Woede en andere chronische aandoeningen

Laatst dacht ik: zou er een correlatie bestaan tussen ambitie en potentie?

Ik word merkbaar ouder; ik heb nog steeds zin in seks, maar minder dan vroeger. Dat merk ik vooral door mijn jongere vrienden. Zij zien ‘een lekker wijf’ en maken mij daarop attent plus dat zij dan beschrijven hoe zij met die dame de liefde willen bedrijven.

‘Gewoon even lekker door haar gepijpt worden, lijkt me heerlijk.’

‘Ja ja’, antwoord ik uit gewoonte.

Als ik het me daadwerkelijk voorstel – zij negentien, ik 61 – overvalt me een vreeswekkende schaamte en borrelt er in mijn geest een drabbige soep naar boven van morele overwegingen, fysieke ongemakken (ik heb nu net maagzuur door dat broodje) en minderwaardigheidsgevoelens die mij elke vorm van lust ontnemen.

Met ambitie is het iets anders gesteld, maar toch.

Laatst vroeg mijn vriend Hans: ‘Maar als je boeken zo slecht blijven verkopen, en als je maar niet besproken blijft, waarom zou je dan nog schrijven?’

‘Omdat ik wil schrijven’, zei ik, maar inderdaad: de ambitie – die ik vroeger wel had – om minstens net zo goed te zijn als Van het Reve, Reve, Hermans of Campert is min of meer verdwenen. Anders gezegd: Ik heb geen zin meer om daarvoor strijd te leveren, om me daarvoor ‘in the picture’ te werken. Ik wil niets anders dan schrijven (en zal dat tot mijn dood blijven doen) zonder me ook maar van iets of iemand iets aan te trekken. Schrijven op die manier komt het meest overeen met zelfbevrediging. Ik heb geen zin meer om naar bepaalde cafés te gaan, om schrijversborrels te bezoeken, om iets geks te doen op de televisie. Niet dat ik daar niet voor gevraagd word, maar de lust – die ik vroeger wel had – ontbreekt me. Als ik de keuze had tussen zelf iets voorlezen uit eigen werk voor een veelkoppig publiek of een lezing bezoeken over ‘De politiek in Indië tussen 1920 en 1947’, dan kies ik voor dat laatste. In feite heb ik dat onlangs ook gedaan.

Daar komt bij dat ik besef dat ik jongeren niet meer kan boeien. Ze zien een oude, grijze hippie op het toneel staan over wie ze denken: hij neemt onze plek in, ga weg, oude man!

Jongeren zien mij als oude, grijze hippie en denken: hij neemt onze plek in, ga weg, oude man!

Ik ben ook niet zo leuk meer als vroeger. Dat is omdat ik boos ben, terwijl ik daar geen recht op heb. Ik verdien normaal geld, net iets meer dan vroeger, ik sta dagelijks in de krant en wekelijks in De Groene, dus ik mag niet klagen, maar ik ben kwader dan, pakweg, tien jaar geleden. Kwaad op de banken, op de politiek, op de belastingen, op de ontwikkeling van de huizenmarkt, op het verdwijnen van kranten en boeken, op de jeugd van tegenwoordig (verwend!), op mijn computer. Woede is mijn chronische aandoening.

Wat is dan wel prettig?

Dat is ook al zo zeikerig. Waar ik vroeger dacht: wat zou ik gelukkig zijn met een literaire prijs, denk ik nu: ha, zaterdag zie ik mijn kleinzoon weer.

Ik had vroeger, blind van ambitie, nooit ‘leuke dagen’. Tegenwoordig wel. En die leuke dagen betreffen dan familiebezoek (kleinkind), of vrienden die mij bezoeken en met wie ik dan schitterende gesprekken heb over literatuur, film, et cetera. Dus ik ben kwader dan vroeger, maar tegelijkertijd geniet ik meer, en geniet ik van minder dan waar ik vroeger van wilde genieten.

De romantiek verdwijnt in de vage mist van het geheugenverlies en maakt plaats voor de pornografie van de kleinburgerlijkheid.

Misschien wel de hoofdprijs van een gefrustreerde ambitie.

‘Ontzettend leuke dag was het vandaag. Ik ben met mijn kleinzoon naar Artis geweest. Daarna heb ik hem naar zijn moeder gebracht. Daar at ik mee. En vervolgens ben ik naar het café gegaan waar Hans, Jonathan en Jan waren. Erg gelachen. Topdag!’