Woeste wezen

Margriet Heymans, De wezen van Woesteland. Uitgeverij Querido, 104 blz., 329,90
Twee zusters voeden samen één kind op. Daar komt ruzie van. De moeder vertrekt met haar dochtertje en tante blijft allertreurigst alleen achter. Zeven jaar later hoort ze dat de zuster is overleden en het kind opgenomen in een weeshuis. Tante stuurt er een slimme heer op uit om haar nichtje te ontvoeren. Om er zeker van te zijn dat hij het juiste kind te pakken heeft, neemt deze vijf wezen van negen jaar met zwarte ogen en donkerbruin haar mee. Tante brengt het vijftal groot, tot ze klaar zijn voor het lang en gelukkig leven. En het èchte nichtje wordt schooljuffrouw.

Zo ongeveer gaat het verhaal in het nieuwste boek van Margriet Heymans, De wezen van Woesteland, maar voordat de lezer daar achter is, heeft hij zich een weg moeten zoeken door een doolhof van mogelijke hoofdlijnen, geheimzinnige zijpaden en verstopte plekjes.
Belangrijker dan het verhaal zelf is de manier waarop het verteld wordt, waarmee het boek verwant is met Paul Biegels Anderland. Heymans verkent de werking van de mondelinge traditie en betuigt die al doende haar hartstochtelijke liefde.
Eigenlijk begint het allemaal bij de toehoorders: zonder hen geen verhaal, en kinderen zijn het publiek bij uitstek. Hun is het nooit te bizar, onwaarschijnlijk of gezocht: de enige vraag die telt, is of het spannend is. Klaar, Manus en Bonnivan hebben mazzel met hun nieuwe juf Jozefa Muizenveld, een onconventioneel type met een voorliefde voor het aanschouwelijk onderwijs: ‘Op een dag liet ze ons de appel zien, waar Eva van gegeten had ondanks dat God het verboden had. Er was een flink stuk uit gebeten.’ De klas hangt aan haar lippen, de ouders vinden dat juf lariekoek verkoopt, en ze kan vertrekken. De drie kinderen gaan naar haar op zoek, letterlijk het verhaal achterna, dat ze bij stukjes en beetjes krijgen opgediend.
Even grillig als de lijn van de vertelling is de vorm, met een ritmische opeenstapeling van haastige zinnetjes - 'Sibbel naar het veld en vandaar weer naar huis’ - en een taalgebruik dat wortelt in het volkse: 'Hij had zijn kont nog niet gekeerd.’ Hier en daar duikt het bakerrijm op: 'Als de hond verdronken is, dan pakt de poes de muizen./ Balkenbrij met stankepis, overjas waar een knoop af is en grootmoe vangt de luizen.’ De krankzinnige namen - rechter Bielzon van de Poelen, streekwachter Sokkepet en zuster Williams Wortelsjem van de luizen- en vlooiencontrole - plaatsen de personages in een kleurrijk verleden, waar ook de echo van de bijbel en de rooms-katholieke folklore vandaan komt. Juf woont in een molen, 'daar malen ze de zielen der dooien in’.
Het verhaal treedt zo ongeveer buiten zijn oevers van rijkdom en volte en dan heb ik het nog niet gehad over de stortvloed van bizarre, expressieve prentjes die op hun eigen houtje nieuwe elementen en details toevoegen. Helemaal is het de auteur echter niet gelukt om de creatieve chaos te bedwingen. Na vier keer lezen met papier en potlood bij de hand zou ik nog niet graag overhoord worden over de precieze toedracht met die Woestelandse wezen.
Gelukkig is Jozefa Muizenveld zo'n juf die het begrip overhoren waarschijnlijk niet eens kent.