Profiel: G.A. Bredero

Woedende kroniekschrijver van de schaduwzijde

Gerbrand Adriaenszoon Bredero (1585-1618) was een ras-Amsterdammer. Wie een stadswandeling wil maken langs «zijn» Amsterdamse plekken is snel klaar: Bredero’s Mokumse biotoop had een bescheiden oppervlakte. Hij bestond in feite uit de handels- en amusementsstraat de Nes én de hoerenbuurt, de rossige Wallen. Wie Bredero’s Mokumse sporen terugzoekt, kan beginnen op het plein voor de Brakke Grond, aan de kop van de Sint Pieter Halssteeg. Daar hangt een plaquette, bevestigd op zijn vierhonderdste verjaardag, met het opschrift: «G.A. Bredero 1585 16 maart 1985 ’t Kan verkeren».

Op deze plek stond aan het eind van de zestiende eeuw de Vleeshal, waar d’Egelantier was gevestigd, een van de twee Amsterdamse rederijkerskamers, genootschappen van kunst en letteren, waar ook veel toneel werd gespeeld. D’Egelantier presenteerde Bredero’s eerste toneelteksten in een zaal op de zolder boven die Vleeshal. Op maar een paar passen richting de Dam, Nes 41 (nu een goed lopend restaurant) stond het geboortehuis van Bredero. Een steenworp stadinwaarts de Nes in, op nummer 110 om precies te zijn, toen een nonnenklooster, nu de dienstingang van het bekende Rokin-restaurant De Nissen, was de latere behuizing van d’Egelantier, waar Bredero’s bekendste toneelwerken hun wereldpremière beleefden. Loopt u van daaruit een van de stegen richting de Wallen in, dan ligt op Oudezijds Voorburgwal 244 het sterfhuis van Bredero. Het café dat daar nu is gevestigd — naast de glitterkledingzaak Diabolo — heet ook naar hem; een ovalen bordje vertelt hoe lang G.A. Bredero er woonde (van 1602 tot 1618).

Een Bredero-wandeling door Amsterdam eindigt in stijl in de Kalverstraat, hoogte Heiligeweg. Daar ergens («In Der Heyliger Stede» heette dat toen) werd Bredero op 26 augustus 1618 begraven. Hij was 33. Een van de helden in zijn komedies had het voorspeld: «Wie de goden liefhebben, sterft op jeugdige leeftijd, in de volle kracht van lichaam, hart en geest.» Dat laatste klopte overigens niet helemaal: in december 1617 was Bredero, die per slede terugkeerde van een begrafenis in Haarlem, ergens in de buurt van Halfweg door het ijs gezakt. Hij herstelde snel, maar zijn verzwakte lijf redde het uiteindelijk niet. De veelbelovende en bejubelde schrijver liet in 1618 een bescheiden oeuvre na: het treurspel Rodd’rick ende Alphonsus, de tragiekomedies Griane en Lucelle, de blijspelen Moortje en De Spaanse Brabander, de kluchten Van de Koe, Van de Molenaar en (postuum) Van den Hoogduytschen Quacksalver, en (ook postuum) zijn verzamelde gedichten, Boertigh, Amoreus en Aendachtigh Groot Lied-boeck.

Het openingscouplet van Geestigh Liedt uit die verzamelde gedichten gaat zo: «Wat dat de wereld is/ Dat weet ick al te wis/ God betert — door ’t versoecken:/ Want ick heb daer verkeert/ En meer van haer geleerd/ Als vande beste boecken.» De ondertitel van dit Geestigh Liedt luidt nuchter: «Ick schou de Wereld an».

Dát heeft Bredero aan de Nes en op de Wallen gedaan. Hij keek om zich heen en zoog de bonte taal van «zijn» Amsterdammers in zich op, verteerde haar en kotste de woorden en zinnen van de straat weer uit in zijn stukken, geschreven in de «moerstaal», het brutale idioom van de Mokumse man en vrouw uit de kroegen en bordelen.

Vorige week was die taal voor het eerst sinds tijden — Nederland koestert zijn klassiekers niet — weer eens te horen. Theatergroep De Kale speelde met veel succes Bredero’s De klucht van de molenaar. De toneelspelers werden in de pers terecht bejubeld om hun schaamteloze behandeling van dit flinterdunne Bredero-plotje. Het verhaal van De klucht van de molenaar gaat over Slimme Piet, een molenaar aan de stadspoorten, bij wie een mondaine vrouw uit Leiden, Trijn Jans, komt aankloppen om onderdak voor één nacht. De molenaar en zijn vrouw, Aeltje Melis, zijn gastvrij, maar Slimme Piet krijgt van de stadse bezoekster oproer in zijn broek: hij wil met haar hoe dan ook een «kitteljacht» — zeventiende-eeuws Amsterdams voor neuken buiten het echtelijk bed.

De conversaties over het zwoele spel tussen de klamme lakens laten in Bredero’s klucht weinig aan de verbeelding over. Een citaat.

Aeltje Melis: «Neen moer, Piet slacht de koekoek: hij leidt zijn eieren al uit.

Hij hét zijn beste pijlen al in ’t wild verschoten. Dan zeker, ’t is zijn schuld niet: hij is van ’t houtje gesproten». (Wat zoveel betekent als dat Piet zijn wilde seksuele escapades van zijn vader heeft overgeërfd.)

Piet: «Een man die zeven jaar bij één vrouw blijft, die wordt melaats!»

Aeltje Melis: «Dat heb je van ien hoer gelierd, in een oneerlijke plaats. Maar vrouwmens, hoe staat het toch met jouw mans zaken?» (Een ongegeneerde poging van de molenaarsvrouw om erachter te komen hoe de man van Trijn Jans in bed presteert.)

Trijn Jans: «Mijn man slacht jouw man: die kan mier praten als maken. Mijn man zeit dat hij blind wordt van al dat parle-gaten». (Wat er grof gezegd op neerkomt dat de man van Trijn Jans zijn rijkelijk gestorte zaad beschouwt als voor de zwijnen geworpen parels.)

Slimme Piet regelt een rendez-vous met Trijn Jans in zijn molen. Maar Trijn Jans krijgt spijt van de afspraak en stuurt Piets vrouw (in háár kleren) naar het liefdesnest. Slimme Piet (niks in de gaten, vrijen in het donker) heeft het idee dat hij feestelijk en buitenechtelijk de sterren van de hemel heeft gevreeën: «Ze hing me om ’t lijf als ien klis; ja ien aal kan zo niet aan ien dobber hangen! Bijlo, dat ik zulk een wijfjen had, ik liep ermede het land uit!» vertelt Piet enthousiast aan zijn knecht Joost, en gunt de opgewonden geworden onderknuppel ruimhartig een volgende beurt in de schoot van de stadsmadam.

Van Joost moet Piet vervolgens horen dat-ie helemaal niet is vreemdgegaan, maar gewoon zichzelf met zijn eigen vrouw heeft bedrogen. Piet erkent zijn nederlaag grootmoedig, met een vaak geciteerd (overigens van oorsprong bijbels) Bredero-adagium: «Dat gij niet wilt dat U geschiedt/ en doet zulks an een ander niet.» De vrouw van Piet, Aeltje Melis, is bevredigd, maar woedend, en ook weer de beroerdste niet. Ze sluit de klucht af met Bredero’s lijfspreuk: ’t Kan verkeren.

Einde van een potje lekker vet theater van de lach avant la lettre, compleet met verkeerde broeken, zwarte nepgebitten, aangeplakte wratten, een schaamteloos boertige molenaar (Vastert van Aardenne) en een onovertroffen, goeddeels zwijgende knecht Joost (Jérôme Reehuis). Organisatoren van de zomerse kolderfestivals kunnen rustig Theatergroep De Kale bellen, er ligt een hit op hen te wachten.

De jaren van G.A. Bredero zijn bewogen jaren in de lage landen bij de zee. Hij wordt verwekt ergens in de buurt van de eerste politieke moord in de Nederlanden, die op Willem van Oranje (10 juli 1584). Een half jaar na zijn geboorte (13 augustus 1585) valt Antwerpen definitief in handen van het Spaanse leger onder Parma, wat een enorme immigratie-invasie van Vlamingen in Amsterdam tot gevolg heeft. Bredero groeit op, leert schilderen en gaat daarna schrijven, tijdens de roerige jaren van de Tachtigjarige Oorlog, de stedendwinger Maurits, het Twaalfjarig Bestand en de fundamentalistische godsdiensttwisten tussen de «rekkelijken» en de «preciezen». Ook theatraal vormen Bredero’s jaren een onverwachte, onhollandse goudmijn. In de herfst van Bredero’s geboortejaar neemt Elisabeth I van Engeland het opstandige noordelijke Nederland in protectie en stuurt Robert Dudley, graaf Leicester als Lord Protector. Zijn residentie (Utrecht) herbergt de hofhouding van een heuse Renaissancevorst, onder hen een troep toneelspelers, Lord Leicester’s Men, waar onder de raskomediant Will Kempe, de latere shooting star in het theater van William Shake speare. De komst van de vrijgevochten Engelse komedianten, die vanuit Utrecht uitgebreide tournees verzorgen naar Leiden, Den Haag en Amsterdam, zorgt voor een ommezwaai in het keurige, afgepaste toneelklimaat van de noordelijke Nederlanden.

Aan het begin van de zeventiende eeuw — Bredero is dan vijftien — is het toneel in Amsterdam het overgrote deel van het jaar (buiten de carnavalstijd) het exclusieve terrein van twee besloten kunstverenigingen, de zogeheten rederijkerskamers: d’Egelantier in de eerder vermelde Vleeshal aan de Nes, en Het Wit Lavendel, een vereniging van Vlaamse emigranten, gevestigd in een kapel aan het Rokin.

In het jaar dat Bredero toneel begint te schrijven, 1611, beginnen de rederijkerskamers hun verenigingen en hun zalen open te stellen voor het «gewone» publiek, tegen betaling van één stoter (de helft van het oude kwartje). De deftige types uit de besloten genootschappen maken plaats voor een gigantische toeloop van «gewoon» publiek, «het klootjesvolck van de vesten», veel luidruchtige jeugd. Men drinkt, sjanst, vrijt en maakt zich vrolijk over toneelstukken waarin de keurige upper class van de stad net zo fel op de korrel wordt genomen als de hoeren, pooiers en drinkebroers aan de zelfkant.

Dit is het terrein van de burgemeesterszoon Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647), die de klucht Aulularia van de Romeinse dichter Plautus rechtstreeks vanuit het Latijn verdietst tot Ware Nar. Maar het is meer nog het terrein van de schoenmakerszoon Bredero, die geen Latijn maar wel een soort «kind-Frans» beheerst, en die een andere klucht uit het Romeinse repertoire (Eunuchus van Terentius) vanuit het Frans tot een Amsterdamse publiekslieveling omzet: Moortje. Eén jaar voor zijn dood, in 1617, overtreft het toneelbeest Bredero zijn collega Hooft (die het bij één komedie laat) en de aanstaande collega Joost van den Vondel (1587-1679), die op dat moment nog in kousen handelt en zich nooit aan het komische genre zal wagen. Bredero overtreft in dat jaar vooral zichzelf, met een klassieker in het Nederlandse theater van de zeventiende eeuw: Den Spaanschen Brabander Jerolimo, motieven en plot ontleend aan de Spaanse schelmenroman Lazarillo de Tormes.

De verhaallijn van dit stuk lijkt nog dunner dan in Bredero’s kluchten: Jerolimo, een kaalgeplukte jonker uit Antwerpen, neemt het Am sterdamse straatschoffie Robbeknol als knecht in dienst, beleeft aan de onderkant van Amsterdam enkele smadelijke avonturen, en smeert hem net op tijd voor een stoet schuldeisers.

Het stuk, in de jaren zestig van de vorige eeuw door Erik Vos voor het laatst groots geënsceneerd in de Amsterdamse schouwburg met Bob de Lange en Henk van Ulsen, is onwaarschijnlijk rijk van taal. Hoort toe hoe de Antwerpse opsnijder Jerolimo op de Wallen twee hoeren begroet: «Maôr sjazus! Wâ geluk! Maôr engelieke liên/ maôr beeldekens van goud, meê goeien salutaôsie/ kus ik de handekens van oe beleefden graôcie/ kee, hertekens, waôrheen dus, zonder chapperonneur?»

In het voorwoord bij de tekst zegt Bredero zonder omhaal waar het hem om te doen is: «Ik stel U naaktelijk en schilderachtig voor ogen de misbruiken van deze laatste en verdorven wereld, de gebrekkigheid van de tijd. Ik doe het niet uit haat, noch om iemand te vertoornen, maar om alle mensen te verlustigen en verbeteren.» Nee, Bredero was geen lachebek, hij was de woedende kroniekschrijver van de schaduwzijde van de net op gang gekomen Gouden Eeuw. In zijn Liedboeck dicht hij: «De wereld, fraai vermomd, hoe schoon dat zij mag schijnen/ En is niet anders dan een doolhof, een woestijn/ Een razernij, een kuil, een pijnbank om te pijnen/ Haar zotte lievers, die nog in haar kerker zijn.»

Was hem meer tijd van leven gegund geweest, dan was Bredero stellig uitgegroeid tot de Molière van de Lage Landen. Het mocht niet zijn. Volgens de stadskronieken van Amsterdam was zijn begrafenis luisterrijk, hij werd naar zijn laatste rustplaats gebracht «als een poëet met laurieren zeer treffelijk begraven, nog jongman zijnde». Na zijn dood verscheen een bundel elegieën, Lijkdichten over ’t afsterven des aardigen ende vermaarden Poëets. Joost van den Vondel, wiens ster nog moest rijzen, schreef daarin de volgende regels: «Hier herbergt ’t lijf, wiens geest in schertsen muntte uit/ En met veel boerterij steeds zwanger ging van harsen/ Wiens Charon willig voert omzunst in d’oude schuit/ Vermits de zieltjes droef nog lachten om zijn farcen.»

Veel later, in 1644, herschreef Vondel dit gedicht, een puntiger maar nog altijd diepe buiging voor Gerbrand Adriaenszoon Bredero: «Hier rust Brêro, heengereisd/ Daar de boot geen veergeld eist/ Van de geest die met zijn kluchten/ Holp aan ’t lachen ál die zuchten.»

Theatergroep De Kale speelt Bredero’s De klucht van de molenaar. Inlichtingen: Lange Leidsedwarsstraat 141, 1017 NK Amsterdam, 020-4274487