan het intellectuele klimaat van Cambridge en Berlijn. De uitspraak 'Populair is hij allereerst als de Egon Schiele van de filosofie, gedrenkt in Wiener Blut’ klinkt leuk, maar slaat nergens op.
Ik wil een eind met Groot meegaan als hij het woord 'mysticus’ vervangt door 'metafysicus’. Want in zijn Tractatus-periode is Wittgenstein zeker een metafysicus. De Tractatus kan immers gelezen worden als een poging ruimte te scheppen voor de metafysica, het 'onzegbare’, zoals Kant ruimte probeerte te scheppen voor het geloof. De Tractatus is een mislukking, zij het een briljante mislukking. Wittgenstein corrigeerde zichzelf in de Untersuchungen door met het sterkst denkbare argument aan te tonen dat de metafysica niet nodig is. Dus als Groot zou willen volhouden dat Wittgenstein metafysicus was dan geldt dat ten hoogste voor de helft van diens leven. Amsterdam, ROY MELGER