Woede, verlichting en moslimpunks

Zowel Hongerjaren als Taqwacore heeft veel invloed gehad op twintigers in Marokko en de VS. Hoe zullen islamitische jongeren in Nederland deze boeken lezen?

Kort achter elkaar verschijnen twee romans in vertaling over jonge moslims die het geloof loslaten of ermee worstelen: Taqwacore van Michael Muhammad Knight uit 2004 en Hongerjaren van Mohamed Choukri uit 1982. Tussen beide boeken zit twintig jaar en een wereld van verschil, en toch hebben ze veel met elkaar te maken. Ze verschijnen in het Nederlands juist nu dit land zich blindstaart op jongens met een islamitische achtergrond. Die solliciteren naar nette banen maar worden vanwege hun achternaam niet aangenomen, ze radicaliseren en vertrekken naar Syrië of plegen aanslagen in Europa. Dat zijn de dominante beelden. Over de geloofstwijfelaars en overlevingskunstenaars waar deze romans over gaan hoor je veel minder.

Medium 42 68390046

In Taqwacore wonen vijf jonge moslims in een studentenhuis aan het begin van deze eeuw, ergens in Buffalo, New York. Moslim_punks,_ om precies te zijn. Fasiq zit te blowen terwijl hij de koran leest op het dak. Rabeya’s gezicht heeft nog nooit iemand gezien: ze draagt dag en nacht een zwarte boerka met punkspeldjes. Umar zit onder de tattoos. Ayyub draagt het liefst helemaal geen kleren, vooral niet als er meisjes in de buurt zijn. Jehangir heeft een gele, dertig centimeter hoge hanenkam, ‘dik en stijf als de pluim van een oude Romeinse soldatenhelm’.

Yusef, de verteller, is op het oog nog de normaalste: hij gaat onopvallend gekleed, studeert braaf voor ingenieur en krijgt van zijn Pakistaanse ouders voor het Suikerfeest een videocamera waarmee hij de stunts van zijn vrienden filmt. Allemaal bidden ze vijf keer per dag. Op vrijdagmiddag is de afgeragde huiskamer een kleine moskee voor al hun gelovige vrienden en vriendinnen. Maar op vrijdagavond komen Jehangirs kafirmaatjes om ‘de tent naar de tering te helpen’. Jehangir stort zich in het feest, ‘tevreden dat ons huis binnen een paar uur was veranderd van een masdjid in een moshpit, alsof het voor waarachtige verlossing cruciaal was van twee walletjes te eten’. Knight schreef over dit laboratorium voor een nieuwe vorm van geloof een roman die leest als Kerouacs On the Road: razendsnel, hypergevoelig, hongerig naar levenservaring en het licht aan de horizon.

Mohamed Choukri’s klassieker Hongerjaren is een roman in korte, uitgebeende zinnen over een jongen die opgroeit in het Tanger van de jaren vijftig. Straatarm, op de vlucht voor zijn moorddadige vader, houdt hij zich in leven met kif, wijn, diefstal en prostitutie.

‘De hele wereld leek één grote spiegel, roestig en gebarsten, waarin ik met een verminkt gezicht mezelf aanstaarde’

Als er geen plaats is in het bordeel slaapt de jonge Mohamed naast het graf van zijn broertje. Illusies koestert hij niet. Op straat in Tanger is het eten of gegeten worden. Je lichaam is je overlevingsstrategie: je kunt het verkopen aan mannen in steegjes, je kunt er smokkelwaar mee sjouwen van het strand naar de stad. Maar het is kwetsbaar: honger breekt het af, kif zet het op een dwaalspoor, na een vechtpartij sleep je het toegetakeld over straat, op zoek naar onderdak voor de nacht. En precies op de momenten dat het verhaal stukloopt in het donker wordt Choukri existentieel: ‘Als je eenzaam bent, ga je nog meer van jezelf houden. Ik was de enige die nog bestond. Mijn eenzaamheid hield me een spiegel voor. De hele wereld leek één grote spiegel, roestig en gebarsten, waarin ik met een verminkt gezicht mezelf aanstaarde.’

Interessant aan beide boeken is ook wat er niet in voorkomt. In Taqwacore gaat het niet over 9/11, in Hongerjaren niet over de Tweede Wereldoorlog. De morele paniek na die rampen wordt niet benoemd. De moslimpunks in Buffalo komen nauwelijks bezorgde, argwanende of agressieve burgers tegen. De jonge Mohamed loopt in Tanger de Franse bezetter niet tegen het lijf. Ze leven vooral in hun eigen bouwvallige universumpje, de hoofdpersonen van beide romans. Maar juist omdat de sociale onrust van de grote buitenwereld nauwelijks doorklinkt, hoor je hem in deze verhalen continu op de achtergrond. Beide romans hebben expliciet een politieke inzet. Choukri noemde Hongerjaren zelf een sociale documentaire, een poging de geschiedenis op te schrijven ‘die we zijn kwijtgeraakt of die ons door de kolonialen is afgepakt’. Taqwacore is vooral een lange tirade tegen orthodoxe schijnheiligheid: ‘We hebben onze godsdienst verdomme gereduceerd tot een academische kwestie. Wie de islam het beste kent, is degene die zich vastbijt in de boeken, die zijn shit het beste heeft geleerd. (…) Ik ben zo moslim dat ik schijt heb aan de islam. (…).’

Voorbij de woede en wanhoop ligt de roes. En voorbij de roes ligt de verlichting. Dat, de eerlijkste en menselijkste manier om in de wereld te staan, is wat de jongens in Buffalo en Tanger zoeken – net als zoveel jongens in de grote steden van vandaag. Toen ze uitkwamen hadden beide romans een enorme invloed op de twintigers van toen. Hongerjaren werd in Marokko meteen verboden en dus gretig in het geheim gelezen. Taqwacore werd het handboek van een subcultuur die nauwelijks bestond voordat Knight erover begon te schrijven. Hoe zouden jonge Marokkaanse lichtzoekers in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag deze boeken lezen, nu ze in het Nederlands zijn uitgekomen?

Voor een jongen die zich voortdurend met de nek voelt aangekeken, moet Hongerjaren lezen als een bittere bevestiging dat je bezit moet bevechten en dat geluk nooit langer duurt dan een benevelde nacht. Je staat er in het leven alleen voor. Het enige talent dat je hebt is de katachtige slimheid om elke dag te overleven – en de overtuiging, al is het onbewust, dat jouw verhaal het waard is om verteld te worden, niet door de ogen van anderen maar in je eigen woorden.

Op jongens die de hoop nog niet hebben opgegeven maar de hypocrisie van hun omgeving niet kunnen uitstaan, zou Taqwacore kunnen werken als een groteske uitvergroting van dat innerlijke gevecht tussen de engel en de duivel. Je hoeft niet in zo’n huis te gaan wonen dat transformeert van een moskee in een moshpit om van alles te herkennen in de strijd van Jehangir en Yusef: om dwars door alle mooipraterij en verleidingen heen te zoeken naar een vorm van geloof die je tegen het leven bestand maakt. Aan het eind van het boek is Jehangir verdwenen, na een krankzinnig optreden van bands met namen als Osama Bin Laden’s Tunnel Diggers en Vote Hezbollah. ‘Als hij me iets heeft meegegeven’, denkt Yusef, die zijn studie heeft opgepakt en het studentenhuis achter zich heeft gelaten, ‘dan is het dit eenvoudige idee: ik kan mijn eigen vragen beantwoorden. (…) Laat me elk boek dat ik ooit tot me heb genomen weer uitkotsen en geef me de islam van maïsvelden in nachten vol sterren, de wind die door mijn shirt suist en roekeloze vrijpartijen fi sabilillah (omwille van God – ck) die nergens op uitlopen dan op verdriet. Tot mijn knieën in een beekje zal ik mijn kitab (boek – ck) vinden. Als Allah me iets wil zeggen, zal hij dat doen in de gezichten van mijn broeders en zusters. Als er een wet is waaraan ik me moet onderwerpen, zal ik die vinden in de wereld.’


Beeld: Tanger, 1953 (Watford / Mirrorpix / Corbis )