Perquin

Wolf

Het is zo'n maandagochtend waarop het miezert. Buiten de hekken van de dierentuin razen de auto’s voorbij en fietsen moeders met kinderen tegen de wind in. Hondenbezitters rukken vol zelfverwijt aan de riem. Het humeur van de mensheid boezemt weinig vertrouwen in en ook over mezelf maak ik me geen illusies. Ik manoeuvreer me, met een belachelijk grote paraplu onder de arm geklemd, verschillende hokken in en uit. Voor mij loopt een verregende vader met een peuter en een zakje eierkoeken. In de vlinderkas staart een oude dame naar een halve sinaasappel vol fruitvliegjes. Bij de apen heerst lamlendigheid: men ligt er verveeld op strootjes te kauwen. Ik weet nog steeds niet of ik van dierentuinen hou. Vrolijk word ik er zelden maar wel verlang ik soms, vooral als het miezert, naar een ander klimaat. Dan fiets ik dus naar de dierentuin om in de tropische serre te zitten.
Als ik echt in de stemming ben verzin ik er een gratis vreemdeling bij. Hij vertelt mij over zijn volk, dat ondanks alle invloed van buitenaf dapper aan de eigen gebruiken heeft vastgehouden. Hoor ik dat tromgeroffel in de verte? Vijandelijke stammen! Maar deze keer heb ik geen zin om stil te zitten. Eigenlijk wil ik alleen maar weer terug naar huis. Weg bij die klamme kooien en in volle vaart de stad door, waar de schijn van vrijheid tenminste hooggehouden wordt. Alleen nog even langs de wolf die, afgestompt door jaren van pottenkijkers, de getemde aanblik van een oude herdershond biedt. De ontwolfde wolf. Hem even zien en iets aardigs tegen hem zeggen, dat wil ik. En dan gauw weg hier. Achter het hek zie ik echter niets dan nat gebladerte. De wolf verbergt zich ergens. Mijn aardigheid zal hem worst zijn. Die is niet eetbaar en niet interessant. Ik zwaai nogal lullig naar het hek dat ons scheidt, alsof ik een boodschap achterlaat op een antwoordapparaat. ‘Ik dacht, ik kom even langs, maar je bent er dus niet…’ En in het volle besef van eigen overbodigheid loop ik naar de uitgang.
Een doorweekte bizon kijkt me gelaten na.