Sport

WKVoetba

Dit WK wordt, zoals alle WK’s, het wereldkampioenschap van de versteende metaforen. Let maar op. In het begin van het toernooi worden enkele termen en vergelijkingen en metaforen voor de eerste keer gebruikt, en aldus gemunt, door de Nederlandse afvaardiging in Duitsland, en vervolgens worden ze overgenomen door de gemeenschap van volgers thuis, de televisiekijkers en krantenlezers dus. Zij nemen klakkeloos de terminologie van, bijvoorbeeld, de bondscoach over en passen die zonder verder nadenken in in hun oeverloze gelul rond de wedstrijden. Metaforen verstenen, komen onwrikbaar vast te zitten in het voetbalvocabulaire van het volk. Dan horen we dus in de kantine de bedrijfsleider, die nooit blijk heeft gegeven van enige belangstelling voor voetbal, met Leeuwenhose aan, schreeuwhoedje op en zwaaisjaal om, uiteenzetten waarom Nederland niet won, gisteravond: «Het kwam door die ruit met de punt naar achteren. Als die punt nou naar voren had gezeten, was het een heel ander verhaal. Want toen die barst erin werd geschoten, in die ruit, toen konden we het veld niet meer breed houden en moesten we achterin steeds knijpen, waardoor op links iedereen kwam te zwemmen. Het stond gewoon niet goed.»

Iedereen heeft verstand van alles. Van tactiek, vooral. Door de taal van de bondscoach over te nemen, worden ze zelf een beetje bondscoach.

De tien-positie. Het veld breed houden. In de omschakeling. Druk zetten. Vooruit verdedigen. Achteruit aanvallen. Achter de bal. Goed staan. Doordekken. Inschuiven. Aftrappen. Uitstrijken. Invallen.

Er zullen nieuwe voetbalwoorden bij komen, oude woorden komen misschien terug. Spielmacher, liefst in het Duits. Ausputzer, ook liefst in het Duits. En het is te hopen dat er een alternatief wordt gevonden voor Schwalbe, wat niet echt een goed woord is voor een namaakval. Een zwaluw kan er ook niks aan doen dat hij laag vliegt.

Omdat we «fopduik» niet mooi vinden, kunnen we misschien een woord zoeken naar analogie van de «Panenka» – de geniale strafschop genoemd naar de uitvoerder ervan.

Voor een ander woord voor de Schwalbe kunnen we denken aan een speler die de fopduik tot grote hoogten heeft gebracht, die van het matennaaien een ware kunst heeft gemaakt.

De koning van de fopduik, de keizer van de nepstruikeling, king of the dive. Hij is een erg goede voetballer, met een groot talent, maar dat gooit hij te grabbel door dat onophoudelijke geklier met dat vallen van hem. Tot ergernis ook van zijn collega’s op het veld, die de gele kaart al zien hangen als hij nadert.

Hij kan goed voetballen, maar doet dat nooit echt, omdat hij zo druk is met klagen en zeuren tegen de scheidsrechter, met verongelijkt doen, met misbaar maken omdat hem iets vreselijks is aangedaan, met opkrabbelen, het hoofd schudden, de armen vertwijfeld heffen uit onbegrip. Hij, of zijn manier van voetballen, wordt wel beschreven met de woorden «kittig» en «parmantig» – dat zegt toch wel iets als het om een volwassen man gaat.

«Nadat er een barst was gekomen in de ruit met de punt naar achteren brak de linkerspits door. Hij zocht het duel op met zijn directe tegenstander; hij maakte een schaar, een schijnbeweging naar rechts, en passeerde aan de linkerkant. Hij viel. De scheidsrechter floot. De gele kaart die volgde was niet voor de verdediger, maar voor de aanvaller. Wegens een Robben.»

«In de herhaling is duidelijk te zien dat hij niet geraakt werd. Een schoolvoorbeeld van een Robben.»

«Nederland werd de das omgedaan door een Robben van Schweinsteiger.»