Was wat men in Indië wilde na driehonderd jaar mislukt?

Mijn vader vond van wel.

Hij wilde oprecht het beste voor de plaatselijke bevolking. Hij was daar geboren. Hij was één van hen – hoewel hij dat ook weer niet was. Hij viel er tussen. Niet blank, niet bruin. Hij had in Leiden gestudeerd, en begreep toen al dat ‘we’ ooit een keer weg moesten uit Indië.

In Indië gebruikten ze het woord ‘discriminatie’ niet. Hij merkte wel dat er af en toe op hem werd neergekeken. Hoe kon een Indische jongen meester in de rechten zijn? Hij had een keer op een enveloppe ‘van iemand die mij niet mocht’ gezien dat het ‘weledelgestrenge’ was weggegumd. Maar last had hij niet van zijn kleur. Ook niet toen hij terug was in Nederland. Volgens hem had ‘neerkijken’ en later ‘discriminatie’ te maken met sociale status. Rijke Indische Nederlanders of Indische Nederlanders met een positie werden volgens hem zelden gediscrimineerd. Misschien achter zijn rug, maar nooit recht in zijn gezicht.

Wat er was gebeurd in Indië zat hem dwars. We hadden dat land inderdaad ‘verloren’. Hij rekende dat voor een deel zichzelf aan.

Al sinds de jaren dertig, toen hij studeerde, begreep hij dat Indië ooit onafhankelijk moest worden. Maar dat moest geleidelijk gaan.

Hij vond het zorgelijk dat de politici in Nederland ‘geen bal’ van Indië begrepen.

Het woord ‘zonde’ gebruikte hij vaak.

We hadden Indië inderdaad ‘verloren’. Mijn vader rekende dat voor een deel zichzelf aan

Zonde: een doel dat net niet werd bereikt, maar ook iets dat moreel niet te verantwoorden was. Aan zonde hangen verdriet, teleurstelling, schuld, verspilling – al die gevoelens die mijn vader een keurige protestant maakten.

Toen mijn ouders in 1972 veertig jaar waren getrouwd, wilden wij, kinderen, hen een reis naar Indonesië aanbieden. Maar dat wilde hij absoluut niet. Mijn moeder zat er trouwens ook niet om te springen.

Hoe kon het nou dat hij niet terug wilde naar de plek waar hij was geboren? Waarom wilde hij niet naar het huis van zijn ouders? Waarom werd hij bijna angstig als we spraken over zijn kantoor van waaruit hij assistent-resident was? Hij sprak er in clichés over: ‘Die plekken zijn niet zoals ze vroeger waren, het zal een teleurstelling worden.’

Maar als hij over Indië sprak, deed hij dat in geparfumeerde woorden, alsof hij ons de geur van Indië wilde laten ruiken.

Is het zo dat hij zich nooit echt Nederlander voelde?

Nee, integendeel. Hij voelde zich juist echt Nederlander. Hij wilde daar ook erkenning voor! Hij was geen Indische jongen, maar een volbloed Nederlander. Indië was tenslotte Nederland. Er waren wel zaken anders, maar het was Holland. Hij hield van Hare Majesteit de Koningin. Ofschoon we er al honderden jaren waren, zag hij het land als een kind dat bijna volwassen was. Bijna. Maar nog niet helemaal. En dat we zijn opvoeding onderbraken, vond hij zonde.

Toen ik op mijn zestiende het huis verliet – en hij vond dat mijn opvoeding eveneens nog lang niet klaar was – overviel hem ook een woedend verdriet. Ik mocht pas ‘thuiskomen’ als ik een diploma had. (Wat gelukt is.)

Maar regelmatig dacht ik op mijn kamertje: waarom trek je het je zo aan? Ik red het wel. Waarom zo woedend? Waarom wil je tegen beter weten in toch nog verantwoordelijkheid voor mij, terwijl je ziet dat die verantwoordelijkheid beklemmend werkt?

Ofschoon ik ook een bescheiden kleurtje had, was ik niet meer iemand die er tussen viel. Ik vermoed dat hij daar toch bang voor was. Zoals hij, door de oorlog, bang geworden was voor alles. Die angst kwam eruit voort dat niemand echt kon begrijpen wat hij zonde vond. Het verlies van Indië, de ontberingen in het kamp, de kwetsuren door krijgsgevangenschap van mijn moeder en hemzelf waarvoor destijds niemand echt oog had.