Woelingen

Iannis Kounellis heeft iets van de eigengereidheid van Caravaggio en de dwarsheid van Rafaël. Dat zie je aan zijn paarden.

Medium fuchs1

De kunst van Rafaël was voor mij, moet ik bekennen, een late bekering. Omdat ik eind jaren zeventig goed bekend raakte met Iannis Kounellis kwam ik daarna vaak in Rome. Wat ik dan van oude meesters ging bekijken, met devotie, waren de twee brutale altaarstukken (geschilderd in 1601) van Caravaggio in de Santa Maria del Popolo – en daarvan vooral de Bekering van Paulus dat het meest eigengereide is. Het verhaal is te vinden in het bijbelboek Handelingen 9. Paulus heette toen nog Saulus en werkte voor het Sanhedrin. De volgelingen van Jezus moesten hun geloof nog ondergronds belijden. Saulus hielp ze op te sporen en ter dood te brengen. Maar toen hij voor zijn werk op weg was naar Damascus werd hij door een scherp licht hevig verblind. Hij viel op de grond. Uit het licht klonk een stem die hem vroeg met dat vervolgen op te houden. Dat was dus Jezus. Saulus bleef drie dagen blind. Hij bekeerde zich en nam de naam Paulus aan. In het schilderij van Caravaggio zien we eerst bijna, schuin van achteren en in volle grootte, het gevlekte paard dat daar staat te wachten tot de commotie voorbij is. Een knecht houdt het paard vast bij het hoofd. Saulus is achterover gevallen. Hij ligt op zijn rug, armen gespreid, ogen geloken. Het licht dat dus fel was is nu aan het wegsterven. Het toch wat donkere licht glanst op de dof gekleurde gestalte van het paard waar omheen schaduwen de overhand nemen. Saulus is uitgedost in rood. Zelfs in het verdwijnende licht zorgt dat rood nog voor een sterke straling. Daarom is Saulus (alias Paulus) ondanks de prominentie van het paard toch de hoofdpersoon in het tafereel.

Twaalf levende paarden in een galerie: een totale, dwarse, enigmatische overrompeling
Medium fuchs3

Kounellis, intussen, was in dit schilderij geïnteresseerd omdat Caravagggio de eigengereidheid had een dramatische compositie te maken waarin je ziet dat hij als kunstenaar de grenzen had verlegd. In plaats van het drama te richten op de hoofdzaak (bijvoorbeeld het verblindende licht) zijn we voorbij dat moment. In dat halve donker zien we een gewoon en helemaal niet heroïsch paard. Caravaggio had zich voorgesteld hoe het eruit zou zien als iemand bij hem om de hoek van zijn paard zou zijn gevallen en het paard gewoon stond te wachten. Dat had hij op straat gezien. Zo kwam er in de Bekering van Paulus een realisme terecht dat denk ik bepalend is voor het scherpe drama in het schilderij. Zo trad het beeld buiten de norm – zoals Kounellis dat in 1969 zelf ook deed in zijn werk (Senza titolo): een installatie van twaalf levende paarden in een Romeinse galerie. Dat was een totale, dwarse, enigmatische overrompeling. Bedenk bijvoorbeeld dat in die tijd de machtige beweging van minimal art zich begon te ontplooien. De installatie van zulke werken (Judd, Lewitt) was abstract en rechthoekig en beheerst, het tegendeel dus van die nerveuze paarden. Maar omdat Kounellis dat werk had kunnen maken, kon bij uitstek hij de dramatiek van het schilderij goed begrijpen. Zo werken zulke verwantschappen in de kunst.

Medium fuchs2

Nu verder met Rafaël. Eigenlijk leerde ik hem kennen als een belangrijke meester van de Renaissance. Ons werd gewezen op zijn ongemeen beminnelijke Madonna’s. Die waren mooi, vond ik, maar niet opwindend. Als student moesten wij The Story of Art van Gombrich lezen. Daarin werd Rafaël in scène gezet als de ultieme meester van de verfijnde harmonieuze schoonheid die het hoogtepunt was van de Renaissance. Verder was Rafaël voor ons in Leiden gewoon te katholiek – zoals ook Rubens in onze esthetische context nooit een goed begrepen schilder werd. Dat zijn wezenlijke gevoeligheden. Zoals ik deze dagen op radio en tv weer eens hoorde praten over wie de grootste kunstenaar is van de modernen: Picasso of Matisse. Geen van beiden natuurlijk, wel Mondriaan die veel radicaler is.

In Rome ging ik eerst niet echt in het Vaticaan naar Rafaël kijken. Het duurde wat voordat ik begreep dat zijn zeer roerige late werk, met name de grandioze Transfiguratie (1518-20), tegelijk ook de ondermijning was van die befaamde perfectie en daarmee het begin van wat maniërisme zou worden. Dat schilderij was in alle voegen van zijn formulering een radicale, agressieve verstoorder van een evenwichtige orde. Het lijkt alsof Rafaël geen Madonna meer kon zien. De opgewonden, hoekige opzet van de Transfiguratie is intussen zo dwars als de paarden van Kounellis. Dat is ook geen kunst om mooi te zijn maar kunst die, net als sommige werken van Bruce Nauman of ook Victory Boogie Woogie, niet tot een grote definitie komt maar blijft woelen. Zo blijft de kijker gissen hoe het verder zou kunnen gaan. Dan zien we wel verder.


Beeld: (1) Iannis Kounellis, Senza titolo. I_nstallatie met paarden, 1969 (Galeria L’Attico Rome); (2) Rafaël,_ Transfiguratie, 1518-1520. Olie op linnen, 405 cm x 278 cm (Vaticaans Museum); (3) Caravaggio, De bekering van Paulus, 1601. Olie op doek, 273 x 175 cm (Santa Maria del Popolo, Rome).