Web[oor]log

Woensdag 26 april

Medium jenj

Groene-redacteur Joeri Boom en fotograaf Jeroen Oerlemans zijn de troepen vooruitgereisd. Deze zomer worden in de Centraal-Afghaanse provincie Uruzgan 1600 Nederlandse militairen gelegerd. Joeri en Jeroen peilen in Afghanistan alvast de temperatuur van de oorlog. De voortvluchtige Taliban-leider Moelah Omar, die zijn machtsbasis heeft in Uruzgan, waar hij geboren is, beloofde onlangs immers een hete lente.

Woensdag 26 april

Ontbijt met groene thee, naan en een eitje. Fijn weer terug in Kaboel te zijn. Ik kijk opzij, uit het raam, en zie een tankwagen staan. Op een plek waar hij niet staan mag. Maar hij staat er wel. Tankwagens zijn in Irak veel gebruikte bommendragers. Je kunt ze lekker volproppen met explosieven. In Nassiriyah werd in november 2003 het Italiaanse hoofdkwartier van de caribinieri opgeblazen met een tankwagen, 14 doden. Ik laat me niet bang maken, natuurlijk. Is mijn handelsmerk, niet bang zijn, rustig blijven, nooit in paniek raken. Maar dit voelt gek. Als het ding explodeert, zit ik precies in de druklijn – hemelsbreed staat de tankwagen niet meer dan 15 meter van me af. Ik geef toe aan het geknaag in mijn maag, en verhuis mijn spullen naar een tafeltje achterin de eetzaal, verder weg van de mogelijke bom. Afhankelijk van de hoeveelheid springstof heb ik hier tenminste nog een kans. Terwijl ik bezig ben, rijdt de wagen weg. Niks aan de hand, maar ik ben net iets te opgelucht.

Was ik bang?

Ik ben nóóit bang.

Goed dan, ik was bang.

Ik moet er een beetje om lachen. Richt angst schade aan, van blijvende aard? Zoiets als hoogtevrees, een angst die je niet meer verlaat als je hem eenmaal te pakken hebt? Had ik nooit, hoogtevrees, totdat ik een keer voor een artikel in De Groene Amsterdammer meetrainde met een anti-terreureenheid van de mariniers en recht voor me uit kijkend van een 12 meter hoge brug moest springen, het water in. Ik kon kilometers ver kijken, zag een windmolen van een centimeter hoog, en het kanaal verdween als een streepje in de horizon. Ik viel minuten lang, zo leek het. En had vervolgens hoogtevrees. Dat gaf ik natuurlijk niet toe, dus zat ik maanden later machteloos op de middelste treden van de enorme, stijlvolle en veel te dure trap die het gigantische gebouw doorsnijdt waar het Europees Parlement in Straatsburg vergadert. De trap is breed en draait tientalle meters omhoog langs verschillende verdiepingen. De zijspanten zijn van plexiglas, of iets dergelijks, zodat je lekkerleukfijn kunt zien hoe hoog je bent en hoe nietig. Pas toen ik zittend naar een leuning was geschoven, en die tijdens het afdalen kon vasthouden, kon ik verder. Omhoog is nooit een probleem, maar afdalen, kijkend in de diepte, doet mijn knieen knikken. Ik heb van alles geprobeerd. Ben op de rand van mijn Amsterdamse dak gaan staan, waar nu eindelijk eens dat dakterras moet komen, tuur oneindig uit het raam tijdens het opstijgen van het vliegtuig en roep heel hard dat het onzin is, dat je kunt vertrouwen op je lichamelijke vermogens die ervoor zorgen dat je heus niet valt. Ik dacht dat ik eroverheen was, maar ik had het weer, in Herat, toen we afdaalden van de hoge brokkelmuren van Alexander de Grote zijn Citadel.

Medium moskee

Angst is voor een journalist in oorlogsgebied tegelijkertijd last en noodzaak. Veel journalisten die ik leerde kennen op onze reizen, vertrouwen op hun intuïtie. Dat doe ik zelf ook. Nadat je een paar keer in de ellende hebt gezeten, begint er een antennetje uit te schuiven, dat signalen oppikt van naderend onheil. Althans, dat is mijn manier om te verklaren hoe dat zit met intuïtie. Waarschijnlijk heeft die niets te maken met zesde zintuigen of geestelijke voelsprieten. Een logischer verklaring is dat eerdere ervaringen, grondige kennis van het gebied waar je je bevindt en een wankelmoedige geestelijke toestand (je heb van die dagen), zich vermengen. Een slecht voorgevoel is natuurlijk gewoon angst in milde vorm. Als ik in de gelegenheid ben, probeer ik eerst rustig te bedenken of het voorgevoel een rationele basis heeft. Is die weg inderdaad gevaarlijk, is deze missie werkelijk te risicovol? Als ik concludeer ik dat het risico onverantwoord is, ga ik niet op pad. Kan ik niet meer terug, dan accepteer ik de onrust, en zorg ik dat hij me scherp houdt. Laksheid en te goed zijn van vertrouwen, kunnen je lelijk opbreken in een gebied waar mijnen liggen, sluipschutters actief zijn en elke idioot een wapen draagt. Zeker nu westerse journalisten doelwit zijn geworden, zoals in Irak en Afghanistan, kun je nooit voorzichtig genoeg zijn. Maar ons vak is niet te beoefenen als je niet bereid bent te onderkennen dat er ook verantwoorde risico’s zijn. Wil je geen enkel gevaar meer lopen, dan zit je tijd als oorlogscorrespondent erop, en moet je weer fijn terug achter het bureau, waar weer andere risico’s op de loer liggen (vervetting, geestelijke zelfmoord, writers block).

De angst wordt een last als hij omslaat in paniek. Paniek is een vijand. Hij maakt blind, en laat je dingen doen die je in gevaar brengen. Ik maakte een paar keer mee dat hij collega’s in de greep kreeg. Eén rende weg toen vlakbij schoten vielen. Hij gaf zichzelf niet de halve seconde die hij nodig had om de situatie in te schatten, zag dus niet dat er in de lucht werd geschoten uit baldadigheid, maar zette het op een lopen. Ogenblikkelijk draaiden de lopen onze kant op. Wie wegrent, vestigt de aandacht op zich, en kan een doelwit worden. We zullen nooit weten of het paniek was die Sander Thoenes op Timor deed besluiten zijn motorrijder te laten omdraaien in het zicht van een controlepost van boosaardige militieleden. Achterop de wegspurtende motor werd hij een verdachte, en dus een doelwit, de achtervolging werd ingezet, en hij werd doodgeschoten.

Wil je dit werk gaan doen, lees dan Berichten van de frontlijn van Arnold Karskens, Nieuwe Revu-redacteur en langst dienende oorlogsjournalist van Nederland. Een streng boek, soms te streng (je kunt als roker best een oorlog verslaan, Arnold, en visdraad en een haakje heb ik nooit nodig gehad), maar boordevol belangrijke tips en verhalen van ervaren journalisten die regelmatig in crisisgebieden hun werk doen. Schandalig eigenlijk, dat Arnolds boek de enige Nederlandstalige gids is voor oorlogsjournalisten. Hij schreef het deels uit protest tegen de NVJ, het journalistengilde onder FNV-vlag (waar tegenwoordig zelfs onze natuurlijke tegenstander, de voorlichter, lid van mag zijn), die tot nog toe naliet een goede gids te maken, en nog steeds geen permanente cursus voor beginnend oorlogsjournalisten heeft opgezet. Er was even een prima cursus: wennen aan schoten, inkomend en uitgaand vuur herkennen, zien wanneer wapens op veilig staan, weten wat te doen in een mijnenveld, schotwonden verbinden, omgaan met posttraumatische stress. Georganiseerd door Defensie, in samenwerking met de NVJ. Maar die wordt niet meer gegeven. Denk ik. In de loop der tijd belde ik daarover drie keer met het kantoor van de NVJ. Drie keer vertelde een vriendelijke mevrouw me dat ik daarover zou worden teruggebeld. Drie keer werd mijn telefoonnummer genoteerd, en drie keer werd mij gevraagd of ik eigenlijk wel lid was (ben ik, onder protest). Drie keer werd ik niet teruggebeld. Ik zei mijn lidmaatschap op. De NVJ houdt zich voornamelijk bezig met CAO-politiek, en doet geen bal voor oorlogscorrespondenten. Het blaadje dat je thuisgestuurd krijgt heeft een griezelig hoog ons-kent-ons-gehalte en is niet bepaald een visitekaartje voor de journalistiek.

Nu ben ik weer lid, want zonder NVJ-lidmaatschap krijg je geen perskaart van de IFJ, de internationale federatie van journalisten die oorlogsjournalistiek wél serieus neemt, maar voorlichting en hulp in Nederland overlaat aan, je raadt het al, de NVJ.

(Lieve aardige NVJ-mevrouw, mocht u dit lezen: Kadir van Lohuizen (ook niet teruggebeld), Jeroen Oerlemans en Joeri Boom willen heel graag weten of het weer wat wordt, met die praktijkcursus.)

Er is ook angst die blijft hangen. Met je auto van de weg afgedrukt worden door een militair konvooi en terechtkomen in de berm, waar waarschijnlijk mijnen liggen, en wachten op de klap. Die niet komt. Een doorgeladen pistool op je hoofd krijgen, en wachten op het schot. Dat uitblijft. Oog in oog staan met een groep Servische paramilitaren, zonder onderscheidingstekens op hun vuile uniformen, gewapend met messen en splinternieuwe, nog blinkende kalasjnikovs. Ze zijn niet gemaskerd, besef je met een schok, je ziet de woedende waanzin in hun ogen. Waarom zouden ze je niet een kopje kleiner maken, om herkenning te voorkomen? Maar er gebeurt niets, je heft je handen, ze fouilleren je, en laten je gaan, zodat ze hun ‘werk’ in het brandende Kosovaarse dorp kunnen voortzetten. Het zijn momenten die nog wel eens terugkeren, soms jaren na dato. Elke journalist heeft zijn eigen manier om ze te ondergaan. Bij mij begint dat al tijdens de ervaring zelf. Mijn angst wordt overroepen door een geruststellende stem.

‘Hier liggen heus geen mijnen.’

‘Die jongen heeft er niets bij te winnen om de trekker over te halen.’

‘Die para’s dragen allemaal hetzelfde uniform, ze vallen dus onder een officiële militaire eenheid, die een groot probleem heeft als er een dooie journalist in het dorp wordt gevonden.’

Tralala, ik kom er mee weg, lacht de stem. Maar het blijft een gotspe dat het woord ‘psycholoog’ niet behoort tot de woordenschat van de meeste oorlogsjournalisten.

Medium bewaker

Hoe voorzichtig en goed voorbereid ook, je moet risico’s nemen. Wat me opvalt is dat de momenten waarop het bijna misging, allemaal plaatsgrepen toen ik nog werkte in mijn eentje. Jeroen en ik overleggen veel, en we zijn bereid een missie niet te ondernemen als we concluderen dat de risico’s te groot zijn. Is een verhaal je leven waard? Als je een hartinfarct krijgt meteen na het versturen van artikel en foto’s, wellicht. Voor het overige geldt wat ons betreft de stelregel dat een dooie nogal slecht uit zijn woorden komt en geen foto’s kan ontwikkelen.