Wolf heeft het niet geweten

Markus Wolf, Man zonder gezicht: Memoires. Uitgeverij Balans, 436 blz., 339,50; David Childs and Richard Popplewell, The Stasi: The East German Intelligence and Security Service. Uitgeverij MacMillan Press LTD, 253 blz., 3131,40
TERWIJL ZO'N beetje de hele DDR-top in de gevangenis zit dan wel gedurende een rechtszaak is overleden, is ‘spionagechef’ Markus Wolf erin geslaagd als een held boven water te komen. Hoe hij het flikte, dat is weer zo'n geheim van dit hoofd van de voormalige HVA, de buitenlandse-inlichtingendienst van de DDR. Vorige week, na jaren van rechtszaken uiteindelijk weggekomen met twee jaar voorwaardelijk, liet Wolf zich minzaam omstuwen door de internationale pers en werden tegelijkertijd wereldwijd zijn memoires gepubliceerd. Beter had dat laatste niet getimed kunnen worden. Ongetwijfeld voor erg veel geld werden de memoires op hoge sensatietoon gebracht door het weekblad Stern, in een driedelige serie met ‘onthullingen’.

Een van die onthullingen zou het ‘verraad’ zijn van de inmiddels overleden Westduitse SPD-leider Herbert Wehner. Dat het met dat verraad wel meeviel, moet ook Wolf in zijn memoires toegeven: 'In werkelijkheid bekonkelden Wehner en Honecker niets in het geheim met elkaar en er was geen sprake van contacten van Wehner met de Sovjetunie.’ Stern-concurrent Der Spiegel wist de aanklacht dan ook makkelijk te pareren in een interview met Politbureau-veteraan Herbert Hähner. Maar toen was de rel al geboren. En met een rel verkoop je boeken.
Met de kreet 'full of bombshells’ verkoopt de Nederlandse uitgever Wolfs uit het Amerikaans vertaalde memoires Man zonder gezicht. Het boek is duidelijk toegesneden op een groot publiek. De toon is persoonlijk, het gaat vaak over gevoelens, er wordt nogal eens op de man gespeeld. Omdat het grote publiek geacht wordt geen geheugen te hebben, bestaat het grootste deel van Man zonder gezicht uit oude koek, overbekende spionageaffaires waaraan Wolf hier en daar een pikant detail weet toe te voegen. Zo wordt voor de zoveelste keer de affaire-Guillaume uitgemolken, de spionagezaak die de val van Willy Brandt veroorzaakte. Zoveel jaar na dato werpt Wolf zich ineens op als fan van Brandt en doet hij het voorkomen alsof hij diens val helemaal niet had gewild. Terwijl het toch duidelijk was dat Brandts ontspanningspolitiek een groot gevaar inhield voor de DDR-top. Dan haalt Wolf nog wat melancholieke herinneringen op aan Cuba en vertelt hij over een onschuldig maar amusant spionnenavontuurtje op Zanzibar. Weinig onthullend allemaal.
Sommige delen zijn zelfs rechtstreeks afkomstig uit een in 1991 verschenen 'onthullend’ boek met memoires, dat in Nederlandse vertaling verscheen als Naar eer en geweten: Bekentenissen van de Oostduitse spionagechef. Deze memoires (die in Man zonder gezicht volgens goede communistische traditie geheel uit de geschiedenis zijn weggegumd) ademen nog de sfeer van de ineenstortende DDR, waarin Wolf zich als liberale hervormer wilde doen gelden. De bitterheid over het mislukken daarvan, de chaos van die laatste jaren, ja zelfs die verwarrende maar fascinerende dialoog met een betrokken, linkse oppositie over een derde weg, een andere DDR, dat alles is uit Man zonder gezicht weggeschreven: te ingewikkeld.
MAN ZONDER gezicht opent met het hoofdstuk 'Veiling’, waarin Wolf vertelt over de bezoekjes die hij na de val van de DDR kreeg van de CIA en de BND (de Westduitse geheime dienst), die hem wel wilden helpen, mits hij een paar spionnen zou verraden. Wolf, die naar Moskou was gevlucht en vergeefs had geprobeerd onderdak te vinden in de Sovjetunie, had daar wel oren naar. Er vond serieus overleg plaats, maar in details treedt Wolf hier niet. Daar zal hij zijn redenen voor hebben.
Ook is er sprake van een vertrek naar Israel. Wolf, die een joodse vader had, is in dit boek opeens erg pro-Israel. Curieus als je weet dat Wolf betrokken was bij de opleiding van PLO-terroristen toen de PLO nog het voornemen had alle Israelische joden de zee in te drijven.
De chef van de buitenlandse spionage heeft de euvele moed te stellen dat hij van de meest obligate feiten van de internationale politiek even geen weet had: 'Door onze geïsoleerde positie wisten wij weinig over het Arabisch-Israelische conflict, en hoewel wij bijzonder goed op de hoogte waren van Hitlers vernietiging van de joden, wist ik als jood weinig over het ontstaan van de staat Israel en de Israelische strijd om zelfbehoud.’ Ergens moet hij de gespletenheid van de hele situatie wel hebben ingezien. Zoiets blijkt tenminste uit een opmerking als: 'Ik was telkens weer hevig ontsteld wanneer ik in het Midden-Oosten was en kameeldrijvers of venters die hoorden dat wij Duits spraken, ons achterna renden en riepen: “Heil Hitler!”’ Een voorbeeld van de ironische loop die de geschiedenis kan nemen.
EIGENLIJK heeft Wolf ons zijn hele boek door maar één ding te vertellen, en dat valt met een handzaam cliché samen te vatten: Ich hab’ es nicht gewusst. Doodleuk schrijft Wolf: 'Ik heb de gevangenissen in de DDR nooit van binnen gezien, maar de omstandigheden moeten er verschrikkelijk geweest zijn.’ Gevluchte RAF-leden die in de DDR werden ondergebracht? Wolf zou er pas na de hereniging over gehoord hebben. Trouwens, alle contacten met terroristen liepen via minister van Staatsveiligheid Mielke persoonlijk.
Overigens spreekt Wolf zichzelf hierin tegen, want elders in het boek vermeldt hij juist dat zijn organisatie actief betrokken was bij de acties van onder andere Carlos, de PLO en de RAF. Maar Wolf is er het hele boek door op gebrand Mielke, 'een gevaarlijke gek, zelfs volgens de eigenaardige normen die in de spionagewereld gelden’, af te schilderen als de hoofdboef. Schijnheilig schrijft hij: 'Misschien mocht ik mij ook wel gelukkig prijzen dat Mielke, de minister van Staatsveiligheid, er de voorkeur aan gaf dat ik niets wist, want dat stelde mij in staat mij op mijn eigenlijke taak te richten: het verzamelen van inlichtingen uit het buitenland.’ Maak dat de kat wijs, denk je dan.
Wolf is zo arrogant dat hij niet eens de moeite neemt dit niet-weten aannemelijk te maken. Bijvoorbeeld wanneer hij stelt dat hij, toen hij al was spionagechef was, niet op de hoogte was gesteld van de bouw van de Muur.
WIE WERKELIJK het hoe en wat wil begrijpen van misschien wel de beste geheime dienst ten tijde van de Koude Oorlog, kan beter studies lezen die niet zijn bedoeld om het eigen stoepje schoon te vegen. Zo schreven twee Engelse politicologen, Childs en Popplewell, na diepgaand onderzoek het superdegelijke boek The Stasi: The East German Intelligence and Security Service. Hierin wordt de Stasi beschouwd als een direct verlengstuk van de sovjetmacht. De Stasi, waar naar schatting tussen de één à twee miljoen mensen voor gewerkt hebben, was verplicht alle binnenkomende informatie door te sluizen naar de KGB. Van ieder belangrijk Stasi-document bestond een KGB-kopie.
Vanwege deze zo met elkaar verstrengelde belangen is het volgens Childs en Popplewell onmogelijk om nu nog vast te stellen in hoeverre de HVA van Wolf (die binnen de Stasi een goed betaalde elite vormde) zich inspande voor specifieke DDR-doelen en in hoeverre het slechts een wapen was binnen het sovjetblok van Oost-Europa. Er lijkt wel sprake geweest te zijn van een zekere werkverdeling, waarbij de HVA zich grotendeels op West-Duitsland richtte en de KGB de rest van de wereld voor zijn rekening nam. Wolf, die in zijn memoires laatdunkend doet over de avonturen van de Oostduitse geheime dienst in Afrika, het Midden-Oosten en Amerika maar zich op de borst slaat over de prestaties in West-Duitsland, bevestigt dat beeld overigens wel.
Dat Wolf aangesteld werd als chef van de HVA juist omdat hij een willoze marionet van de Sovjetunie zou zijn geweest, is uiteraard iets wat je in zijn memoires niet zult aantreffen. Integendeel, daarin overheerst een korzelige toon over de Russische bemoeienissen. Childs en Popplewell wijzen er echter op dat Wolf, die tijdens de oorlog in Moskou werd opgeleid en die vloeiend Russisch spreekt, al op zijn dertigste als spionagechef werd aangesteld door de toenmalige DDR-leider Ulbricht, in het bijzijn van twee Russische functionarissen. Dat laatste was natuurlijk niet zomaar. In Moskou maakte men zich nogal eens zorgen over de stalinistische lijn van Ulbricht na de dood van Stalin. En als er al sprake zou zijn van een sluimerend conflict tussen Wolf en Mielke - volgens velen de machtigste man binnen de DDR -, dan heeft Wolf zich al die tijd alleen maar kunnen handhaven door zijn zeer goede banden met de KGB-leiding. Bij de KGB moest men zeker dertig jaar lang hebben geweten dat men blindelings op Wolf kon vertrouwen. In dat licht wordt het op z'n minst nogal leugenachtig dat Wolf zich bij het ineenstorten van de DDR ineens als liberaal hervormer aan het volk presenteerde.
CENTRAAL in Wolfs verdediging in de rechtszaken van de afgelopen jaren staat telkens weer de dikke lijn die hij trekt tussen zichzelf en Mielke. De DDR als onderdrukkingsstaat, daar stond Mielke voor, volgens Wolf. De binnenlandse-informatiedienst, die de Orwell-achtige toestanden deed ontstaan van familieleden die elkaar moesten aangeven en vrienden die achteraf verraders bleken, de staatsmoorden, de onmenselijke gevangenisstraffen, van dat alles zou men bij de HVA van Wolf geen weet hebben gehad. Maar dat is natuurlijk een absurde bewering. Niet voor niets was de vierduizend man tellende buitenlandse informatiedienst van de DDR ondergebracht in het kolossale gebouw van de Stasi in Oost-Berlijn. Childs en Popplewell wijzen erop dat de HVA om te kunnen opereren bijvoorbeeld volledig afhankelijk was van het Hoofd Departement III van de Stasi, verantwoordelijk voor het aftappen van telefoons, en dat de meeste Westduitse HVA-spionnen werden gerecruteerd tijdens een bezoek aan de DDR, waarbij ze door de Stasi geschaduwd en soms gechanteerd werden.
En dat zijn nog maar enkele voorbeelden. De glamour-elite van de HVA en het voetvolk van de Stasi moeten om te kunnen functioneren onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn geweest. En Wolf, spin in het informatieweb, was natuurlijk op de hoogte van alles waarover hij nu doofstommetje speelt.
Het succes van de HVA onder Wolf wordt door Childs en Popplewell overigens niet ontkend. Dat een zo ongelukkig, van buitenaf gecreëerd namaaklandje zo'n legendarische geheime dienst kon opzetten, mag een raadselachtig unicum genoemd worden. Alleen al omdat de geschiedenis van de Duitse communistische geheime dienst er volgens Childs en Popplewells een van chaos en mislukking geweest is. De geheime KPD-knokploegjes waren absoluut niet opgewassen tegen het fascistische organisatievermogen van voor de oorlog. Bovendien, Stalin was er van begin af aan op uit de KPD te ontkrachten. Ook na de oorlog had hij geen enkel vertrouwen in de Duitse communisten die - ondergronds - in het land gebleven waren. In Moskou had hij binnen zijn eigen geheime dienst toekomstige DDR-leiders als Ulbricht en Mielke opgeleid. In de Berlijnse voorstad Karlshorst werd in een voormalig ziekenhuis de KGB gevestigd en die zou daar blijven tot aan de opheffing van de DDR. Pas toen dit centrum goed georganiseerd was, kon er gewerkt worden aan een Oostduitse geheime dienst. Zo diende de beruchte K-5 voor een groot deel voor het uithoren en martelen van vermeende nazi-elementen. Deze organisatie ging later op in de Stasi.
In 1953 brak in de DDR de beroemde arbeidersopstand uit. De inlichtingendienst had dit niet zien aankomen - een duidelijk blijk van gebrek aan professionaliteit. Er rolden koppen aan de top, de greep van Mielke werd groter en de sovjetpion Wolf werd aangesteld. In de jaren na de opstand groeide de organisatie op explosieve wijze. In 1952 bestond de Stasi uit vierduizend vaste medewerkers, in 1990 was dat gegroeid tot honderdduizend, de losse informanten nog niet eens meegerekend.
Het grote succes van Wolfs HVA blijkt onder andere uit het feit dat er al die tijd maar één Oostduitse overloper is geweest. Pijnlijk steken hier de tientallen Westduitse overlopers tegen af. Alles wees erop dat er in de Stasi nooit belangrijke Westduitse infiltranten zijn geweest, terwijl er duizenden HVA-spionnen op hoge Westduitse posities waren. Onder de bekwame leiding van Wolf zoog de DDR alle politieke, militaire en wetenschappelijke informatie uit de BRD op. Het is misschien niet overdreven te stellen dat de DDR zonder deze illegale informatiestroom al veel vroeger zou zijn ingestort.
OOK NU NOG, stellen Childs en Popplewell, is er over het reilen en zeilen van de Stasi en de HVA bitter weinig bekend. Tijdens de val van de DDR heeft de KGB heel secuur alle belangrijke spionagearchieven vernietigd. Ook over het functioneren van Wolf, zo stellen de onderzoekers gefrustreerd, krijgen we nog het meest te horen uit de mond van Wolf zelf. En waar de fictie ophoudt en werkelijkheid begint, dat weet Wolf alleen. De rest zwijgt. Vooralsnog.
Je vraagt je trouwens af of al die succesvolle ex-HVA-agenten nu thuis werkloos zitten te wezen. Dat zal wel niet. Ook direct na de oorlog kon men Duitse vakmensen in de hele wereld gebruiken. Maar over die intrigerende gedachte wordt door Wolf (uiteraard) noch door Childs en Popplewell (helaas) niet gespeculeerd.