Een standbeeld voor Belcampo

Woennear nen sculptuur?

Wel of geen standbeeld voor Belcampo in Rijssen. Nee, zeggen gereformeerde-bonders. Ja, zegt het nieuwe, progressieve gemeentebestuur. Op stap met twee lokale Belcampo-promotors, langs locaties uit ‹Het grote gebeuren›.

Een donderdagochtend in Rijssen. De stoptrein Deventer-Almelo komt aangetuft. Achter de nu neergelaten slagboom die toegang geeft tot het perron, wachten Gerrit Kraa en Harm Agteresch. In zijn hand houdt Kraa De wondere wereld van Belcampo (Querido, 1997). Hij begint er, tot verbazing van een dun stroompje Rijssense forensen, uit voor te lezen. «Juist op tijd kwam de zware metalen reeks voor het stationnetje tot stilstand», leest hij voor uit Bekentenis, een vroeg Belcampo-verhaal. «Het stadje is zo klein, dat het geknars van de remmen door alle inwoners gehoord werd.» Kraa is leraar Nederlands in ruste en auteur van streekboeken met titels als De zoon van de zompschipper en Als de boom niet bloeit. Bovenal is hij groot kenner van het werk van Herman Pieter Schönfeld Wichers, alias Belcampo.

Kraa steekt een vinger in de richting van een ouderwets, door nieuwbouw omgeven rijtje huizen, vlak naast het station. «Daar zou z’n maîtresse gewoond hebben», zegt hij. In Het grote gebeuren, de ophefmakende, in 1943 gepubliceerde en te Rijssen gesitueerde novelle, laat Belcampo te midden van de alledaagse werkelijkheid de Dag des Oordeels aanbreken. Alle Rijssenaren worden naar het Schild gevoerd, het centrale plein in het stadje, alwaar ze ten hemel varen of de hel in worden gesodemieterd. De hoofdpersoon, in het verhaal aangeduid als Belcampo, heeft zich als duivel verkleed waardoor andere duivels hem niet opmerken. Hij gaat op zoek naar z’n maîtresse die hij nog niet heeft gesignaleerd. In het huisje waar Kraa op wijst kan hij haar niet vinden. «Maar daar was toch nog die kleerkast met in zijn achterwand een deur naar een tweede diepere kast onder de trap, waarin ik zelf al eens een hele nacht was weggeborgen toen haar echtgenoot een keer onverwachts terugkwam», schrijft Belcampo in Het grote gebeuren. Inderdaad blijkt de maîtresse zich in de bergruimte op te houden. Na een kort doch vurig bedrijven van liefde, «de diepste troost die een man en een vrouw aan elkaar kunnen geven», voert de nog immer als duivel vermomde hoofdpersoon haar naar het Schild, om haar de weg naar de hemel te laten betreden.

Op de plek van de Stadsbosjes, die in het verhaal Het laatste getuigenis als decor dienen, staat heden ten dage een grote supermarkt. Ervoor heeft Kraa zijn auto geparkeerd. Hij houdt de stoel naar voren om Harm Agteresch op de achterbank te laten. Agteresch neemt een pet van het kalende hoofd, om zijn nek zwiept een wildwest-embleem. Van beroep is hij kome diant. «Harm oet Riessen» noemt hij zich en vooral hier in Twente is hij vermaard. In het Rijssens Nieuwsblad drijft hij de rubriek «Harm’s proat». Afgelopen november uitte hij daarin kritiek op de Kulturele Raad Rijssen die het bestaan had een bronzen sculptuur van stadsomroeper Jan met de Panne op het plein voor De Hoge Wal te laten plaatsen. «Met alle respect», schreef Agteresch, «mear alwier een beeldje van nen stadsumrooper? Ik weet nit hoevöle gemeentes, Helndoorn en Harndberg schöt mie zo te bin’n, hebt al zo’n beeldje. En doar koomp Riessen ook nog is an. Woennear komt ze is met nen sculptuur, twee in eene, van de breurs Herman en Karel Schönfeld Wichers? Oftewel Belcampo en Karel van’n notoaris.»

Het Overijsselse plaatsje schokte uit de sluimer wakker. Een standbeeld voor Belcampo! Lokale pers dook er bovenop. «In Rijssen klinkt — voorzichtig — de roep om een beeld van de schrijver Belcampo, precies honderd jaar na zijn geboorte», schreef De Twentsche Courant/Tu bantia in de eerstvolgende editie. «Een buste kan dienen als herinnering aan een groot man en een dialectliefhebber. Én als baken voor andere tijden», meende de krant. «Krijgt Rijssen, nu zelfs het zwembad en de sportzaal ’s zondags open kunnen, een Belcampo-buste?» vroeg een Tubantia-columnist zich af. Han Pape, hoofdredacteur van het onafhankelijke Twentse weekblad De Roskam: «Een kleine terloopsheid die tot een grote werkelijkheid kan leiden.»

Vanaf de achterbank reikt Agteresch een van de brieven aan die hij daags na zijn voorstel kreeg bezorgd. «Aan dhr Agteresch», luidt de aanhef. «Als er nu juist één man is die in Rijssen geen standbeeld verdient, dan is het wel Belcampo. Alleen al het godslasterlijke boek Het grote gebeuren. Heel Reformatorisch Rijssen heeft geen enkele behoefte aan een standbeeld voor deze man, die Gods volk in Rijssen zoveel schade aanbracht. Mensen als Belcampo spotten roekeloos met God en Godsdienst (Psalm 1 vers 1).» Hij vouwt de brief dicht. «Afkomstig van Ten Hove», zegt hij, «een SGP’er die ik ken.» Op straat wordt Agteresch aangesproken en nagewezen. «Je schrijft wel mooie stukjes, zeggen ze dan. Maar Belcampo dat moet je niet aanroeren.» Voor SGP-represailles zegt hij niet bevreesd te zijn. «Ik ben humorist, ik speel gitaar, banjo en ukelele. Hoe vaak ik al niet heb moeten horen: Harm, wat je doet is het werk van de duivel.»

We parkeren op het Schild. In het midden van dit pleintje staat de hervormde kerk. Kraa wijst op een inscriptie boven de ingang: «Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten.» Volgens Kraa zouden de broers een «z» gefiguurzaagd hebben en die voor het woord «onderlinge» hebben opgehangen. «Nu eerst het ouderlijk huis opzoeken», zegt Kraa. Voor de kerk langs, rechtsaf de Grote Straat in. In het eerste pand aan de linkerkant, het vroegere politiebureau, is een reisbureau gevestigd. Het huis ernaast, nummer zeven, heeft het jaartal 1664 op de trapgevel staan. «Hier heeft Hendriks gewoond», zegt Kraa. Hendriks is in Het grote gebeuren de buurman van de hoofdpersoon. Net als Belcampo keert deze hoofdpersoon, na jaren te zijn weggeweest, terug in het Rijssen van zijn jeugd en betrekt er het ouderlijk huis. Op een avond wordt hij «in mijn lekker zitten lezen» opgeschrikt «door een rij gillen» uit het huis van de buurman. De hoofdpersoon snelt toe. Hendriks’ vrouw heeft een buitenissig wezen op het kussen in de echtelijke sponde aangetroffen. Met een vlindernet schept de kordate Hendriks het beest van het bed en plaatst het in een leegstaand aquarium. «Het was een beest, zoals we nog nooit hadden gezien, waar we ook geen enkel plaatje en geen enkele beschrijving van een beest mee in verband konden brengen», schrijft Belcampo in Het grote gebeuren. Hendriks, die correspondeert met biologen, zet zich aan een beschrijvende brief die de twee in het holst van de nacht op de bus gaan doen. Op het Schild grijpt de hoofdpersoon Hendriks beet. «Boven ons hoofd stond een hemellichaam dat er niet hoorde. (…) Licht flakkerde op onze gezichten, Rijssen werd groengeel.» Het posten van de brief blijkt onmogelijk. In de spleet zit «net zo’n beest». Onthutst spoeden de twee zich huiswaarts.

Er is een Hubo gevestigd in het ouderlijke huis op nummer negen. Ervoor langs schuift winkelend publiek. «Je ziet wel dat het niet voor de hand liggend is hier een standbeeld neer te zetten», zegt Agteresch. Kraa vraagt de Hubo-verkoper of we het huis mogen bekijken. De Hubo-verkoper vindt dat best. Hij zegt nooit eerder Belcampo-gerelateerde aanloop te hebben gehad. «In 1906, Herman is vier en Karel is zes, betrok notaris Schönfeld Wichers het statige pand», doceert Kraa. De Hubo-verkoper houdt een gordijn opzij, de trap op naar de zolderverdieping. Belcampo beschrijft hoe de hoofdpersoon na de opmerkelijke gewaarwordingen zich hier te bed legde om zich over te geven aan beschouwingen «die tot een slotsom leidden waarmee ik rustig in kon slapen». We turen door het inmiddels grondig vertimmerde slaapkamerraam naar het «omlijste stuk luchtruim» waar de hoofdpersoon de volgende ochtend een pandemonium ontwaart: «De wezens, die nu het luchtruim doorzeilden, doorfladderden en doorkliefden waren op aarde nooit geweest, zij leken als afgezet door een in de nacht gepasseerde planeet.» Vanachter het raam zag de hoofdpersoon hoe de Rijssenaren doorgingen met hun dagelijkse doen alsof er niets aan de hand was: «De meid van meester Wingerdhof, een paar huizen verderop, schrobde de straat en ik zag hoe zij voorzichtig om een groen soort poes heen schrobde.»

Beneden, te midden van allerhande doe-het-zelf-gerei. «Ik persoonlijk ben er niet op tegen», zegt de Hubo-verkoper. «Waarom het er nog niet is? Ik denk dat dat wel duidelijk is. De meerderheid van de bevolking hier is er niet direct voor. In gesprekken merk je dat wel. Hij is een groot schrijver, dat zullen ze niet ontkennen. Het is de manier waarop hij het verwoord heeft…» Een verkoopster op leeftijd valt hem bij. «Belcampo is een tijdje waarnemend arts in Staphorst en Bathmen geweest.» Kraa knikt. «Mensen vertellen daar nu nog het verhaal dat hij bij een bevalling was. ‹Dat kan nog wel even duren›, zou hij gezegd hebben, ‹schik eens een eindje op.› Waarop hij bij de zwangere in het bed was gaan liggen. In een Staphorster krant werd er schande van gesproken.» De Hubo-verkoper sluit niet uit dat militante SGP-jeugd het beeld zal belagen. «Het zou best omver getrokken kunnen worden. Bij Piet van Sluis, de kapelaan die aan jongetjes zat, gooien ze nog regelmatig de ruiten in.» Harm Agteresch zuigt een vlam in zijn shaggie: «En ik zeg: gewoon neerzetten dat ding.» De Hubo-verkoper: «Zakelijk gezien kun je heel goed overweg met die SGP’ers. Ze zijn betrouwbaar, netjes, eerlijk. Met geld nooit problemen. Totdat je aan de bijbel komt. Dan ga je een grens over.»

We lopen over het Schild naar de Boomkamp, een lange straat in de richting van het station. In Het grote gebeuren trekt er een scheur overheen van «wel vijf meter breed en zo diep, dat je geen bodem kunt zien». De hoofdpersoon krijgt van buurman Hendriks te horen dat Willem Westrink, «directeur van een obscuur fabriekje in de buurt», er met auto en al in is verdwenen. De hoofdpersoon gaat een kijkje nemen: «Toen ik me voorzichtig voorover boog om in de diepte te kijken, kroop er juist een geweldige salamander uit op. Tussen twee trouwhartige blauwe ogen droeg hij op zijn kop een kuifje, maar toen ik nader toekeek zag ik, dat het een klein model was van een chevrolet fourseater, zoeen als aan Westrink had toebehoord.» We draaien om en slaan rechtsaf de Haar in, een winkelstraat met Pearl, Hema, Blokker en ABN Amro. «Op de Haar», schrijft Belcampo, «de weidse entreeweg van Rijssen, ontmoette ik voor het eerst geweld. Er kwam een suizen en een vertroebeling van atmosfeer door verre, machtige opwaaiing van stof, er kwam een rhytmisch naderen van lucht, ik stond opeens in een zuiging van geluiden. Daar kwam het al bij bakker Ten Berge de hoek omgieren. Nu wist ik. Het waren de apocalyptische ruiters! Wij stonden aan de ochtend van de jongste dag.» Tussen het pand van juwelier Struik en de bakstenen ING-bank trekt een jonge Rijssenaar zijn scooter op het achterwiel. Hier situeerde Belcampo de ingang van de hel «waaruit een metrolucht naar boven sloeg en waarin aan ’t eind van een stuk dikke duisternis flakkerende verlichting zichtbaar was».

In 1975 werd Het grote gebeuren verfilmd door Jaap Drupsteen, de vermaarde ontwerper van het voormalige Nederlandse briefgeld. De prachtige, negen maanden voorbereiding vergende «lezing met lichtbeelden», zoals Drupsteen z’n project zelf omschreef, wekte nog grotere beroering dan de publicatie van het boek teweeg had gebracht. In De eerste Nederlandse tiftie (Querido, 1983) een door Wim G.J. van Dijk geschreven biografie, door de gebiografeerde zelve van commentaar voorzien, roemde Belcampo «de onwaarschijnlijke nauwkeurigheid» waarmee Drupsteen te werk was gegaan. Tevens schrijft Belcampo onder welk een ontzaglijke druk hij ten tijde van die tv-uitzending kwam te staan: «Door het aankondigen van de uitzending werd een deel van de Rijssenaren hevig verontrust. Nog hoor ik de telefoontjes. ‹Ie alleen keunt et nog stopm. Meer attat duurgeet, meneer, dan heb ie veur Riesn wal ofedoan.› En een Hollandse directrice van een bejaardenhuis: ‹Mijn oudjes sidderen voor de jongste dag en u drijft er de spot mee.› Toch deed ik niet anders dan hun voor ogen stellen waar zij hun leven lang steevast in geloofden.» De voice over in de verfilming was van Kees Brusse. «In eerste instantie hadden ze Herman Rosink gevraagd, de kapper», weet Agteresch. «Hij was apetrots en vertelde het overal. Totdat zijn klanten dreigden niet meer te komen. Hij vond het te link en zegde af.» Onder belangstelling van scholieren pompt de brandweer midden op het Schild een fontein leeg. Ongeveer op die plek verhief zich, in de richting van de Elsenerstraat, heden volgestouwd met Hans Anders en Scheer en Foppen, «een brede baan van betreedbaar doek, zich verheffend en wiegend in de lucht».

Het Rijssen van nu is een stadje van nog geen veertigduizend inwoners. Liefst negentig procent is kerkelijk, waarvan ruim zestig procent actief. Met tienduizend leden vormen de hervormden de grootste groep. Binnen die groep blijken alleen gereformeerde-bonders bezwaar te maken tegen de komst van een standbeeld. «Zij vormen niet de meerderheid», zegt dominee Hoff, voorzitter van de centrale kerkenraad van de hervormde gemeente Rijssen. Hoff: «Van een standbeeld van Belcampo zou ik niet wakker liggen. Belcampo is natuurlijk geen geestverwant. In Het grote gebeuren worden geloofsgenoten belachelijk gemaakt. En toch, voor een staatsman als Thorbecke kan ik ook respect hebben.» Hardnekkig verzet tegen het standbeeld is volgens Hoff veeleer aan te treffen bij wat hij gemakshalve omschrijft als «klein rechts», de SGP stemmende gereformeerde gemeenten. Aan de gereformeerde gemeente behoren de Noorder- en Zuiderkerk toe. Er is ook nog de gereformeerde gemeente in Nederland (binnen verband), met een kerk aan de Wierdense straat, en de gereformeerde gemeente in Nederland met een kerkgebouw aan de Esstraat. Hun ledenaantal bedraagt zo’n zevenduizend. Scriba H. van den Belt van de gereformeerde gemeente in Nederland: «Wij zijn fel tegen. Belcampo was een spotter. Het was een godslasteraar, in al zijn geschriften. Mijn achterban zou gekwetst zijn met zo’n standbeeld. De SGP zal ons steunen in ons verzet.»

We stappen in de auto en rijden naar de begraafplaats. Ter hoogte van de viskraam is Kraa zojuist door J. Slagman, een oud-SGP’er, vermanend toegesproken. Kraa: «Ik ben geboren binnen de gereformeerde gemeente. Ik ken het klappen van de zweep. Ik ben hervormd nu. Daarom kan ik respect voor Belcampo hebben. Toch wil ik liever niet tegen de orthodoxe gemeente aan schoppen.» Agteresch: «En het is daarom dat jij beide broers in één standbeeld wilt vereeuwigen.» Kraa: «Onzin, het was jouw voorstel.» Agteresch: «Ik ben nu voorstander van een los standbeeld voor Belcampo. Het begint veel te veel een compromis te lijken. Ondanks dat ik Karel hoog heb zitten. Ik heb pianoles van hem gehad, zoals je weet.» Karel Schönfeld Wichers verwierf vooral in de regio bekendheid vanwege het Twents-Nederlands woordenboek dat hij opstelde. «Hij heeft veel voor Rijssen en omstreken betekend», zegt Agteresch, «maar een man van het allure Belcampo was hij niet.» Kraa: «Hij heeft veel meer gedaan voor de Nedersaksische taal dan jij denkt. Bovendien leefde hij een zeer oorspronkelijk leven.» Een afzonderlijk beeld van Belcampo kan volgens Kraa beter in Amsterdam, waar hij studeerde, of in Groningen, waar hij als studentenarts werkzaam was, worden neergezet.

Belcampo overleed in 1990. Op 5 januari van dat jaar werd hij hier op de Oude Begraafplaats ter aarde besteld. In Vrij Nederland deed Ageeth Scherphuis er verslag van: «En zodra de stoet op de begraafplaats was, stapten ze op de fiets, reden daar ook heen, parkeerden de fiets tegen de muur en klommen op het zadel, om maar niets van het spektakel te missen.» Kraa, staande voor een kniehoog muurtje dat de dodenakker omgordt: «Leg mij dat nou eens uit, waarom je op je bagagedrager zou moeten gaan staan. Dat is weer typisch die dédain uit het westen, zo van zesde moeras links.» Kraa benadrukt dat je in Rijssen in de oorlog het laagste percentage NSB’ers van heel Overijssel had.

Verder gaat het, naar het Volkspark, een door de rijke jute-industrieel Ter Horst gefinancierd theater. Met ernaast de volière waar de hoofdpersoon eenzaam rondscharrelt nadat alle Rijssenaren ten hemel zijn gevaren of in de hel zijn afgedaald. Alles op aarde was nu wel van hem, maar wat schoot hij ermee op? «De mij bedreigende neerslachtigheid werd opgehouden door een gedachte, die mij tenminste iets te doen gaf», schrijft Belcampo. «In het Volkspark was een grote volière met fraai gevogelte, goudfazanten, Lady Amhurst-fazanten, poelepetaten. Die moesten verzorgd worden of losgelaten.» We lopen om de volière heen. Agteresch maakt vogelgeluiden. Een goudfazant zet zijn veren op. De nog altijd als duivel verklede hoofdpersoon zou de volière nimmer bereiken. Hij komt vijf treurende engelen tegen. Na enig aarzelen vragen ze de duivel of hij niet nog één mens heeft ontmoet. «Met een door tranen verstikte stem riep nu de oudste uit: ‹Wij zoeken Belcampo, wij hadden speciale opdracht!› Dat is meer dan ik ooit had durven dromen. Met een: ‹Daarissiedan!› rukte ik mijn masker af en bevond mij op hetzelfde ogenblik door vijf jubelende engelen omringd.»

Havezate De Oosterhof aan de Kasteellaan, even buiten Rijssen. Op een bankje in de naastgelegen hof. Kraa: «Hier moet het beeld komen.» Agteresch: «De boel is hier zondags wel dicht. Dat kan natuurlijk niet. Ik pleit voor het parkje buiten de grachten, of anders toch in de stad.» Kraa: «Dat zou ’m te druk wezen.» Over verdere voornemens ter realisering van het beeld houden de twee zich op de vlakte. Agteresch: «We zijn er nog niet uit of ze beiden moeten of apart. Of het abstract moet of concreet.» Bovendien is er minstens een ton nodig. Kraa: «Vraag het de burgemeester maar.»

Ten stadhuize. PvdA-burgemeester Jan Lonink overlegt het boekje Overijssel in letteren, waarin Overijsselse locaties in literaire werken bijeen zijn gebracht. Onder Rijssen wordt de eerste, smadende alinea uit Het grote gebeuren geciteerd: «Onze aardbol is rond en alom heerst op haar het woeden der geschiedenis. Revoluties golven, tronen wankelen, kronen rollen, bommen vallen, kreten stijgen op, bloed vloeit. Maar één gemeente ken ik, die daar ligt, nog even onberoerd als op de dag der schepping — Rijssen.» Maakt Lonink helemaal niet uit, zegt hij. Zijn komst in december 2000, bij de gedwongen samenvoeging met buurgemeente Holten, veroorzaakte een ware cultuurschok. Decennia lang was de SGP er ongehinderd aan de macht. Loninks voorganger, SGP-burgemeester E. van Voorden in 1995 tegenover Binnenlands Bestuur: «Ik voorzie niet dat er ooit een straat naar Belcampo vernoemd zal worden, laat staan dat er een standbeeld onthuld wordt.» De samenvoeging met de niet-oerconservatieve buurgemeente Holten had als gevolg dat er meer reguliere partijen in de raad kwamen. De SGP zag haar almacht slinken en beschikt thans over slechts één wethouder. «Natuurlijk zal dat standbeeld er komen», zegt Lonink, ooit medevoorzitter van de Kunstenbond FNV. «Ik vind dat er hier meer democratische processen op gang moeten komen. Het verwezenlijken van zo’n beeld past daarin.» Wel is burgemeester Lonink bevreesd voor het losbarsten van een stammenstrijd. «Er zal een vergunning verleend moeten worden, daardoor zal het een politiek issue worden.» Zoveel ophef als toen hij afgelopen december Sinterklaas in het openbaar de hand schudde, kan het volgens hem niet veroorzaken. De SGP zal volgens hem trachten een gelegenheidspact te sluiten met ChristenUnie en CDA.

Vijf deuren verderop is het kamertje van SGP-wethouder J. Ligtenberg. Over zijn schouders zie je uit op het Schild waar Belcampo zijn blasfemische scènes schetste. Ligtenberg leest een lang betoog voor zonder op te kijken. «Eerst moeten we objectief vaststellen dat Belcampo het grootste gedeelte van zijn leven niet in Rijssen heeft gewoond.» Hij citeert uit Het grote gebeuren: «Zij hadden dus toch gelijk, de mannetjes met de steile hoedjes, de smalle boordjes en de droge gezichtjes, die dit eeuwenlang van hun kanseltjes hadden verkondigd. Nou brak mijn klomp. Dit was wel het laatste wat ik ooit verwacht had. Maar er was geen twijfel aan, het hele orthodoxe apparaat was in werking.» De wethouder benadrukt dat plaatsing van een standbeeld, al of niet in aanwezigheid met die van broer Karel, de tegenstellingen in het Rijssense zullen aanscherpen. «Daarom», zegt hij, «pleit ik voor een beeld van Jan Rozendom, een vroom dichter in Rijssens dialect.» Buiten wachten Kraa en Agteresch. Juist beent CDA-wethouder W. Stegeman voorbij. Als het erop aan komt, belooft hij de twee, zal hij voor het standbeeld stemmen.